Inzicht
Verhaal
De gure oostenwind dringt die vrijdagmiddag zelfs door zijn dikke winterjas. Het deert Sander niet. Het vooruitzicht van een volle week voorjaarsvakantie brengt hem in een opgewekte stemming. Als hij bijna thuis is, constateert hij een ongewone bedrijvigheid in de straat. Er staat een grote vrachtwagen geparkeerd en mensen lopen af en aan. Dat kan maar één ding betekenen: de nieuwe buren zijn gearriveerd.
Hij remt af om de situatie wat beter te kunnen bekijken. Een paar medewerkers van het verhuisbedrijf zijn druk bezig om de laatste dozen uit te laden. Een meisje van een jaar of zeventien loopt naar een auto, die op de oprit geparkeerd staat. Ze lacht naar hem en beantwoordt zijn groet. De toekomstige buren hebben onlangs aan zijn ouders verteld dat ze drie zoons en een dochter hebben. Dit moet dus de dochter zijn. We hadden het slechter kunnen treffen, denkt Sander, als hij zijn fiets in de schuur zet. Zijn opgewekte humeur blijft. Hij biedt na de maaltijd zelfs spontaan aan om te helpen met de vaat.
''k Hoef voorlopig toch geen huiswerk te maken,' verklaart hij. Hij heeft juist de laatste pan afgedroogd, als de bel gaat. 'Ik zal wel even gaan,' zegt hij, als zijn moeder aanstalten maakt om open te doen. Tot zijn verrassing staat het meisje van 's middags op de stoep. Ze lacht herkennend als ze hem ziet.
'Ik zal me eerst maar eens voorstellen,' zegt ze, 'we zullen elkaar nog wel vaker zien. Ik ben hiernaast komen wonen. Linda Verkuil.'
'Sander Schuring,' zegt hij automatisch. Wat een vlot, spontaan meisje, denkt hij intussen, en wat heeft ze prachtig haar. Zij praat alweer: 'We willen een blik soep opwarmen. Een uitgebreid diner zit er vandaag niet in, zoals je begrijpt. Maar we kunnen tot nu toe nergens de blikopener vinden. Mogen we die misschien van jullie lenen? Dan breng ik hem straks wel terug.'
'Natuurlijk,' zegt hij, 'loop maar mee. Dan kun je gelijk even kennismaken met de rest van de familie.'
Eenmaal in de keuken treft hem opnieuw haar spontane gebabbel. Over de rompslomp van het in- en uitpakken en het mooie kopje dat ondanks de extra lagen vloeipapier gesneuveld is. Alsof ze hier al jaren over de vloer komt, denkt hij. Als ze even later voor hem uit loopt door de hal, glanst haar haar onder het licht van de kroonluchter. Hij krijgt bijna de neiging om de blonde krullen even aan te raken. Hij voelt zich verward en zoekt tevergeefs naar zijn eigen nuchtere manier van reageren.
Als een uurtje later opnieuw de bel gaat, is zijn moeder bezig met het uittellen van een ingewikkeld borduurpatroon. Ze kijkt hem wat bevreemd aan, als hij ogenschijnlijk verdiept blijft in zijn boek en er niet over lijkt te piekeren om even voor haar naar de deur te lopen. Hij is vanavond al heel attent geweest, denkt ze, ik zal het hem maar niet kwalijk nemen. De tel is ze nu toch al kwijt. Ze weet niet dat hij wel zo naar de deur zou willen rennen, maar dat zijn benen wel van lood lijken. Hij vertrouwt zichzelf niet meer. Gespannen luistert hij. Ja, nu gaat de voordeur open. Zelfs in de kamer kan hij Linda woordelijk verstaan. 'Hartelijk bedankt voor het lenen. Ik hoop dat we goede buren zullen worden.'
Dat zal zo moeilijk niet zijn met jou, denkt hij. Het valt hem niet op dat zijn moeder wat gereserveerd reageert. Voordat zij de kamer weer binnenkomt, is hij al naar boven gelopen om zijn tanden te poetsen. Hij vertrekt even later met een korte groet: 'Ik ga gauw naar de JeV hoor, ma. Het is al tien voor acht.'
Eenmaal in het zaaltje kijkt hij met een wat kritische blik rond. Hij merkt dat hij plotseling de neiging heeft om iedereen met Linda te vergelijken.
