De Spijze die blijft
Over de biddag
Het is weer bijna biddag. We zijn het zo gewend elk jaar weer biddag te houden. Maar waarom doen we dat? In de tijd na de Reformatie waren kerk en overheid nog betrekkelijk nauw aan elkaar verbonden. Dan gebeurde het wanneer het land in nood verkeerde, dat de overheid een bede-en vastendag uitschreef. Bijvoorbeeld bij een oorlog of een epidemie. Dan stroomden de kerken vol en klonk het noodgeschrei op of de Heere nog aan land en volk wilde gedenken. Het hoeft geen betoog dat onze overheid haar roeping - als Gods dienares - in deze niet meer kent!
De biddag, zoals wij die nu kennen, dateert overigens ook al van eeuwen. Zij is - met de dankdag - gericht op gewas en arbeid. Op deze dag komen we bijeen om de Heere om Zijn zegen te vragen over ons werk thuis, op kantoor, in het bedrijf, op school enzovoort. We bidden of Hij wil geven dat er niet alleen gezaaid, maar ook geoogst mag worden!
We zijn afhankelijk
In onze tijd met wereldwijde markten van im-en export lijkt dit alles op nationaal niveau steeds minder belangrijk. Want wanneer een ontzettende varkenspest ons land teistert, eten we er geen plakje ham minder om. En wanneer door de regen, zovele tonnen aardappels op het land blijven liggen, eten wij er geen aardappeltje minder om! We voelen ons in onze rijke westerse wereld zo onafhankelijk. Dat was en is nu juist onze zonde uit het paradijs, onafhankelijk van de Heere te willen zijn. En toch: wat zijn wij nietig tegenover de almachtige God. Wat vermogen al onze machines wanneer het land te nat is om te bewerken? Wat vermag al het voedsel in huis, wanneer we te ziek zijn om er van te eten?
De Heidelbergse Catechismus zegt het zo: 'Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat gij de enige
Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch uw gaven, zonder uw zegen ons gedijen en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.' Elke dag, maar bijzonder op de biddag worden wij bepaald bij onze nietigheid en afhankelijkheid van Hem Die alles door Zijn hand onderhoudt.
Het belangrijkste
De biddag bepaalt ons bij onze schuld ten opzichte van de Heere, Die ons met Zijn zegen omringt. Biddag bepaalt ons ook bij de schuld als land en volk in het meer en meer verlaten van de wet des Heeren, onze nationale zonden. Ze worden concreet aangewezen en het klinkt tot ons: "En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid."
Daarom zal de biddag ons - jong en oud - ook altijd bepalen bij het voornaamste in ons leven en dat in deze schriftuurlijke volgorde: 'Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.' Opdat ons leven door genade zou beantwoorden aan het doel waartoe wij geschapen zijn.
De Heere jezus zegt in johannes 6 tegen de joden, die in grote getale tot Hem kwamen: "Werkt niet [om] de spijs, die vergaat, maar [om] de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal." Wel iets om over te denken met de biddag. Want waarom kwamen de joden tot Christus? Hielden ze biddag'? Ze wilden Hem als Koning. Hij was machtig, Hij kon zieken genezen, broden vermenigvuldigen en Hij sprak zulke aangename woorden. Wat zouden ze een goed leven hebben daar in Israël met zo'n Koning. Daarom kwamen ze tot Hem. Ze liepen er uren voor, hadden er veel voor over. Maar het was alleen maar voor het hier en nu! Nooit hadden
zij de Zaligmaker nodig voor de schuld van hun melaatse ziel. Ze hadden de Heere wel nodig voor de tijd, maar niet voor de eeuwigheid.
Hoe biddag houden?
Hoe gaan wij nu biddag houden? ja, of het op school, op ons werk goed mag gaan. Of ik goede resultaten mag halen. Dat ik gezond mag zijn. Dat ik gelukkig mag zijn thuis en met mijn vrienden en vriendinnen. En natuurlijk ook of ik bekeerd mag worden. Maar mag ik dan eerst nog een poosje van mijn jeugd genieten. Eerst nog mijn school, mijn baan, mijn huwelijk, mijn gezin. Maar Heere, of ik dan, later, U mag zoeken en vrezen. Wij zeggen: later. Dat fluistert satan ons ook in: komt wel(! Maar de Heere zegt: nu!
