JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

'De zuil mag steigerhout zijn'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

'De zuil mag steigerhout zijn'

A.A. van der öchane over de reformatorische zuil

14 minuten leestijd

'Het hoge woord moet er maar gelijk uit. De betrokkenheid op deze wereld is een thema waar onze gezindte moeilijk mee uit de voeten lijkt te kunnen. Is dit aardse leven alleen maar een doorgangshuis, alleen een voorbereiding op wat hierna komt? Je kunt de vraag ook anders stellen: s het wereldlijke leven van een lagere orde, óf mag er ook een waardering zijn van het aardse leven als zodanig? Hoe moeten we aarde en hemel, zondag en maandag, stof en geest op elkaar betrekken? Mij houdt de vraag naar de roeping van de christen in de samenleving intens bezig. Voor de zondeval heeft de mens de opdracht gekregen de aarde te bouwen en te bewaren. Na de zondeval is deze opdracht niet veranderd. De mens werd de hof van Eden uitgestuurd om de aardbodem te bouwen, zo lezen we in Genesis 3 : 23'.

Aan het woord is de historicus, de heer A.A. van der Schans uit Bodegraven. In het dagelijks leven is hij leraar geschiedenis op de PABO 'De Driestar'. Met hem zijn we in gesprek over de reformatorische zuil.

Het thema van de maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft hem gegrepen. In zijn vrije tijd probeert hij hieraan invulling te geven door zijn raadslidmaatschap voor de SGP in Bodegraven, door het schrijven van artikelen in (historische) tijdschriften en door vrijwilligerswerk te verrichten in wooncentrum 'De Akker' (gehandicaptenzorg) in Bodegraven. Als historicus bezint hij zich intensief op het verschijnsel verzuiling. In de bundel 'Confrontatie in perspectief' die verscheen ter gelegenheid van het jubileum van de heer Mauritz heeft hij een bijdrage geschreven over de verzuiling.

Vanuit het verleden heeft hij veel waardering voor de reformatorische zuil, maar ontwikkelingen in en rondom de zuil vervullen hem met zorg. Veel jongeren groeien op binnen de veilige muren van het bastion gereformeerde gezindte. Tegelijkertijd hebben veel jongeren moeite om midden in deze maatschappij te functioneren. Angst voor de maatschappij en onzekerheid over het functioneren als christenjongere komen vaak voor. Terugtrekken in eigen kring kan, omdat de laatste decennia steeds meer eigen maatschappelijke organisaties ontstaan zijn, maar daardoor verliest de reformatorische zuil contact met de maatschappij.

Hoe waardeert u het verschijnsel zuilvorming?

Men begint vaak met de vraag of je voor of tegen eigen organisaties bent. Maar er ligt een veel belangrijkere vraag voor! Namelijk: hoe zijn ze er gekomen? In de negentiende eeuw overheersten het liberalisme en modernisme ontzettend. De verlichtingsgeest was overal doorgedrongen, met name in het onderwijs. Het onderwijs werd gezien als hefboom tot maatschappelijke verbetering. Er was toen een bevolkingsgroep die heel goed aanvoelde dat er een aanslag op de ziel van het kind werd gedaan. Er kwam een reactie in de vorm van een handtekeningenactie (petitionnement aan de koning) om de onderwijswet niet te laten doorgaan. Deze georganiseerde protestbeweging viel hierna niet uit elkaar, maar leidde onder andere tot de oprichting van de (let op de naam) Anti-Revolutionaire Partij, onder leiding van A. Kuyper. In de Schoolstrijd ligt zo gezien de kiem van de christelijke organisatie. We mogen daarom nooit laatdunkend over deze verzuiling doen.

Aangrijpend is dat deze reactie op de moderne tijdgeest niet vanuit de kerk zelf kwam, maar vanuit de maatschappij en de afscheidingsbeweging. Er is een volksdeel, voor een groot gedeelte buiten de Hervormde kerk om, in beweging gekomen. De kerk zelf was vermolmd, doordrenkt door de verlichtingsgeest en tot op het bot hierdoor aangetast. De kerk zelf werd door de protesten wel wakker geschud. Waar zagen we aan het begin van de negentiende eeuw preken volgens Dordt? In de loop van de negentiende eeuw is er weer leven uit

deze ogenschijnlijk verrotte bodem van de kerk gekomen. Een wonder!

