Meelopen kan niet meer
Vraaggesprek met W. Büdgen
Een jongere die op de universiteit komt, zal merken dat Cod in veel gevallen totaal afwezig is op de universiteit Datzelfde komen jongeren tegen die vanuit het VBO op de werkplek komen. Ook daar doen de mensen alsof Cod er niet is. Ze lopen dan tegen zoveel problemen aan dat ze met de bagage die ze hebben meegekregen, eigenlijk niet goed uit de voeten kunnen.
Aan het woord is de heer W. Büdgen, voorzitter van de Centrale directie van het Wartburgcollege te Rotterdam. Tijdens zijn jarenlange loopbaan in het onderwijs en het geven van vijftien jaar catechisatie zag hij nogal wat jongeren die moeite hadden om hun eigen identiteit op te bouwen. Ze lieten zich vaak negatief uit richting het gereformeerde gedachtegoed. Ze waren nauwelijks in staat het bijbelse denken te integreren in hun dagelijkse leven. En dat terwijl het gereformeerd belijden juist zoveel te bieden heeft! 'Ik dicht het gereformeerd belijden zoveel vitaliteit toe dat ook onze jongeren daardoor aangesproken moeten kunnen worden, mits dat op de juiste wijze gebeurt.'
Dan zullen we eerst moeten weten in welke wereld onze jongeren terecht komen. Dat is voor veel leidinggevenden en ouders moeilijk...
Eén van de meest centrale kenmerken van onze tijd is het gebrek aan wezenlijke zingeving. Dat heeft alles te maken met het feit dat voor veel mensen Cod totaal afwezig is. Zingeving wordt heel veel gezocht in wat ik op dit moment ervaar. Ik noem dat 'momentistisch'ü! Ik zou daar graag een paar uitroeptekens achter willen zetten. En ik zie dat momentistische gedrag ook onder onze jongeren. Ze zetten zich heel sterk in voor het 'hier en nu' en voor de dingen die je overkomen. Dan kom je bij dingen als de kick van het moment. Je lekker voelen in je vel. Het leven bij invallen. Het korte-termijn-denken. Jongeren hebben er behoorlijk veel moeite mee om de zingeving in hun leven een plaats te geven vanuit de oorsprong en bestemming van het leven. Daar zie je onze jongelui mee worstelen. Wie ben ik nu eigenlijk echt? Waar leef ik voor? Die vragen zijn ze zich lang niet altijd bewust. Ze leven onderhuids echter wel en kunnen soms ineens met volle kracht naar boven komen.
Een ander probleem in onze cultuur is dat jongeren lichamelijk veel eerder
volwassen zijn dan geestelijk. Dat maakt het allemaal nog wat moeilijker.
Inderdaad. Dat is een typisch westers verschijnsel. Door de complexiteit van de maatschappij is de geestelijke ontwikkeling ernstig vertraagd ten opzichte van de lichamelijke ontwikkeling. Mensen worden geestelijk later volwassen dan vroeger. Wat is nu het probleem? Om op een volwassen wijze met je lichaam en met seksualiteit om te kunnen gaan, heb je eigenlijk ook een volwassen geest nodig. Als daar een periode van vaak tien jaar tussen zit, dan voel je wel
aan dat dit geweldige spanningen kan geven.
Daarbij speelt ook lichamelijke zelfaanvaarding een rol. je vindt jezelf te dun of te dik, je vindt je haar niet leuk of je hebt teveel pukkeltjes... Kortom, heel veel jongeren zijn in deze onzekere fase van hun leven geneigd om een ander in lichamelijk opzicht positiever te waarderen dan zichzelf. Dan bestaat de kans dat jongeren heel sterk inzetten op die lichamelijkheid. Daar richt hun bestaanswereld zich op en dan blijft de geestelijke ontwikkeling achter. Dan zijn de dingen niet meer in evenwicht. Daar worstelen veel jongeren mee. Het bemoeilijkt het volwassen worden. Als je rond je twaalfde of dertiende lichamelijk volwassen bent met de verlangens en mogelijkheden die daarbij horen en je kunt daar op z'n vroegst pas invulling aan geven op je twintigste jaar, dan vraagt dat om een beheersing die er niet om liegt.
Er wordt dus nogal wat gevraagd van jongeren. Is het eigenlijk geen onmogelijke opgave om hen zoveel mee te geven dat ze inderdaad hun eigenheid kunnen bewaren en toch solidair kunnen zijn?
