Presidentesvergadering Gouda
Het is druk op de presidentesvergadering, gehouden op donderdag 4 februari te Gouda. De grote zaal is meer dan vol en de koster moet zelfs nog stoelen erbij zetten. Ds. C. van Dieren, de voorzitter van onze Bond, laat Psalm 86:6 zingen en leest 2 Samuël 19:9-15. In zijn welkomstwoord benadrukt hij, dat het goed is om eens in de twee jaar met elkaar van gedachten te wisselen en vanuit God Woord voorgelicht en geleid te worden.
Na het gebed wijst de dominee op de psalm, die we zojuist zongen: "Neig mijn hart en voeg het saam..." Wie vraagt dat? Een onbekeerde? Dat een onbekeerde dat vraagt, is niet verwonderlijk. Het is immers nog genadetijd. Dat de Heere dan het hart neige tot de vreze van Zijn Naam! In Psalm 86 is echter iemand aan het woord, wiens hart verbroken is. Het is het gebed van David. Waarom is die vraag dan toch nog nodig? David is in de praktijk van het leven, in de weg van de ontdekking er achter gekomen, dat hij telkens opnieuw het werk van Gods Geest nodig heeft. Hij valt zichzelf gedurig tegen. Maar de Heere weet wat maaksel wij zijn, staat er in Psalm 103. Christus wist voor wie Hij Zich Borg stelde. Niet alleen heeft Hij Zijn volk gekocht met Zijn bloed, hun schuld weggenomen, maar Hij zal ze ook allen thuis brengen. Daar zal er niet één achterblijven. Van dat werk van Christus is David een type en voorbeeld.
In 2 Samuël 19 zien we - tot triomf van satan - de kerk van het Oude Verbond in een droevige broedertwist verwikkeld. Het volk heeft Absalom gekozen en hun gezalfde koning David aan de kant gezet. Maar God laat Israël niet los. David wordt door de Heere terugge-
bracht. In Israël ontwaakt het schuldbesef en een begeerte om David te doen terugkeren. Maar één stam blijft achter. Dat is Juda. Wat waren zij in het bijzonder trouweloos geweest om afvallig aan David zijn zoon Absalom in Hebron tot koning te zalven. En nu? Als het aan Juda gelegen had, waren ze altijd buiten David gebleven. Wat een wonder dat David, type van Christus, Juda niet missen kan. In vers 12 zegt hij: "Juda, gij zijt mijn broederen, mijn been en vlees zijt gij". Wat komt hierin de onveranderlijke trouw van David uit. Zo onveranderlijk trouw is Christus ook voor Zijn gemeente. Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Hoe is dat in uw leven? Bent u net als Israël aanvankelijk aan uw zonde en schuld ontdekt? Ziet u wie God voor u is en wie u tegenover de Heere bent? In Israël kwam een levende begeerte naar herstel van de breuk. Daar werd een onrust geboren. Zij werden schuldenaar. Alleen door die weg komt de Heere terug. Het leert ons, dat het Evangelie waardeloos is als er geen schuld gekend wordt.
Juda heeft het echter nog dieper laten liggen dan Israël. Haar bestaan is dood, koud en zonder schuld. Ze wist niet van schaamrood te worden. Zo kan het in het leven van Gods kinderen ook zijn. Dan kunnen zij wel eens jaloers worden op hen die aanvankelijk aan hun zonde ontdekt zijn, die met een levend schuldbesef, met uitgangen naar God en Zijn volk en een begeerte naar de verlossing door Christus, bezet zijn.
Hoe moet Juda nu in de schuld komen? David laat een boodschap uitgaan. Het gaat van David uit. Het gaat van Christus uit. Eén blik op Petrus en het hart van deze discipel werd geneigd, zijn schuld opengelegd en hij ging uit, bitterlijk wenende.
Een onbevattelijk wonder is het, dat David niet Joab met zijn leger uitstuurt om Juda te verdeden. Nee, David zendt twee priesters, Zadok en Abjathar. Dat wijst op het priesterlijke werk. Zij zullen met het bloed tussentreden; zij zullen als middelaar tussen de twee partijen staan. Aan de ene kant is er de beledigde koning David, aan de andere kant het afvallige, ontrouwe Juda. Zo keert Juda naar David en David naar Juda weder. Dat ook in onze dagen, als Juda het zo laag laat liggen, die grote David over onze verenigingen, onze kerk, ons persoonlijk zal opstaan. Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Dan is er hoop voor Zijn overblijfsel, Zijn kerk. Christus Zélf zal die uitbreiden, opbouwen en bewaren!
De vrouwenvereniging van nu in de toekomst
Drie Maria's In de bezinning op de koers van het werk en het doel van het verenigingsleven bepaalt ds. C. Sonnevelt ons bij drie vrouwen uit de geschriften van Lukas. Allereerst zien we Maria, de zuster van Martha en Lazarus, die stil zat te luisteren aan de voeten van Christus. Zij is het voorbeeld van de geheiligde bezinning op het Woord des Heeren.
Dan is daar Maria, de moeder van Johannes Markus, die haar huis openstelde voor de eerste christengemeente te Jeruzalem. In haar huis kwam de gemeente samen om gedurig te bidden voor Petrus in de gevangenis. Deze Maria, Godvrezend en haar weg in stilte gaand, is het voorbeeld van de samenbinding.