De reformatorische zuil is eigenlijk een vreemde eend in de bijt. Deze ontstond pas nadat andere zuilen min of meer verdwenen waren. Waardoor kwam toen pas de reformatorische zuil tot stand?

Dr. C. S. L. janse schreef in 1985 een proefschrift over de bevindelijk gereformeerden. Hij definieerde wie hiertoe wel en niet behoren. Sinds die tijd spreken velen over de reformatorische zuil. Daarvoor werd het begrip "kring" meer gebruikt. Onze kring, als ik dat zo eens zeggen mag, ging schuil achter de grote protestantschristelijke zuil. Dat deze kring tot een eigen zuil is geworden, heeft twee belangrijke oorzaken. De reformatorische verzuiling, die later herzuiling genoemd gaat worden, begonnen in de jaren zestig en zeventig van deze eeuw, is een reactie op de tijdgeest die gekenmerkt werd door evolutionisme, deconfessionalisering en modernisme. Bovendien was er in de gereformeerde gezindte toen een aantal hoger opgeleiden, waardoor er kader ontstond en het mogelijk werd zich te organiseren.

Ik zat vroeger met drie jongens in de klas die twee keer op een zondag naar de kerk gingen. Op deze algemeenchristelijke school waren evolutionisme, Schriftkritiek, Elvis Presley en de culturele revolutie intens aanwezig. Het gevaar was daardoor groot dat jongeren zo doordrenkt werden in de wereld dat ze kopje onder gingen. Veel scholen en organisaties zijn daarom uit nood geboren. Ouders maakten zich terecht zorgen over het kunnen nakomen van hun doopbelofte. Het getuigt daarom van grenzenloze oppervlakkigheid dit te negeren, als we over verzuiling spreken. We moeten dankbaar zijn. Op elke school ligt in elk lokaal een Bijbel en er zijn kaders waar jongeren gevoed worden vanuit Gods Woord.

Het woord 'zuil' is inmiddels verschillende keren gevallen. Wat verstaan we daar precies onder?

Van een zuil is sprake als leden van een bevolkingsgroep hun activiteiten op sociaal, maatschappelijk en cultureel gebied voor het grootste gedeelte verrichten binnen dezelfde levensbeschouwelijke kring. Het is een wereldje in de wereld, een bastion, een schuilplaats waar je niet alleen slaapt, maar ook woont, werkt en je vrije tijd doorbrengt. Minder dan vijftig procent van de reformatorische jongeren werkt bij een seculiere (niet christelijke) werkgever. Ook zie je een tendens om zich bij het zoeken van een woning te concentreren. Reformatorische mensen trekken weg uit de steden en tegelijk groeien reformatorische bolwerken. 'Daar kun je nog wonen en normaal over straat gaan', is een bekende reactie.

Waarom zoeken wij vaak uit reactie een isolement en de een eigen bastion? Heeft het zoeken van het isolement en de zuilvorming te maken met onzekerheid en gebrek aan eigen identiteit?

Laten we wel beseffen dat er in sommige kringen een drift naar de wereld is, die zo sterk is, dat mensen er zo in opgaan, dat ze er tegelijkertijd in ondergaan. De Gereformeerde Kerken hebben gepoogd door zichzelf aan de wereld aan te passen, deze te beïnvloeden, maar zijn op drift geraakt. Het is goed hen als een baken in zee te zien, maar dat hoeft er niet toe te leiden het isolement te kiezen. Door het falen van anderen, worden wij niet van onze opdracht ontheven. Angst en krampachtigheid spelen ook een rol. Velen denken dat jongeren 'uit de wereld' heel anders zijn en ons niet begrijpen. Maar ook deze jongeren hebben hun vragen: over de zin van het leven, of er een God is, rond milieuproblematiek, criminaliteit, enzovoort. Deze mensen zuchten ook onder de uitputting van de schepping. Mensen uit de wereld zijn hele gewone mensen. Heel veel jongeren weten niet dat we veel gemeenschappelijk hebben. Om hier achter te komen, moet je de wereld in en contact hebben.