Het praktisch ingestelde kind zul je op een andere manier benaderen dan het intellectuele kind. Ik zou met VMBO-leerlingen praktijkgericht bezig gaan. Stages en de voorbereiding daarop spelen daarbij een grote rol. De ervaringen die ze opdoen tijdens die stages moeten uitgebreid worden geëvalueerd. Bij kinderen met intellectuele honger zou ik veel meer met theoretische schema's werken en van daaruit lijnen naar de praktijk trekken. Maar ook die leerlingen kunnen in de toerusting concrete ervaringsmomenten niet missen. En ja, dan kom je eigenlijk op het punt van een onmogelijke opgave. Gedacht vanuit de verantwoordelijkheid die we als opvoeders hebben, staan we met elkaar voor een ontzaglijk zware taak. Nu is elke toerusting per definitie gedoemd te mislukken als de spits niet gericht wordt op het hart en het werk van de Heilige Geest. Daarmee zit je direct midden in een spanning. Want als het gaat om die spits, is de opgave inderdaad een onmogelijke. Maar aan de andere kant moet de levensnoodzaak voor een goede toerusting ons ook in de afhankelijkheid brengen. In die afhankelijkheid wil de Heere Zijn belofte verbinden aan getrouwheid, aan het dragen van verantwoordelijkheid. Enkel en alleen omdat God het beliefd heeft om door middel van de middelen te voorzien in de voortgang van Zijn Koninkrijk.
Het gaat dus om de twee polen verantwoordelijkheid en afhankelijkheid. Die twee dingen zou je jezelf en iedereen die met jongeren te maken heeft, elke keer weer willen inscherpen. En dan verwachten wij van de Heere niet te gauw teveel, eerder veel te weinig.
Hoe kunnen we in het jeugdwerk jongeren concreet vormen en toerusten voor hun functioneren in de maatschappij?
Het is heel belangrijk voor onze jongeren dat ze zien en ervaren dat de Schrift ook leiding wil geven aan het leven. De Bijbel moet functioneren in de praktijk van alledag. Jongeren moeten dat kunnen zien in het leven van ouders, in het leven van jeugdwerkleiders.
Het tweede dat ik wil noemen is om heel concreet op de vereniging bezig zijn met het onderzoek van Gods Woord. Het kan daarbij natuurlijk niet het doel zijn om van alle jongeren kleine exegeetjes, of kleine theologen te maken. Maar het is wel wezenlijk dat je niet alleen bijbelse inleidingen laat hóuden, maar dat je jongeren ook heel concreet leert om stap voor stap een bijbelse inleiding te maken. Dan reik je jongeren instrumenten aan. Welke uitleggers gebruik je? En hoe werken die uitleggers? Wat is de bedoeling van dit Bijbelboek in het kader van de hele Schrift? Waar gaat het om in de context? Zo moeten ze naar een tekst toewerken. Dat kun je een paar avonden herhalen en vervolgens vraag je aan een jongere: wil jij het nu eens een keer thuis doen en de volgende keer een avond verzorgen? Dan reik je ze instrumenten aan om naar de Schrift te kijken en om er ook iets mee te doen. Tegelijkertijd kun je aanwijzen hoe je niet moet omgaan met de Schrift. Ons hart is geneigd om de Bijbel voor ons karretje te spannen in plaats van ervoor te buigen.
Het valt me op dat jongeren nogal eens vragen naar apologetische vorming. Hoe kom ik voor mijn christen zijn uit? Hoe leg ik buitenkerkelijken uit waar ik voor sta? Hoe kun je nu werkelijk ongelovigen confronteren met de bijbelse boodschap en die verdedigen?
Ten eerste kan een apologetische
opstelling te midden van andersdenkenden alleen goed functioneren als je er zelf ook echt achter staat, je moet bij die waarheid ook persoonlijk betrokken zijn. Dat is een heel belangrijk uitgangspunt, want anders is elke vorm van apologetisch staan tot mislukken gedoemd. Ten tweede moet je heel bewust momenten inbouwen in het verenigingsleven waarop je ingaat op concrete situaties van jongeren zelf. Als het bijvoorbeeld gaat over het bestaan van God, moet je niet alleen stilstaan bij de kennis vanuit 'de natuur en de Schriftuur'. Je moet ook vragen stellen als: jongens, wie van jullie heeft over dit thema wel eens een gesprek gehad met een ander? Op welke moeilijkheden stuitte je toen? Waar liep het gesprek op vast? Daar komt er echt wat uit. Er zijn er altijd op de vereniging die dit soort gesprekken aangegaan zijn. Ze zijn vastgelopen en wisten eigenlijk niet meer hoe ze verder moesten. Daar zou je de draad op moeten pakken en met elkaar als groep nadenken over het vervolg.
