Karel
Eigenlijk had Huib gelijk. Het is zonde van de tijd om de halve maand december in de kerk te zitten. Dit jaar deed hij niet meer mee. Hij had besloten er eerlijk voor uit te komen dat het hele christelijke gedoe van pa en ma hem de keel uit hing.
"Karei, waar ga je zo laat nog naar toe? ", vraagt zijn moeder als hij om half elf zijn jas pakt.
"Ma, ik ben het zat om steeds te zeggen waar ik heen ga. Ik ben zeventien jaar en geen kleine jongen meer. Misschien moet u aan dat idee wennen." Ongewild krijgt zijn stem een scherpere klank. Gealarmeerd laat zijn vader de krant zakken. Twee paar vragende ogen zien hem aan.
"Wie moet waaraan wennen? Heb ik wat gemist? "
"Ik vroeg waar hij nog zo laat heen ging", zegt moeder voorzichtig. Ze wil een confrontatie voorkomen. Karei loopt langzaam naar de deur en draait zich half om.
"Ik ben er te oud voor om steeds alles te zeggen tegen jullie. Vertrouw erop dat ik niet in zeven sloten tegelijk loop en zeur niet steeds zo."
Dat laatste had hij beter niet kunnen zeggen want zijn vader is te ouderwets om toe te geven dat ze behoorlijk kunnen zeuren. De krant is inmiddels een verdieping lager gegleden en de vragende blik is veranderd in een dreigende.
"Zeuren? Kom eens hier en praat eens gewoon. Sinds wanneer gaan we hier in huis allemaal onze eigen gang? Wat is het verschil met het gezin en een hotel? "
"U begrijpt het niet. Het is zo kinderachtig om steeds aan je moesje te vragen of je nog even naar buiten mag. Over een jaar word ik achttien, als jullie zo kinderachtig met me om blijven gaan, word ik nooit volwassen. Ik maak zelf wel uit hoe laat ik thuiskom."
De deur slaat achter hem dicht. Boos is zijn vader overeind geveerd om hem achterna te gaan. Is die jongen nou helemaal mal? Hij bedenkt zich na een paar tellen en zoekt de uitgewaaierde pagina's bij elkaar. Zijn gezicht staat donker.
"Even af laten koelen. Wat is er toch met onze jongen aan de hand? We hadden nooit problemen met hem en nu heb ik het gevoel of hij stukje bij beetje van ons losweekt."
Moeder schudt verdrietig haar hoofd. "Wat doen wij fout? "
"Fout, fout? ", zegt vader mopperend, "hij is fout, niet wij."
"Morgen hebben we kerk. Ik weet wel zeker dat we het niet voor elkaar..."
"Hij gaat gewoon mee. Hij voegt zich naar ons", zegt vader beslist.
Als Karei om half één naar boven sluipt, ligt zijn moeder nog wakker. Ze worstelt in het gebed om haar jongen. Zij mag ervaren dat de Heere haar zorg overneemt. Bij Hem is raad. Er daalt rust in moeders hart.
"Pa", gilt het meisje, "daar gaat hij!" Haar vader draait juist zijn wagen door de scherpe bocht in de dijk. Ze zien het ongeluk voor hun ogen gebeuren. De roekeloze bromfietser slaat over de kop en duikt met een boog de rivier in. Het meisje had hem al veel eerder opgemerkt dan haar vader. Terwijl ze voor een rood stoplicht stonden te wachten, had ze dromerig naar buiten gekeken. Het donkere water van de rivier weerspiegelde de lichten van de lantarens. Koud en zwart zag het water er uit. De kleine golven die tegen de keien klotsten, leken vast van plan zich niet door de vorst te laten bedwingen. Ze had zitten peinzen hoe leuk dat zou zijn: een bevroren rivier. Daar zou je de hele kerstvakantie op kunnen schaatsen.