'We zijn toch eigenlijk maar heel gewoontjes met z'n allen, ' denkt hij, 'Linda heeft iets sprankelends, dat niemand hier heeft.' Het irriteert hem zelfs een beetje als Jan op zijn gewone, bescheiden manier zijn inleiding houdt. En hij vraagt zich af of Margo's bedachtzame opmerkingen bij de vragenbespreking niet wat al te serieus zijn. Het was anders dan anders, denkt hij, als hij naar huis fietst. Als hij er verder over nadenkt, moet hij echter eerlijk toegeven dat het een verenigingsavond was zoals andere. Een onderwerp dat de moeite waard was. Een bespreking waarin goede en ook wel wat minder goede momenten zaten. Een welgemeend slotwoord van de voorzitter. Een praatje met deze en gene na afloop. Het was niet anders dan anders, maar hijzélf was anders. Hij heeft zich altijd zo goed thuis gevoeld bij deze groep jongelui en nu heeft hij als het ware van een afstandje naar hen zitten kijken. Het lijkt wel of hij zichzelf in de weg staat. Dan trekt hij een beetje geërgerd met zijn schouders en maakt een gebaar, alsof hij iets van zich afschudt. Hij zal er maar niet teveel over gaan tobben en er zeker de ontmoeting met Linda niet door laten bederven.
De volgende dagen ziet hij Linda weinig. 'Zouden onze nieuwe buren eigenlijk kerkelijk zijn?' vraagt zijn vader zich die zondag hardop af.
'Ik zag de buurman en de buurvrouw vanmorgen al bijtijds vertrekken,' meldt moeder, 'de kinderen heb ik de hele dag nog niet gezien.'
'De gordijnen zaten boven bijna allemaal nog dicht, toen we uit de kerk kwamen,' weet Jaap te vertellen. 'Hij heeft zoals gewoonlijk weer oog voor details,' zegt Sander een beetje geïrriteerd. Hij wil deze dingen eigenlijk helemaal niet weten. Na de ontmoeting met Linda voelt hij zich juist zo prettig gestemd. Hij wil die stemming niet laten bederven door dit soort vage veronderstellingen.
Als hij 's middags een poosje op zijn kamer zit te lezen, moet hij er toch aan terugdenken. Hij hoort vanuit de aangrenzende woning dreunende muziek. Zou Linda dit soort muziek draaien? Dat kan hij zich niet voorstellen. Waarschijnlijk is één van haar broers aan het uitproberen hoe zijn stereo-installatie klinkt in zijn nieuwe kamer. Opnieuw maakt hij onbewust een gebaar, alsof hij zich los moet maken van iets. Hij wil er niet meer aan denken.
'Struisvogelpolitiek,' hoont een klein stemmetje van binnen.
's Maandags staat ze plotseling bij hem, als hij de afvalcontainer naar de weg rijdt. Zijn moeder heeft zich al enigszins verbaasd over zijn plotselinge interesse voor klusjes die buiten gedaan moeten worden. Zaterdagmorgen is hij wel drie keer naar de brievenbus gelopen, terwijl hij heel goed weet dat de post pas rond het middaguur komt. Ze heeft zo haar gedachten en haar angstige vermoedens, maar ze zwijgt wijselijk. Hij zal er zelf achter moeten komen.
'Ha, Linda,' zegt hij, 'zijn jullie al zo'n beetje geïnstalleerd?'
'Ja, hoor,' reageert ze wat onverschillig, om meteen te vervolgen: 'Dat was me even saai zeg, zo'n eerste weekend. Je kent nog niemand en je weet niet eens waar je leuk uit kunt gaan. Zijn hier nog goede disco's in de buurt?'
Hij kijkt haar een beetje pijnlijk getroffen aan. Ze lijkt plotseling zo vreemd en ver. Ze ziet er ook heel anders uit dan vrijdag in haar verhuisplunje. Haar vlotte jack valt open. Daaronder draagt ze een nauwsluitend zwart truitje met een lage hals. Haar ogen heeft ze opgemaakt.
Hij beseft dat ze nog een antwoord van hem verwacht.
'Ik weet het niet,' zegt hij naar waarheid, Ze kijkt hem verbaasd aan. 'Hoe bedoel je,' vraagt ze, 'dat je niet weet of ik de disco's hier goed zal vinden?'
'Nee, ik bedoel dat ik het helemaal niet weet, omdat ik ze nog nooit van binnen gezien heb.' Haar mond valt nu bijna open. Dan lichten haar ogen plotseling op, omdat ze denkt hem te begrijpen: 'Je gaat natuurlijk naar de stad, omdat daar meer te beleven is.'
'Nee,' zegt hij opnieuw, 'ik ga ook niet naar de stad, tenminste niet om me in het uitgaansleven te storten.'
Haar gezicht straalt een en al onbegrip uit: 'Maar wat doe jij dan wel?'
'O, ik zit op de jeugdvereniging,' zegt hij. Nu hij het zo tegenover haar uitspreekt, vindt hij het zelf wel erg stijfjes klinken. Zij blijkbaar ook.