Alleen maar druk zijn met dingen van de tijd is werken om spijs die vergaat!
Wel naar de kerk gaan, wel biddag houden, maar ten diepste de Heere alleen maar nodig te hebben voor wat voorbijgaat, is tekort en is zo gevaarlijk voor onze kostelijke ziel. Onze tijd vullen met wat we eten en drinken zullen, waarmee wij ons kleden zullen, daarvan zegt de Heere: dat doen de heidenen. Bekommer je toch, laat dit toch de nood van je leven zijn, dat wij door onze zonde buiten God zijn. Dat wij liggen onder de rechtvaardige toorn Gods.
Al zou je hier al de dagen van je leven kunnen leven als die rijke man, vrolijk en prachtig, het zou toch niet meer zijn dan spijs die vergaat! je mag gerust je idealen hebben. Je mag ook de Heere vragen of Hij je voor het tijdelijk leven wil zegenen. Maar er zijn al zoveel idealen als een zeepbel uiteengespat. En als er dan méér niet is... Wanneer aan ons graf niet méér gezegd kan worden dan dat wij altijd zo hard gewerkt hebben of zo trouw gezorgd en meer niet...? Spijs, die vergaat, die eeuwig leeg laat.
Een gezegende biddag
De Heere zegt: bekommer je toch om de nood van je leven. Werk toch om de Spijs die blijft tot in het eeuwige leven. Zoek nu toch dat Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid. Het zijn onze zonden en ongerechtigheden die scheiding maken tussen de Heere en onze ziel. De Heere zegt: je hebt gerechtigheid nodig waarmee je voor God kunt bestaan. Waarmee je zonder verschrikken voor Zijn grote rechterstoel kunt verschijnen. Dat weten we allen en toch we zien het niet. Nodig is het licht van de Heilige Geest Die door wederbarende genade mijn hart gaat verlichten. Dan wordt zonde zonde. Dan wordt schuld echt schuld. Dan ga je dat Koninkrijk zoeken. Dan ga je werken om dat goed dat blijft tot in der eeuwigheid. Op stille plaatsen stort je je hart uit voor de Heere. Heere, bekeer me toch tot U. Och wierd mijn ziel door U gered.
Je zou er alles voor willen doen om deel te krijgen aan dat Koninkrijk, aan die blijvende Spijs. Alles zie je dan in eeuwigheidslicht. Je ziet hoe vergankelijk en betrekkelijk alles hier beneden is. Daar ligt ook dat verlangen in naar de Heere, naar Zijn gunst in mijn hart. Dan kan ik de Heere niet meer missen.
Maar mijn zonde en mijn schuld( Ik zal met al mijn werken, met al mijn gerechtigheden nooit kunnen ingaan in dat koninkrijk de hemelen. De Heere zou geen onrecht doen als ik eeuwig buiten moest staan. Wat wat wordt het toch een eeuwig wonder om als een buitenstaander en rechteloze te mogen zien op Christus, Die de Deur is.
Hij is de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Hij sprak: niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Dan komt er zo'n verlangen, zo'n honger in mijn hart naar Hem, Die het Brood des levens is. Hij is de Spijs, Die blijft.
Hij is gewillig de dood ingegaan voor de Zijnen, opdat zij die de dood verdiend hadden in en door Hem eeuwig zouden leven. Hoe meer gekend wordt van de donkere diepten van ons boze hart, hoe groter het wonder wordt dat deze Zaligmaker gekomen is om zulke zondaren zalig maken. Mijn jonge vrienden, de dienst van de Heere is een liefdedienst. Iets van die liefde van Christus in het hart bederft voor alle schijnvreugde van de wereld. Nog klinkt die lieflijke nodiging: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.
Een gezegende biddag toegewenst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1999
Daniel | 32 Pagina's