Ineens was hij naast de auto opgedoken. Hij moest hard remmen om op tijd te stoppen. Het eerste wat haar opviel was dat hij geen helm droeg. Zijn haar zat van geen kanten en zijn ogen waren rood van de kou. Toen keek hij naar binnen. Ze schrok van zijn boze blik. Hij had zijn hoofd meteen nijdig afgedraaid en speelde ongeduldig met het gas. Ze hoorde de motor ronken.
Het licht sprong op groen. Pas op het moment dat hij met een onverantwoordelijk hoog tempo wegscheurde, zag haar vader hem. Van ergernis
trokken zijn wenkbrauwen zich samen. Tot nu toe had hij niet veel woorden met zijn dochter gewisseld. Hij was diep in gedachten verzonken geweest. Nu zit hij plotseling rechtop achter het stuur. De jongen verdwijnt in het ijskoude water van de duistere rivier. De gil van zijn dochter bezorgt hem een schok. Hij remt krachtig zonder eerst in zijn spiegel te kijken. Er is geen kip op de weg te zien met dit koude winterweer. Half op de rijweg, half op het rijwielpad komt de wagen tot stilstand. Zij is er eerder uit dan hij en staart met wijd-open schrikogen naar het water. Waar is de drenkeling gebleven?
Haar vader wijst naar een donkerder plek in het water. In de schemering zien ze hem boven komen en wild met zijn armen zwaaien. Het is duidelijk dat de jongen niet kan zwemmen. Hij verdwijnt weer onder water.
Uit zijn ooghoeken heeft de vader gezien dat zijn dochter haar jas uit wil trekken. De jongen is te ver van de kant om op eigen kracht terug te komen. En de vader van het meisje springt.
Karei wilde vanavond niet naar de kerk. Kort en krachtig heeft hij geprobeerd zijn oerconservatieve ouders aan het verstand te peuteren dat hun Kareltje niet meer aan hun hand wenst te gaan. Hij heeft voor zichzelf besloten de hoeveelheid kerkgangen drastisch te verminderen. Dat moet ook wel want het sarcasme van zijn nieuwe vriend Huib is onverdraaglijk. Eigenlijk is hij tegen Huib niet opgewassen. Man, wat is die vent welbespraakt. Het gekke is dat hij alles zo weet voor te stellen dat Karei hem altijd bij moet vallen.
"Jij moet een beetje losser worden van je ouders, Karei. Niet zij, maar jij moet gaan zeggen hoe het moet. Je moet mondiger zijn."
Mondig. Prachtwoord. Hij had het de volgende dag meteen thuis laten vallen. "Mondig? Natuurlijk", zei pa, "maar laat het niet in strijd zijn met het gebod dat je je ouders moet eren. Je bent pas echt mondig als je daarin het evenwicht hebt gevonden."
"Jaja, en wat houdt dat precies in voor de praktijk? ", had hij ongeduldig gevraagd, want hij houdt van duidelijkheid.
"Gewoon. Je houden aan de huisregels. Dat allereerst."
Verder waren ze niet gekomen, 't Was op ruzie uitgelopen. De kleine Anne was huilend bij moe op schoot gekropen. Dat had hem wel even een kneep vanbinnen gegeven. Eigenlijk was t-ie een miserabel ventje om altijd de sfeer te verknallen.
Hij had aan Huib moeten denken. Meteen vermande hij zich. Je poot stijf houden, nu of nooit. Zijn ouders zouden wel een keer capituleren. En anders... Bij Huib was plaats genoeg. Die bewoonde een driekamerflat. Hij weigerde vanavond naar de kerk te gaan. Een extra dienst omdat ze vacant waren. Nota bene de consulent. Die...! Nou, daar ging hij zeker niet naar toe. Hij had ze eens even glashelder uitgelegd hoe hij over die man dacht. "Hou op", zei moeder streng. "Je spreekt over een kind van de Heere." Hij had honend gelachen. Het kon hem ineens niks meer schelen en hij had er nog een paar snijdende opmerkingen over 's mans uiterlijk aan toegevoegd. Toen leek het of moeder in tranen uit zou barsten. Ze had zacht gezegd: "jongen toch, wat bezondig jij je. En weet dit: Hij ziet geen zonde door de vingers." Hij was de deur uitgevlogen. Zijn
besluit stond vast. Dit hield hij niet vol, hij ging met Huib overleggen of hij een kamer kon krijgen. Met een noodvaart was hij weggescheurd.
