JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De toegang tot het paradijs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De toegang tot het paradijs

6 minuten leestijd

Is, door het wonder van goddelijke genade, de toegang tot het Paradijs voor u persoonlijk reeds geopend? Christus Zelf zegt tegen Nicodemus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: enzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien" (Johannes 3:5).

De plaatselijke predikant ds. L. Blok opende de goed bezochte regionale vergadering te Ermelo door te lezen uit Lukas 7:1-10 en hield hierover een korte meditatie. Dit bijbelgedeelte handelt over de hoofdman te Kapernaüm.

De Heere jezus is gekomen te Kapernaüm. En dan komen tot Hem de ouderlingen der joden. Zij komen met de nood van een zieke knecht van de hoofdman over honderd, iemand die niet tot het joodse volk behoort. Ze bidden Hem, of Hij wilde komen en de dienstknecht van de hoofdman gezond wilde maken. Drie verzen worden in het bijzonder onder de aandacht gebracht. In vers 4 lezen we dat de ouderlingen zeggen dat de hoofdman het zo waardig is dat de Heere zijn dienstknecht gezond maakt. De ouderlingen vonden dat, als er één was die het verdiend had, het de hoofdman toch wel was. Hij heeft allemaal goede dingen gedaan. Hij heeft ons volk lief, hij heeft de synagoge gebouwd! "Hij is waardig dat Gij hem dat doet." Zo is het oordeel van deze mensen over de hoofdman.

Vers 6 laat de hoofdman zelf aan het woord. "En als de Heere jezus nu niet ver van het huis van de zieke knecht was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen." Ziehier het oordeel van de hoofdman over zichzelf. Heere, het is me te groot, ik verdien het niet.

Hier mogen we zien wat genade in het leven van een mens doet. Dan krijgen we lage gedachten van onszelf. Zouden we elkaar dan niet hartelijk gunnen dat de Heere ook ons op die plaats brengen wil? Dat we het niet waard zijn dat de Heere naar ons om ziet? Dat is de plaats waar de Heere ons hebben wil. Dat is de plaats waar de Heere een mens brengt bij de aanvang en bij de verdere voortgang.

Dat we net als die moordenaar aan het kruis leren zeggen: "Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Want wij ontvangen straf waardig hetgeen we gedaan hebben."

In vers 9 lezen we van het oordeel wat de Heere Jezus geeft. En Jezus dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare, die Hem volgde: ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden."

De Heere spreekt niet over allerlei goede werken, maar over geloof, een groot geloof. Het bestaat daarin dat de hoofdman maar één woord nodig heeft. Hij zag zo'n onwaarde in zichzelf, maar zoveel waarde in Christus. Wat is het in ons aller leven van het grootste belang dat Christus zegt: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. Dit wil Hij spreken tot onwaardigen, tot geringen, tot mensen die in zichzelf zo laag aan de grond zijn terechtgekomen.

De toegang tot het Paradijs

Vervolgens sprak de heer A. van der Kieft over de toegang tot het Paradijs. Hij maakte een onderverdeling in drie hoven: de hof van Eden, de hof van Gethsémané en het hemelse Paradijs.

In Genesis 1 en 2 lezen we van de schepping. God maakte alles naar een vast gemaakt bestek; een bestek dus dat niet, zoals bij ons, steeds bijgesteld behoeft te worden. Op de derde dag werd een hof geplant in Eden. Het Paradijs was een lusthof, sierlijk en schoon. Eer dat de mens was voortgekomen, werd alles in gereedheid gebracht, net als een aanstaande moeder dat doet. En in deze schoonheid schiep een drieenig God een zeer schoon mens. Dan staat er in Genesis 1 : 26: Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis." Dat wil zeggen, in ware kennis van God, in ware heiligheid voor God en in de rechte verhouding tot God. De mens

is in een zeer heerlijke staat geschapen, in een staat der rechtheid. De mens heeft, in onderscheid van de dieren, een levende en onsterfelijke ziel. God stelde de mens in een hof, geplant in Eden. Zie, hier gaf de Heere Zelf deze schone plaats ter woning. De wet Gods was in het hart van Adam ingeschapen. Adam wilde wat de Heere wilde. Er was een volkomen harmonie der liefde.

De mens is niet staande gebleven

Hoelang dit heeft geduurd? Er wordt aangenomen dat dit zeer kort was. De Heere had een proefgebod gegeven en dat met bedreiging van het leven bij schending. Van één boom mocht Adam niet eten. De duivel probeerde de bedreiging in twijfel te brengen zoals hij dat ook nu nog altijd doet. En de mens is niet staande gebleven! Genesis 3 eindigt met: "En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom des levens." Hier wordt de toegang tot het Paradijs toegesloten. En dat volkomen! eere spreekt niet

Nu komt de vraag tot ons allen: hebben we die gescheiden staat zielsbevindelijk ingeleefd?

Maar is er dan toch nog hoop en verwachting voor een Adamskind?

Die is er. Niet van de zijde van de mens, maar bij God vandaan. Terstond na de val lezen we van de moederbelofte en is ook het genadeverbond geopenbaard.

Gods eis is niet tenietgedaan. Want dan staat er in vraag 12 van de Heidelbergse Catechismus dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij, of door onszelf, of door een ander, volkomenlijk betalen.

Dan is er dat grote wonder dat Christus in de volheid destijds de menselijke natuur heeft willen aannemen. Hij heeft aan de wet voldaan. Christus heeft de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen en dat inzonderheid aan het einde van Zijn leven. In de hof van Gethsemané (wat oliepers betekent) heeft Hij de pers alleen getreden: "Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe." Ik voor u daar gij anders de eeuwige dood moet sterven. En Zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Aan het vloekhout des kruises heeft Hij uitgeroepen: "Het is volbracht!" Hij heeft volkomen betaald.

Maar hoe komen u en ik tot die geopende toegang?

Christus Zelf zegt tegen Nicodemus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij iemand wedergeboren is, hij zal het Koninkrijk Gods niet ingaan. Zonder de wedergeboorte blijft de toegang tot het Paradijs gesloten. De toorn Gods blijft dan op de mens. En deze wedergeboorte moet aan een ieder van ons persoonlijk worden toegepast door de Heilige Geest. Alleen door de wedergeboorte kunnen we vernieuwd en hersteld worden met Christus. De vraag komt nu tot ons allen: is de toegang tot dat hemelse Paradijs reeds geopend?

Na de pauze las mevrouw A. van Bentum-van Pelt een gedicht voor getiteld "Rust" van Christien de Priester en beantwoordde de heer Van der Kieft de gestelde vragen op een heldere maar ook op een indringende wijze.

Nadat ds. Blok een dankwoord uitsprak, liet ouderling Van der Kieft Psalm 85 : 1 zingen en eindigde met dankgebed.

Wageningen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1999

Daniel | 32 Pagina's

De toegang tot het paradijs

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1999

Daniel | 32 Pagina's