'Leef jij nog in de jaren dertig of zo,' spot ze, 'mijn opa heeft het ook wel eens over de jongelingsvereniging waar hij vroeger op zat.'
'Ik leef gewoon in het jaar 2000,' zegt hij wat scherp, 'en je moet heus niet denken dat we daar een beetje wereldvreemd bezig zijn. We hebben juist soms hele goede gesprekken. Over het geloof en over allerlei maatschappelijke onderwerpen.'
'Mij niet gezien,' reageert ze, 'maar wat doe je dan eigenlijk op andere avonden?' 'Ik zit ook op een koor,' zegt Sander. 'Dan zit je vast op een gospelkoor,' veronderstelt ze.
'Nee, op een reformatorisch jongerenkoor,' zegt hij naar waarheid. Hij beseft tegelijkertijd dat hij hiermee nog wel meer onbegrip op zal roepen. Ze reageert inderdaad met een schouderophalen.
'Ik kan 't allemaal niet meer volgen,' zegt ze, 'we spreken elkaar nog wel eens. Het lijkt me trouwens wel goed voor je om eens een keer een avondje mee uit te gaan. Dan kun je met eigen ogen zien dat er nog wel andere dingen te beleven vallen dan een jeugdvereniging.' Iedere lettergreep van het laatste woord spreekt ze met nadruk uit. Hij proeft er iets van minachting in. Als ze naar huis loopt, kijkt hij haar na. Hij ziet haar ranke gestalte en haar mooie krullen, maar innerlijk voelt hij zich ver bij haar vandaan. Onoverbrugbaar ver. Is dit het meisje aan wie hij de laatste dagen zo vaak heeft gedacht? Om wie hij, al was het aarzelend, zelfs gebeden heeft? Gevoelens van schaamte en teleurstelling strijden om de voorrang. Hoe oppervlakkig is hij bezig geweest. Hij wist immers totaal niet wie ze was. Hij is eigenlijk alleen op haar uiterlijk afgegaan. Hij had er zoveel van verwacht om verder met haar in contact te komen. Nu is het eerste het beste gesprek al op een teleurstelling uitgelopen.
Ze heeft ook vakantie en hij komt haar die week nog een paar keer tegen. Als hij op een middag weg wil fietsen om een paar boodschappen te doen, komt zij juist met haar fiets de schuur uit. Ze vraagt de weg naar een kantoorboekhandel.
'Rij maar mee,' zegt hij, 'die zit naast de schoenmaker en daar moet ik naar toe om mijn schooltas op te halen.'
Ze informeert onderweg belangstellend naar zijn opleiding. Hij vindt het toch wel leuk om zo met haar op te fietsen en gaat gretig op haar vragen in.
'Weet je wel dat jij allemaal dingen doet die mij maar niks lijken?' onderbreekt ze hem op een gegeven moment, 'zo'n technische opleiding en naar de jeugdvereniging. En ook nog op een koor. 't Valt me mee dat je nog zo gewoon gebleven bent.'
Ze kijkt een beetje behaagziek naar hem op. Hij voelt zich weer zwak worden, maar verzet zich ertegen.
'Weet je wat,' zegt hij, 'ga een keer mee naar de JeV. Dan kun je zelf zien dat daar hele normale mensen zitten.'
'Nee, dank je,' zegt Linda, 'ik ga lang niet iedere zondag naar de kerk en al helemaal niet naar een vereniging of iets dergelijks. Vanavond ga ik trouwens met mijn broer naar een goede film in de stad. 'k Hoef je zeker niet te vragen of je meegaat?'
'Nee,' zegt hij rustig, 'dat heb je goed geraden.'
'Je bedenkt je nog wel eens,' beweert ze. Haar zelfverzekerde houding staat hem plotseling tegen.
Vrijdagsavonds zit hij weer in hetzelfde zaaltje. Zijn kritische blik naar anderen is als sneeuw voor de zon verdwenen. Hij kijkt alleen nog maar kritisch naar zichzelf. Wat heeft hij veel fouten gemaakt de laatste week. Hij heeft zich mee laten slepen door oppervlakkigheden. Hij is tekort geschoten tegenover Linda, want hij heeft veel te weinig gezegd over de dingen die er werkelijk op aan komen. Hij heeft zich hier, in ditzelfde zaaltje, nota bene geërgerd aan mensen aan wie hij een voorbeeld zou moeten nemen. Ondanks al die beschuldigende gedachten ervaart hij het als goed om hier weer te zijn. Hij beseft meer dan ooit dat het niet vanzelfsprekend is dat hij hier een plaats heeft. In verwonderde herkenning leest hij mee in zijn Bijbel, als de voorzitter Psalm 139 leest: 'Doorgrond mij, o God! (...) En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 2000
Daniel | 32 Pagina's