Hoe het kwam, wist hij zich later niet te herinneren. De ogenblikken in het ijskoude water zou hij echter nooit vergeten. Hij voelde de kramp in zijn benen omhoog kruipen. Geen slag kon hij meer zwemmen. Langzaam voelde hij de dood op zich afglijden. God ziet geen zonde door de vingers. Moeders gewonde blikken. Zijn leven viel als een boek voor hem open. Huib! De invloed van Huib doorzag hij in die enkele minuten. Zijn eigen zwakheid. Zijn falen, zijn dwarsliggen, zijn zonden tegenover God.
Hij kermde het uit van ontzetting. Nee, hij kon onmogelijk voor de Heere verschijnen. Hij was er helemaal niet klaar voor. Zijn lichaam zakte onder water en zijn mond, geopend in een schreeuw, liep vol.
Zwart en akelig trok de dood hem uit dit leven. Moeder, lieve moeder, ze heeft gelijk gehad, wat was hij een dwarsligger!
Wild maaide hij met zijn armen tot hij weer boven kwam, snakkend naar zuurstof.
"God, spaar mijn leven. Heere, help me toch!"
Karei ligt op een bank in de kosterswoning. De dokter staat over hem heen gebogen. Karei herkent hem dadelijk. "Zo, de drenkeling wordt wakker, je hebt geen mankementen, jongeman. Als de dominee uit bad komt, moet jij er maar gauw in. je hebt gelukkig een gezonde body die tegen een stootje kan."
Karei zwijgt verlegen en slaat zijn ogen neer. Moet hij na de dominee in bad? Wat is er gebeurd? Hij ging sterven. Hij had de dood recht in de ogen gezien en de woorden van moeder kfonken zo vreemd helder in zijn paniekerige hoofd. Waarschuwende woorden. Hij had lelijke dingen gezegd van de dominee. Dat hij saai was en zo. En moeder... Wat had ze bezeerde ogen gehad. Kom bij haar niet aan de kinderen van God. Ze had hem gewaarschuwd en een kwartier later had hij gedacht dat het moment was aangebroken waarvoor ze hem had gewaarschuwd. "ja jongen", zegt de koster als de arts de keuken uit is, "jij bent door de dominee uit het water gehaald. Als hij opschiet, redt hij het nog net om op tijd op de kansel te staan."
"Kan ik niet beter naar huis? ", waagt Karei beklemd.
Beslist schudden de koster en zijn vrouw het hoofd.
"We hebben je hele familie al naar de kerk zien lopen. Er is niets met je aan de hand, laat hen nog maar even met rust. Neem maar gauw een warm bad en dan trek je wat kleren van Sjoerd aan. Hij heeft dezelfde maat als jij." Ook dat nog. Kleren van Sjoerd. Een jongen waar hij altijd op heeft neergezien.
Karei legt zich er bij neer.
Als de schoongewassen dominee hem even later de hand drukt, branden de tranen van schaamte achter zijn ogen. "Ik ga nu preken, jongen", zegt de dominee, "en jij luistert mee door de kerktelefoon. En dan kom ik na de dienst bij je terug. En dan ga jij mij vertellen hoe het was in dat koude water en dan luister ik naar jou. Afgesproken? "
Karei weet niets anders te doen dan woordeloos te knikken. Hoe zal hij ooit aan een mens kunnen verwoorden wat er die ogenblikken dichtbij de dood door hem heen is gegaan?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1999
Daniel | 36 Pagina's