Er is ook een vorm van gemakzucht. We reageren niet zelf op ontwikkelingen in de wereld. Dat doen organisaties als de SGP, Vrouwenbond en Jeugdbond. Jongeren moeten zelf reageren! De vraag naar de plaats van de christen in deze maatschappij

wordt te weinig gehoord. Daarbij is wel duidelijkheid noodzakelijk. We kunnen niet tegelijkertijd God en de wereld liefhebben. Deze antithese is er. Maar hij hoeft niet per definitie georganiseerd te worden.

Het christelijk geluid is steeds minder hoorbaar en wij zijn vaak alleen bezig binnen de eigen zuil. Hoe zou je deze ontwikkelingen kunnen doorbreken? Hoe zou het jeugdwerk hieraan kunnen bijdragen?

Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Centraal staat de prediking en wat tot het gemeente-zijn behoort. Daar krijgt men onderwijs en voeding. Daar wordt benadrukt dat verzoening nodig is en dat de Heilige Geest onmisbaar is. Vervolgens worden vanuit Gods Woord in de prediking en het jeugdwerk lijnen getrokken naar de maandag. Het onderscheid tussen bijbelse en maatschappelijke onderwerpen op de vereniging zou theoretisch moeten zijn. Trek altijd lijnen vanuit een bijbels onderwerp naar het staan in deze wereld.

Wij hebben een woord voor de wereld. Laten we dit niet voor onszelf bewaren. Neem heel concreet deel aan zaken in de plaatselijke gemeente. Dan kan bijvoorbeeld door in een zogenaamd eco-team plaats te nemen, door deel te nemen aan een werkgroep vluchtelingenwerk, door persoonlijk brieven te schrijven over verontrustende zaken. Richt je hierin ook op het kleine. Een joods spreekwoord is: als je een mens redt, red je de hele wereld. Wij richten ons vaak op de hele wereld en komen daardoor niet aan die ene toe. Ga ook eens bij de niet-christelijke buurvrouw het spreekwoordelijke pannetje soep brengen.

Het moet onze strijd zijn dat het Woord landt in de praktijk van alle dag. je getuigt ook met je leven. Vertel eens iets op je werk over wat je op zaterdag en zondag gedaan hebt, wat je gehoord hebt.

Wij leven in Gods wereld, ook al ligt deze door onze schuld in het boze. Lees Psalm 8 en 150 maar. Er blijft een spanning. Calvijn zegt bij de overdenking van de toekomende wereld dat we deze wereld moeten verachten. Toch benadrukt hij dat we een roeping in dit leven hebben.

De confrontatie met de maatschappij blijft vaak theoretisch totdat men echt in aanraking met de wereld komt. Zou je eens iemand uit de 'wereld' aan het woord moeten laten komen in het jeugdwerk?

Hoe de wereld denkt, hebben we vaak alleen van horen zeggen. Ik liet ooit wel eens iemand van een verslavingsbureau in Gouda voor de klas komen (lang haar, etc). Nu laten we vaak De Hoop komen. Elke generatie moet de worsteling met de wereld doormaken. Elke generatie moet de confrontatie aangaan. Ik vraag me wel eens af: als er een wind over onze jongeren heengaat, vallen zij dan niet? Ze hebben vaak geen instrumenten om met de echte wereld om te gaan.

Nu wordt vaak de grote vergissing begaan om jongeren kant en klare oplossingen aan te reiken. Er wordt voor ze nagedacht. Er wordt uitgemaakt wat wel en niet goed is.

