|acobus Revius is als dichter
|acobus Revius is als dichter niet erg populair geweest in zijn eigen tijd, de Gouden Eeuw. Van zijn dichtbundel Over-Ysselsche Sangen & Dichten is tijdens zijn leven maar één druk verschenen. Daarna werd hij spoedig vergeten. Pas in de twintigste eeuw heeft men het werk van deze 17de-eeuwse predikant herontdekt. Er zijn verschillende uitgaven van zijn werk verschenen in onze eeuw. Gelukkig zijn er velen geweest die niet alleen de kunstige vorm van zijn poëzie hebben leren waarderen, maar ook de inhoud, die vaak verrassend is.
Revius was een calvinist in hart en nieren, hij had een grote kennis van de bijbelse talen en het is dan ook niet voor niets dat hij aangesteld werd als reviseur bij de Statenvertaling. Zo heeft hij verschillende boeken van het Oude Testament grondig nagezien en vermoedelijk zijn directe aandeel in het vertaalwerk nog wel gehad.
In de strijd tegen de remonstranten heeft hij ook zijn sporen verdiend. De leer van Arminius heeft hij fel bestreden, vooral in zijn Leidse jaren toen hij verantwoordelijk was voor de begeleiding van de jonge theologiestudenten. Dat de mens niets kan doen aan zijn zaligheid en dat God daarin alles moet doen, schijnt voor sommige mensen een harde leer te zijn. In het bovenstaande gedicht laat Revius echter doorklinken dat deze leer een troost is voor Gods Kerk, zeker voor een aangevochten ziel. Zo iemand kan immers menen dat de Heere helemaal niet naar hem luistert en niet naar hem omziet. Bovendien kan hij in de waan verkeren dat hijzelf er toch zoveel aan gedaan heeft. In dit gedicht heeft Revius het daarover: ik heb gebeden, geroepen, geworsteld, gestreden, erop gewacht, gezocht... maar de Heere geeft geen antwoord! Bijna wordt de toon verwijtend in regel 9: het is voor de Heere toch een kleinigheid om hem te bekeren en te trekken tot het goede! En Gods mededogen zou hem toch hebben kunnen bevrijden van het kwade! Maar dan gebeurt er iets. De dichter stoot het uit: Helaas! Wat durf ik toch te zeggen! Hij beseft hoe hij spreekt op een manier die hem niet past. Maar er gebeurt nog meer. Hij beseft, dat de bruid die bidt: "Trek mij, wij zullen U nalopen, " dat nooit van zichzelf kan hebben! Het is juist Gods goedheid en genade, het is Gods liefde en mededogen, het is God zelf Die het gemis, het verlangen en het gebed in hem gewerkt heeft. Zo eindigt dit gedicht dat als een klacht begon in verwondering. (Fine) Nog een paar opmerkingen over de vorm: dit is weer een sonnet. Het bestaat dus uit een octaaf (=8 regels) met slechts twee rijmklanken (-eden /-eid) en daarna een sextet (= 6 regels) met drie andere rijmklanken. Meestal vertoont een sonnet een wending, een omkering in de gedachtengang; soms vind je die tussen octaaf en sextet, soms na de eerste helft van het sextet, zoals in dit gedicht. Revius rekenen we tot de Barok.De kunst van die periode vertoont vaak grote inhoudelijke tegenstellingen: je vindt ze in de eerste acht regels, maar ook tussen r. 1 - 11 en 12-14. Men hield ook van herhalingen: Revius gebruikt ze met variatie (r. 1, 3, 5, 7, r 14). Men geeft graag emoties weer: ook Revius maakt ze hoorbaar (r. 2, 12). Misschien kun je zelf nog meer ontdekken op het gebied van klank en ritme: let bij voorbeeld maar eens op de accenten in r. 9-11. Tenslotte: een gedicht moet je meermalen herlezen (eigenlijk hardop) om er steeds meer moois in te ontdekken. (Da capo al fine)
P.S. Die muziektermen hierboven (cursief gedrukt) zijn geen vergissing. Een doordenkertje!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1999
Daniel | 32 Pagina's