Niet meer dan een poging
s dat nou kunst?
"Je moet eens even meelopen naar de kamer, daar hangt een schilderij van mijn vader, dat vind je vast leuk om te zien." Belangstellend loop ik achter de gastvrouw aan naar de kamer. Ja hoor, pontificaal midden boven het bankstel hangt in een stemmige, donkere lijst een zeegezicht van matige kwaliteit. Goed bedoeld amateurisme, noeste huisvlijt, niets op tegen, maar er wordt van mij commentaar verwacht. Ik bekijk het werk eens van dichtbij en dan: "Wat vind je ervan? " Snel doe ik een aandachtige stap terug: "Olieverf zeker? " "Ja, als vader daarmee bezig is dan ruikt de keuken er helemaal naar." "Hij mag van moeder niet in de kamer werken vanwege de lucht, snap je? " En dan, zonder overgang: "Is dit nou kunst? " Oei, daar sta je dan. Hoe zeg je dat voorzichtig tegen een trotse dochter en hoe leg ik dat in een artikel uit? Nee, het zeegezicht van de enthousiaste vader was geen kunst.
s dat nou kunst?
Ja maar, denkt een aandachtige lezer, er hangt zoveel in musea dat ik ook wel zou kunnen maken en dat ze toch kunst noemen. Dal je bijvoorbeeld een abstract schilderij ot een Karei Appel zou kunnen namaken is een misvatting. Dat er veel (moderne) handel (ik zou het geen kunst durven noemen) in de musea te vinden is dat beter door de plaatselijke reinigingsdienst zou kunnen worden opgehaald is duidelijk. Enige jaren geleden mochten wij bij het 8KRdepot (een soort magazijn waar door het rijk betaalde kunstenaars hun werkstukken konden brengen) in Rijswijk tien kunstwerken uitzoeken om de wanden van de school te verfraaien. Buiten, voor en naast het gebouw stond een groot aantal, zwaar verroeste, 'beelden'. "Elke maand komt de oud-ijzerboer langs om te vragen of hij die handel mee mag nemen, zei de beheerder van het depot."
Rommel?
Wat is dan wel kunst? Boven alles staat dat ware Kunst moet zijn tot eer van God. Omdat niemand uit en van zichzelf deze pretentie mag en kan hebben, wil ik proberen aan te geven waaraan een kunstwerk moet voldoen. Dit in het besef dal er veel definities van kunst zijn, die naar mijn gevoel geen van alle de lading dekken. Toch wil ik een bescheiden poging doen, om aan de hand van enkele voorbeelden, een kader te trekken.
Een van de meest platte definities die ik ben tegengekomen luidt: kunst is dat wat men kunst noemt. Te simpel, zeg je? Vind ik ook. Maar veel moeilijker is aan le geven wat dan wel de criteria zijn met behulp waarvan we kunst van vakkundig handwerk kunnen onderscheiden. Is dat de creativiteit die uit het werk spreekt en het boven de huisvlijt verheft? Is het de oorspronkelijkheid, de authenticiteit? Picasso's "Stierenkop" (afb.1) voldoet aan deze criteria, maar om zijn bronzen fietsstuur en racezadel nou kunst te noemen?
Meetsnoer
Bijbelgetrouwe kunstenaars hebben in Gods Woord gezocht naar een maatstaf waaraan je (christelijke) Kunst kon afmeten. Dikwijls lees je in dit verband Filippenzen 4:8: oorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve.
In dit vers spoort Paulus de inwoners van Filippi (en daarmee ook ons) aan om een goede naam te krijgen en te houden (Matthew Henry), maar de tekst is mijns inziens daarom niet meteen een canon geworden om Kunst aan af te meten. Een voorbeeld: impressionistische schilderijen (zoals bijvoorbeeld afb. 2) kunnen in deze tijd de goedkeuring van de meeslen van ons wel wegdragen. Vrijwel niemand zal ze als "troep" kwalificeren. Ze ogen vriendelijk met hun dikwijls vrolijke kleuren en heldere toonzetting. Een van de voornaamste onderwerpen van die Stroming: 'het landschap' zal ook niemand tegen de haren instrijken.
Toch werden impressionistische werken in die tijd zo lelijk gevonden dat ze niet in de officiële salon, maar in een tent moesten worden geëxposeerd. Een criticus gaf er de (scheld) naam "impressionisten" aan. Als wij in die tijd geleefd hadden, dan hadden we ze als 'onaanvaardbaar' van de hand gewezen... Wij zijn immers ook altijd beducht voor alles wat "modern" oogt.
Het bekende werk "De schreeuw" van de Noorse kunstenaar Edvard Munch (afb. 3) kan niet liefelijk genoemd worden en toont niet het reine, maar de eenzaamheid, de angst van een mens op indringende wijze. Munch tekent de mens in zijn verlatenheid. Ik vind het kunst omdat het een beeldende boodschap meegeeft die de beschouwer bijblijft. Duidelijk is dat Paulus wel grenzen aangeeft, maar dat de tekst niet over beeldende zaken spreekt.
Wat heeft het je te zeggen?
Ergens zag ik aan de wand een bordje: "De natuur gaat boven alle kunst." Daar wil ik volmondig mee instemmen. Dat wat "de Grote Schepper aller dingen" ons, ook na de zondeval, gelaten heeft is adembenemend mooi. Toch heeft Hij aan sommigen talenten gegeven om kunstwerken te maken. Kunst moet in de eerste plaats Gods eer bedoelen. Je ziet en voelt dat (tenminste een poging daartoe) als je zo'n eenvoudige, sobere Romaanse kerk betreedt.