Je moet de moderne mens ook meer op zijn eigen terrein verslaan. Als ik een wetenschappelijke beschrijving lees van een menselijke cel, kom ik op het terrein waar de moderne mens ook verbaasd zal zijn. Zou een menselijke cel met al z'n functies nu echt door toevalligheden, door evolutie ontstaan zijn? Daar moet je je kracht in zoeken. Zoek thema's waarbij je de moderne mens aan het denken probeert te zetten.
Je hebt ook klassieke apologetische thema's die van alle tijden zijn, zoals de oorsprong van het kwaad en de zin van het lijden. Dan mag je best erkennen dat er bepaalde diepten zijn waar jij geen antwoord op hebt, maar er is ook een duidelijke lijn dat God er juist alles aan heeft gedaan om het kwaad dat door de boze en de mens zelf in deze wereld gebracht werd, te overwinnen en uiteindelijk ook zal overwinnen. Trouwens, ook in allerlei moderne geestesstromen vind je tegenwoordig steeds meer terug dat lijden toch een bepaalde zin heeft. Zo buiten de werkelijkheid was het christendom op dat punt kennelijk toch niet...
Het reformatorisch onderwijs biedt jongeren op een professionele manier informatie aan. Ontstaat daarmee niet een te groot verschil tussen de scholen en het jeugdwerk? Binnen het jeugdwerk hebben we die mogelijkheden vaak niet.
Dat is echt een aandachtspunt! Dat verschil is onmiskenbaar. Ik wil er wel deze opmerking bij maken: bij alle veranderingen in het onderwijs zijn er gelukkig ook enkele heel belangrijke constanten. (1) De docent moet hart hebben voor jongeren, inlevingsvermogen, (2) hij moet gaan voor identiteit en voor z'n vak en (3) hij moet blijven nadenken over hoe kennisverwerking het beste kan plaatsvinden. Die drie constanten zie ik ook terug in het jeugdwerk. Daarom moeten we de dingen niet teveel tegenover elkaar uitspelen. Want als het onderwijs in zijn vernieuwingsdrift deze constanten uit het oog zou verliezen, dan zou er iets heel wezenlijks verdwijnen.
Op school zal er altijd een wezenlijke, geconcentreerde plek moeten zijn voor mondelinge overdracht, naast allerlei werkvormen die een hoge mate van betrokkenheid van leerlingen vragen. De meer visuele hulpmiddelen hebben vaak tot doel de betrokkenheid van jongeren te verhogen. Het moet dus geen doel op zich worden, maar ondersteunend zijn. Tegelijkertijd is er in het verenigingswerk en catechese steeds meer oog gekomen voor de dialoog. We gaan veel meer in gesprek met jongeren, terwijl we toch de wezenlijke dingen overdragen. Je moet natuurlijk niet in eenzijdigheden vervallen: vrijblijvend gepraat leidt tot niets. Degene die leiding geeft, draagt de volle verantwoordelijkheid voor de inhoud en de spits van de verenigingsavond en de catechisatieles. Dat doel moet hij heel zorgvuldig bewaken. Maar in de manier waarop, zit beweging. Van de monoloog naar meer dialoog. In dat spanningsveld beweegt zich het jeugdwerk en de catechese, ledereen zal daar op zijn eigen manier mee omgaan en met zijn eigen gaven in dienen. Maar ik ben ervan overtuigd dat deze ontwikkeling ook kan bijdragen tot een verhoogde betrokkenheid van jongeren bij de wezenlijke dingen.
Maar in het jeugdwerk probeer je ook nadrukkelijk aan te sluiten bij de prediking. Dat is en blijft toch monoloog?
Dat weet ik niet. Een heel centraal gegeven is dat de prediking middel is tot levendmaking, tot vernieuwing, tot onderwijs, tot bestraffing en tot vermaning. Daarin spreekt de predikant als een Godsgezant tot de gemeente. Dat is inderdaad een monoloog. Maar elke prediker zal ook worstelen met de gevoelens en ervaringen van mensen onder die preek en daar vertolking aan geven. Mensen herkennen zich daar ook in. Als zodanig brengt hij in zijn preek toch in de middellijke weg verbinding tot stand. Wij moeten oppassen dat wij een preek - en een goed hoorcollege ook - zomaar bestempelen als eenrichtingsverkeer.