De derde vrouw is Maria Magdalena, die met andere vrouwen Jezus volgde en Hem diende van haar goederen. Dienstbaar mocht ze zijn aan Christus en aan de voortgang van Zijn Koninkrijk. Een voorbeeld is zij van het dienen, een dienend leven uit wederliefde tot eer van God en tot heil van de naaste. Drie vrouwen met een luisterend oor, een kloppend hart en een dienende hand, door God hun geschonken. Wat zou het een voorrecht zijn, als er nog zulke Maria's werden gevonden. Een zegen zou het zijn, als ook de vrouwenverenigingen iets mogen vertonen van het luisteren naar Gods Woord, het
samenbindend bezig zijn in de gemeente en het dienen van de armen met hun goederen. Deze drie aspecten zijn ook - als doel van de vrouwenvereniging - verwoord in het voorbeeldreglement, dat opgesteld is door de Bond van Vrouwenverenigingen en uitgegeven wordt door het Lectuurfonds.
De enquête
Om op een zinnige manier te kunnen spreken over het functioneren van vrouwen-en andere verenigingen was het nodig om via een enquête materiaal te verzamelen. Aan 143 verenigingen werd de uitgebreide vragenlijst opgestuurd en maar liefst 1 36 verenigingen reageerden, een respons van meer dan 95 procent! Ds. Sonnevelt dankt zowel de Bond voor het adviseren, als de vrouwenverenigingen voor het over 't algemeen nauwgezet beantwoorden van de enquête.
Het eerste deel van de enquête inventariseerde de zakelijke gegevens van onze verenigingen. Het tweede deel ging meer in op het ontstaan van andere verenigingen naast de vrouwenvereniging, eventuele zorgen, maar ook mogelijkheden voor de toekomst. Enkele punten worden hier genoemd:
De laatste jaren is op (minder dan de helft) van de vrouwenverenigingen gevraagd naar meer inleidingen of bijbelstudie. Verschillende presidentes hadden echter geen vrijmoedigheid, voelden zich onbekwaam daartoe. Maar ook van de leden kwam soms geen reactie. Men deed eigenlijk niet mee met de discussie, zodat het bestuur na verloop van tijd met de inleidingen of de bijbelstudie stopte. Waar het wel goed ging, heeft men nu twee tot vier keer per seizoen een bijbelstudieavond ingelast.
In zeker 50 procent van onze gemeenten is tegenwoordig wel een gesprekskring, studievereniging of bijbelkring te vinden. Meestal staan deze onder toezicht van de kerkenraad. Sommige dames spreken hun zorg over bepaalde bijbel-of gebedskringen uit. Deze leiden in hun gemeente een eigen leven en onttrekken zich aan het ambtelijk toezicht. Hoe komt het, dat deze kringen ontstaan zijn? jongeren - vanwege hun studie en hun ervaringen op de jeugdvereniging - zijn gewend na de denken en te spreken over bijbelse onderwerpen. Er is ook meer belangstelling voor bijbelstudie en bezinning. Men wil met elkaar over geestelijke zaken praten. Het gevaar is echter groot - geeft iemand aan - dat men gronden zoekt, waar de Heere niet van afweet. Ook schrijft men, dat zo'n kring evangelisch getint kan zijn. "Er is geen ootmoed meer; men wil iets zijn of betekenen. Een waar kind des Heeren houdt het hierbij niet uit, kan hier niet in mee en komt hiermee op de knieën." Er zijn ook dames, die zich zorgen maken over het feit, dat het dienend bezig-zijn op de achtergrond raakt. Misschien komt dat door het individualisme. We leven in een 'ik-tijdperk'.
Ondanks de bovengenoemde zaken is er toch sprake van weinig spanningen voor de vrouwenvereniging. "Je moet positief blijven en niet krampachtig hiermee omgaan." Het kan best nodig zijn, eens kritisch naar de vereniging te kijken. "Houd het gezellig, afwisselend, aantrekkelijk", zegt de een, terwijl de ander meer inleidingen en bijbelstudie aanbeveelt.
Velen denken positief over de toekomst van de vrouwenvereniging. Toch zijn er ook sombere geluiden. Vergrijzing, verhuizing, maar ook allerlei vergaderingen en schoolavonden doen een aanslag op het aantal leden. Steeds meer jonge vrouwen hebben een andere belangstelling of gaan werken en hebben geen tijd om 's avonds naar de vereniging te gaan.
Met een hartelijk dankwoord en vele goede wensen wordt het vragenformulier door velen besloten. Anderen spreken hun hoop en verwachting uit, dat de Bond samenbindend werkt, adviseert, ondersteunt, coördineert, goede voorlichting geeft en stimuleert. Daarbij heeft men ook suggesties, die door het bondsbesluur zullen worden besproken.
Na het uitwerken van de enquête geeft ds. Sonnevelt enkele conclusies, geeft tien aanbevelingen en spreekt een bemoedigend woord, 's Middags volgt een plenaire bespreking van de 's morgens in groepen besproken vragen. Daarover leest u bij leven en welzijn in de volgende Daniël.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1999
Daniel | 32 Pagina's