Natuurlijk, er zijn terreinen in onze cultuur die zo doordrenkt zijn van de zonde, dat je ze moet mijden. Mensen moeten zelf hun standpunten bepalen. Alleen dan kan men het goed verwoorden, omdat het dan de eigen mening is. Zelfstandig nadenken is essentieel. Gewetensvorming door omgaan met de Schrift, het oefenen van hel geweten, dat is een van de taken van de jeV. De mate van confrontatie hangt wel af van de weerbaarheid. Studenten kun je aan andere dingen blootstellen dan kinderen van acht jaar.

Als een levensbeschouwelijke zuil de voltooiing nadert, verandert het karakter. Soms lijkt het dat de eigen mening ondergeschikt is aan de groepsmening. Met name hoger opgeleide jongeren hebben hier moeite mee met als gevolg dreigend verlies van juist deze groep jongeren. Waardoor ontstaat er minder ruimte voor kritische, afwijkende geluiden?

Als het doel 'bescherming bieden' bereikt is, ontstaat een proces van institutionalisering en formalisering: een sterke neiging om steeds preciezer de eigen identiteit te omschrijven. Wie horen er wel en niet bij? Met name geloofsleer en levensstijl worden preciezer omschreven. Sollicitatiegesprekken op reformatorische scholen verlopen nu anders dan vijftien jaar geleden. Soms lijkt het dat er een checklist gehanteerd wordt. De zuil dreigt dan doel in zichzelf te worden met een daar bij horende strategie. Omdat de zuil bescherming biedt, hoeft er nu geen energie meer gestoken te worden in de grote vragen van de samenleving, waarvoor de zuil juist was opgericht. Velen oriënteren zich niet (meer) in de eigen plaats, maar richten zich op bovenlocale contacten. Hier ontmoet men dezelfde soort mensen. Vaak is het dan zo, dat er discussies ontstaan die alleen van intern belang zijn. Het gaat nu over de roklengte, de vraag naar de plaats van de ellendekennis in het komen tot Christus, hel aanbod van genade, wel of geen hoed, wel of geen broek dragen door meisjes, enzovoort. Op zichzelf zijn dit legitieme vragen, maar ze mogen niet ver

hinderen dat de confrontatie met de samenleving niet meer plaats vindt.

Welke punten zijn dan wel essentieel? We moeten ons concentreren op de zes (reformatorische) belijdenisgeschriften. Deze moeten actueel en gezanghebbend blijven. Ze zijn met bloed geschreven. De dogma's hierin zijn ontstaan in een strijdsituatie. Deze zaken zijn werkelijk van belang. Daarom is de ontdogmatisering onder jongeren een ernstige zaak. De vraag of het lijden en sterven van Christus persoonlijk is toegepast, is zeer wezenlijk, maar het op formule brengen van wat nu wel of niet voor onbekeerden betekenis heeft, is een te sterke precisering.

Het blijft natuurlijk moeilijk: de een zal bijvoorbeeld het aanbod van genade als detail bestempelen, terwijl de ander dit zeer wezenlijk vindt...

Dat is wel een punt ja... Soms vraag ik me na het lezen van het boek 'De redelijke godsdienst' van A Brakel wel eens af: is er nog wel iets nieuws te schrijven over bijvoorbeeld wedergeboorte of bekering? Lees, bestudeer deze klassieken, maak ze eventueel toegankelijk als de drempel te hoog is. In elk geval moeten we terugkeren naar de eenvoud van de Schrift en deze niet wegschoffelen onder al ons geredeneer over vragen waar ook de genoemde belijdenisgeschriften antwoord op geven. Het is niet goed als er een eigen theologie ontstaat met eindeloze onderscheidingen. Uiteindelijk worden accenten verschillend gelegd. Kern is dat de mens dood is en levend gemaakt moet worden. Hierover spreken de belijdenisgeschriften heldere taal. We moeten de antwoorden op de vragen van persoonlijke, theologische en maatschappelijke aard zoeken in de belijdenisgeschriften. Zaken die nu wel een nadere uitwerking behoeven zijn naar mijn mening bijvoorbeeld: de scheppingsopdracht, Israël, de leer der laatste dingen, de verhouding tussen evangelisch en reformatorisch.