Kunst mag in de tweede plaats de naaste bekoren, ontroeren, waarschuwen enzovoort. Oudere kunst geeft dikwijls een handvat om de geschiedenis beter te begrijpen: welke kleding droeg men in 1634 en hoe zagen de huizen er in 1489 uit? Schilderijen uit die tijd geven het antwoord.
antwoord. Moderne kunst is ook een spiegel van de tijd waarin het gemaakt werd. Het toont ons dikwijls de leegte, ongebondenheid en losgeslagen ideeën van de moderne kunstenaar.
Een goed voorbeeld van hoe een beeldhouwwerk je kan raken vind ik "De burgers van Calais" dat Rodin tussen 1884 en 1886 maakte (afb. 4). De mensfiguren die Rodin hier modelleerde zijn meer dan levensgroot. Het toont de notabelen van Calais die hun stad overgeven aan de vijand. Kleding, een touw om de nek en een wanhopige houding tonen de verslagenheid van de burgers. Een beeld dat je wat te zeggen heeft.
Soms draagt een schilderij het predikaat "kunstwerk" mede op grond van zijn historische betekenis. Neem nou Mondriaans "Compositie" (afb. 5). Echt zo'n schilderij met een hoog "dat-kan-ik-ook-wel-gehalte". Dit soort kunstwerken kun je, als buitenstaander, niet met de tekst uit Filippenzen 4 in de hand afwijzen. Dat vereist namelijk kennis van de achtergronden van dit schilderij en de levensvisie van Mondriaan, die de betekenis van het gebruik van de primaire kleuren en de horizontale en verticale lijnen verduidelijken.
Toch is het wel zo dat Mondriaan en zijn tijd-en stijlgenoten er zeker aan hebben bijgedragen dat in onze tijd het gebruik van primaire kleuren (rood, geel en blauw) bij kleding, in interieurs en dergelijke volledig is geaccepteerd.
Meer dan vakmanschap
Kunst is alles wat in beeldende zin uitstijgt boven het vakmanschap. Niemand zal aan het vakmanschap van Henk Helmantel (bekend van onder andere zijn prachtige stillevens) twijfelen. Zijn kennis omtrent het gebruik van paneel, gronderingen en olieverf is op niveau, dat zie i e!
Toch is het niet die kundigheid die
zijn werken tot kunst verheft. Het is het gevoel van toegewijde aandacht en bewondering voor de kleinste dingen die hij op de kijker weet over te dragen, en waardoor de beschouwer als het ware door zijn verwonderde bril naar de dingen gaat kijken.
Naast verwondering kan een kunstenaar ook woede, deernis of verdriet over brengen. Degas toont op zijn schilderij "Een glas absint" (afb. 6) twee duidelijk aangeschoten mensen waarvan er een nog een vol glas absint (een slecht soort alcohol) voor zich heeft staan. Natuurlijk zijn compositie en kleurgebruik (het vakmanschap) in orde, maar het gaat - ook hier - om de zeggingskracht van het doek.
Kunst is dus dat wat, nadrukkelijk binnen de grenzen die Gods Woord, de mens op enigerlei wijze raakt.
Grens
Dat die begrenzing zoveel nadruk verdient wil ik duidelijk maken aan de hand van een ander voorbeeld. Edward Kienholz maakte in een museumzaal de volgende installatie: op een kaal stapelbed liggen twee uitgemergelde mensfiguren, vastgeketend aan het bed op dunne matrasjes, zónder dekens. Op de plaats waar hun gezicht hoort te zitten bevindt zich een vissenkom, met goudvis. Deze vis symboliseert hun dwalende geest. Een praatwolk duidt aan dat de onderste figuur iets tegen de bovenste zegt. De zaal heeft een typische ziekenhuisgeur. Een zeer schokkend werkstuk dat de titel "Staatsziekenhuis" draagt en verwijst naar de erbarmelijke omstandigheden in de Oosteuropese Staatsziekenhuizen (1966). Een beeld dat zich op je netvlies brandt. Het raakt je zeer. Tenslotte moet je het toch afwijzen. De figuren liggen daar in een niets verhullende naaktheid.
Waarom kunst?
Ergens in een door bergen omgeven stadstaatje heerste een vreemde koning...
Het was echt geen onaardig stadje hoor, maar er ontbrak iets aan, dat was wel duidelijk. Maar wat? De straten waren keurig onderhouden en zelfs netjes geveegd, de huizen maakten een propere indruk en zaten uitstekend in de verf. Een plezierige hoeveelheid groen omzoomde de straten, maar toch... Op de pleinen was nergens een beeld te zien en aan de muren van de keurige huizen hing hier en daar wel een kalender of een foto maar nergens een schilderij, musea waren al helemaal taboe, je begrijpt het wellicht al: de vreemde koning had kunst verboden.
Kijk eens om je heen, denk je eens even in: wat zou alles er toch kaal uit zien zónder kunst of de toepassingen daarvan. Overal zie je het in terug in een grote verscheidenheid. Parfumflesjes, posters, reclame, maar vooral als origineel: aan de muur, op een sokkel. Kunst draagt er aan bij dat het leven kleur en diepgang krijgt. Het is met kunst als met een goed boek: je leest en herleest het en het blijft je boeien!. Het andere (laten we zeggen het zeegezicht uit het begin van dit verhaal) lijkt op het bekende (streek)romannetje: als je het eerste hoofdstuk gelezen hebt, dan weet je al hoe het afloopt!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1999
Daniel | 32 Pagina's