De prediking is voor mij onopgeefbaar, waarbij de predikers heel sterk de genoemde worsteling kennen. Door het jeugdwerk kunnen wel kaders aangereikt worden waardoor de prediking beter begrepen wordt. Tegelijkertijd moet ook de relatie met school vastgehouden worden door in het jeugdwerk meer ruimte te creëren voor vormen, waarbij jongeren voelen dat ze meedoen, dat ze erbij betrokken zijn en inbreng
hebben. Het onderwijs moet zich daarbij niet te ver verwijderen van de mondelinge overdracht. Want dan is de brugfunctie van het jeugdwerk haast niet meer te redden.
Hoe leren wij in een beeldcultuur onze jongeren nog te blijven luisteren?
Ik ben bang dat we te weinig terugvragen van wat ze gehoord hebben. Ik maak me daar ook best wel eens zorgen over. Investeren wij met elkaar - als ouders, onderwijs en jeugdwerk - wel voldoende in jongeren? Ook als ouders moeten we kijken naar onze tijdsindeling. Hoeveel van onze tijd zijn we nu echt bezig met bewuste of onbewuste toerusting? In de gezinnen gaat de Bijbel gewoontegetrouw open aan tafel en we lezen eruit. Maar wordt er ook opgepakt wat er gelezen wordt? Weten we nog wat luisteren is? Of zijn we met elkaar even stil totdat het klaar is? We moeten daar inspanningen voor leveren. Laat ze allemaal zelf een Bijbeltje voor zich hebben en meelezen. Daarnaast moeten we proberen terug te vragen. Oefening en training moet al in het gezin beginnen.
Daarbij hoort heel nadrukkelijk stilte. Stil zijn voor God. Want bij alle herrie, lawaai en dynamiek blijft door alle eeuwen heen waar: Gods stem wordt alleen gehoord in de stilte. Echt! We moeten onze kinderen heel nadrukkelijk leren wennen aan stiltemomenten. Want anders is het onmogelijk dat die bijbelse boodschap tot ze doordringt.
Daarnaast hebben we met z'n allen ook de taak om na te denken over de kwaliteit van datgene wat we over willen dragen. Heeft het wel voldoende handvatten om te blijven luisteren? Heeft het wel voldoende kapstokken om het op te hangen in het geheugen van de jongelui?
Geeft niet juist de vreze des Heeren eigenheid en solidariteit (meedoen en jezelf blijven) aan het leven van een jongere? Moeten we daar niet veel meer op hameren?
Daar ben ik van overtuigd, met minder kan het niet. Boven alles uit stijgt de absolute noodzakelijkheid en afhankelijkheid van het werk van de Heilige Geest. Dat verdiept werkelijk. Dan alleen is er wezenlijke eigenheid en ook wezenlijke solidariteit.
Het voortdurende appèl op jongeren van bekering, vernieuwing door de Heilige Geest en de noodzaak van het geborgen zijn in de Heere jezus Christus is eigenlijk het merg. Alles wat daaromheen zit, wordt daardoor gedragen en krijgt daardoor zijn spits. Het is van wezenlijk belang om de kernthema's van de geloofsleer ook steeds weer te verbinden aan de persoon en het werk van de Heere jezus Christus. Alleen door Hem valt er licht op de andere dingen en is tegelijkertijd de lijn door te trekken naar de confrontatie in het dagelijks leven.
je moet als het ware met twee oren functioneren. Aan de ene kant luisteren naar wat de Heere in Zijn Woord aan geheimenissen openbaart en aan de andere kant luisteren naar de jongere. Hoe zit hij in elkaar, waar zit hij met zijn vragen? In de overdracht moeten die twee dingen bij elkaar gebracht worden. Dat is een geweldige spanning.
Waarbij de persoonlijke verhouding met de Heere de enige oplossing is.
Inderdaad. Er is een tijd geweest dat je meeloper kon zijn in de christelijke gemeente en in een samenleving die voor een heel groot deel gestempeld werd door christelijke normen en waarden. Dat wordt steeds moeilijker. Het probleem verscherpt zich. De vrijblijvendheid gaat eraf. Je merkt dat ouders daar ook geweldig mee worstelen. Ouders hebben best de intentie om verantwoordelijkheid te dragen. Velen nemen die verantwoordelijkheid ook heel nadrukkelijk mee in hun gebedsleven. Die bewustwording vind ik heel sterk groeien.
Dat zie ik overigens ook onder jongeren. Ze kunnen soms op verrassende wijze met heel wezenlijke vragen bezig zijn. Ze beseffen dat het niet gaat om het halve, maar om het hele hart. Daar weet ik heel mooie voorbeelden van.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1999
Daniel | 32 Pagina's