De Gereformeerde Gemeenten lijken soms een minizuil binnen de zuil te vormen. Gevolgen hiervan zijn huiver voor de breedte van de zuil en voor geluiden uit andere reformatorische kerken, moeite met interkerkelijkheid van bijvoorbeeld (jongeren)activiteiten binnen de zuil. Hoe moet je in dit verband omgaan met liefde tot je eigen kerk? Hoe kan het eigenlijk dat binnen de gereformeerde gezindte maatschappelijk wordt samengewerkt, maar er innerlijk verdeeldheid is?

Men werkt maatschappelijk vaak gedwongen samen door schaalvergroting of overheid. De Gereformeerde Gemeenten vormen het ruggenmerg van de zuil en bezetten daar sleutelposities. Overigens is dat geen strategie. De afscheidingsbewegingen hebben een ander kerkmodel en daarmee een ander kerkmens voortgebracht. Afgescheidenen zijn actiever. Dit komt omdat men zich onbewust beleeft als een kleine groep "gezuiverden". Institutionalisering en formalisering vinden met name in de Gereformeerde Gemeenten plaats en daarom ook binnen de zuil.

Er is terecht een stuk zorg over het wegvloeien naar andere kerken. Het is echter mijn indruk dat met name leidinggevenden de zuil te breed vinden. Wanneer elementen uit de belijdenisgeschriften in het geding zijn en ter discussie gesteld worden is deze gedachte terecht. Als het benadrukken van het eigene van de Gereformeerde Gemeenten vanuit een defensieve houding gebeurt, win je hiermee niets. Op zichzelf mag en moet je het eigene vaststellen en uitdragen naar jongeren, maar dan wervend. We hebben iets waardevols in te brengen in het geheel van de Gereformeerde Gezindte, namelijk het belang van leven met de Heere, de toepassende werking van de Heilige Geest en de warmte van de bevinding. Onze gemeenten zijn niet de enige openbaring van het lichaam van Christus, maar we mogen wel zien op de sporen in de geschiedenis. Je kunt ook alleen maar goed functioneren als je weet waar je zelf staat. Met liefde voor je kerk win je meer mensen, dan met permanente kritiek.

Een christen kan niet uit deze wereld gaan. De samenleving heeft ook een onmiskenbare invloed op het leven binnen de zuil. Soms lijkt de reformatorische zuil twee generaties achter te lopen. Hoe voorkom je dat de zuil niet meer is dan een rem op secularisatie? Nog intensiever invullen door van alle terreinen van het leven reformatorische varianten te maken? Hoe onderken je tijdgebonden opvattingen van algemeen geldende?

De zuil zelf is absoluut ontoereikend. Je kunt wel overal dammen legen opwerpen. Maar er is ook veel indirecte beïnvloeding: informatietechnologie, consumptiemaatschappij en moderne media. De zuil biedt hier slechts indirecte bescherming. Het is noodzakelijk erop te wijzen dat ons heil en het heil van onze naaste niet bereikt wordt door zelfwerkzaamheid. Het belang en de invloed van een leven in de vreze des Heeren kan nooit overschat worden. Langs de weg van persoonlijke beïnvloeding zal er maatschappelijke inbreng zijn. Het volhouden tegen de wereld kan alleen in de weg van persoonlijke genade. Zelfs dan nog zien we Lot en David, twee kinderen van God, struikelen.

Laat ik voor de waardering en de plaats van de zuil een beeld gebruiken. In de strijd loopt degene die vecht wonden op. De zuil moet een hospitaal zijn. Je kunt er lafenis krijgen en aansterken om daarna weer de strijd in te gaan. De wonden kunnen er verzorgd worden, maar daarna moet er weer op uit getrokken worden. Als de zuil een klooster wordt, dan is er geen toekomst. In de wereld, maar niet van de wereld, dat is de kortste bijbelse samenvatting van onze roeping. Je kunt zeggen dat de zuil hierbij steigerhout mag zijn. Dat is al heel wal. Vraag het maar aan de timmerman.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1999

Daniel | 36 Pagina's

'De zuil mag steigerhout zijn'

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1999

Daniel | 36 Pagina's