JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De adelaars

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De adelaars

Kader Abdolah:

8 minuten leestijd

Kader Abdolah:

Toen de Heere Jezus sprak over het Laatste Oordeel en daarbij inging op de vraag wie er aan Zijn rechterhand of aan Zijn linkerhand gesteld zouden worden, betrok hij daarbij ondubbelzinnig onze houding tegenover vreemdelingen: lsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: omt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd (Mattheüs 25). In het Oude Testament al had de Heere aan het volk Israël duidelijk geleerd hoe het zich zou moeten opstellen tegen vreemdelingen: aarom zult gijlieden de vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland (Deuteronomium 10:19). En je weet wel wat de apostel Paulus in de Hebreeënbrief schrijft over de christelijke levenswandel: e dienen zelf gasten en vreemdelingen te zijn!

Je vraagt je misschien af wat deze inleiding met literatuur te maken heeft. Wel, ik heb laatst een verhalenbundel van een Iraanse asielzoeker gelezen: De adelaars van Kader Abdolah. Een van de verhalen uit die bundel Het Amerikaanse bedrijf, kende ik al wat langer. Het is een verhaal dat het lezen én erover nadenken waard is. Op het moment dat ik dit artikel nog wat een het reviseren ben, realiseer ik me hoe verschrikkelijk actueel het is (14 november 1998: dreiging Irakese raketaanval op Israël). Maar ook de andere verhalen uit deze bundel zijn zeer de moeite waard, omdat ze ons eens van een heel andere kant dan gewoonlijk midden in het asielzoekersvraagstuk verplaatsen. Daarbij komt dat ze beslist niet moeilijk lezen; Abdolah schrijft korte, heldere zinnen!

De laatste maanden is het Nederlandse asielzoekersbeleid regelmatig in het nieuws geweest. Midden oktober kregen nieuwe asielzoekers inderhaast provisorisch onderdak in tentenkampen. De kwaliteit van die voorzieningen was zo slecht, dat hele groepen moesten worden overgebracht van de Veluwe naar de omgeving van Nijmegen. Ook in Nederland vormen deze vreemdelingen dus een actueel probleem. Heeft de Bijbel over dit probleem voor ons ook werkelijk iets te zeggen? Of scheiden we ook op dit punt weer zo gemakkelijk leer en leven?

Waarschijnlijk heb je je nooit verplaatst in de situatie van iemand die helemaal ontheemd is en zich in ons land hopeloos verdwaald voelt, zowel letterlijk als figuurlijk. Toch voelt die vreemdeling zich zo. Dat wordt al direct duidelijk in het openingsverhaal Een onbekende trekvogel. De ik-figuur heeft werk in een natuurmuseum. Gerrit doet daar het echte werk, de ik heeft er een wat onduidelijke taak. Op een dag valt er een trekvogel uit de lucht; vlak voor zijn voeten sterft het dier. Het wordt door Gerrit geprepareerd, maar die kan het dier niet "thuisbrengen", ondanks al zijn zoeken in diverse vogelboeken. "Geen foto. Geen naam. Geen adres. Geen familie." Onbekend. Het tekent precies de situatie van de asielzoeker zelf. Sprekend zijn ook de slotzinnen van dit verhaal, als hij de opgezette vogel meekrijgt. "Ik verliet het museum met de plastic zak. Buiten regende het. Er vloog een rij trekvogels over, in V-vorm. Maar er was geen begeleider bij."

Ontroerend is het titelverhaal De adelaars. Het begint zo: "In de bergen van mijn land stuit je soms op een graf. Een verlaten graf waarvan niemand weet wie daar begraven ligt. (...) Als bergbeklimmers van veraf zo'n graf in de gaten krijgen, beginnen ze liedjes te zingen, liedjes tegen de dictatuur. Ze lopen zingend tot het graf. Daar zetten ze dan hun rugzakken op de grond om even uit te rusten en om iets te eten. Ze laten de restjes van het eten voor de vogels achter, voor de adelaars die hoog in de bergen vliegen. De vogels vliegen boven het graf en wachten tot de bergbeklimmers het

verlaten. Zodra ze weg zijn, duiken de adelaars massaal op de voedselresten af. De adelaars zijn eigenlijk een soort 'gids'. Ze vliegen voor de bergbeklimmers uit en laten hun weten waar een graf ligt."

In het verloop van het verhaal beschrijft hij de pogingen die hij samen met zijn vader heeft ondernomen om zijn broer een graf te geven. Die is vermoord door het strenge regime. Maar nu kan zijn lijk niet begraven worden op een officiële begraafplaats, want de orthodoxe islamieten zijn allemaal aanhangers van het regime. De ik maakt samen met zijn vader een wanhopige nachtelijke tocht langs diverse dorpen om te proberen toch ergens een plekje te vinden waar zijn broer begraven kan worden. Ze trekken in een auto met de dode door de winterse bergen en worden op diverse plaatsen verjaagd met stokken en honden en zelfs met de dood bedreigd. Uiteindelijk is er nog één mogelijkheid: ze gaan naar het dorp waar zijn vader en zijn voorgeslacht vandaan komen. Daar is een oude man die hen helpt om in de bergen een graf te maken voor de dode. Als ze het bergpad opgaan horen ze het geluid van vogelvleugels boven zich. "Een grote groep adelaars vloog voor ons uit."

De ongenuanceerde visie van Nederlanders op vluchtelingen komt goed tot uiting in Het Amerikaanse bedrijf. In dit verhaal beschrijft hij zijn werk op een bedrijf in de voedingsindustrie. Alles moet heel schoon en netjes gebeuren. Zijn chef houdt hem dan ook bijzonder goed in de gaten en vindt altijd weer wat kleine foutjes. Op de dag dat de Golfoorlog uitbreekt en Saddam Hoessein de oproep heeft gedaan alle Amerikaanse eigendommen te vernielen, komen enkele hoge pieten van het moederbedrijf, Amerikanen dus, op bezoek! Iraniër of Irakees? Dat maakt in ieder geval in de ogen van zijn chef niets uit en de ik voelt zich nog ongelukkiger dan anders.

Schrijnende toestanden worden ook beschreven. Asielzoekers zijn vaak op de vlucht voor een gewelddadig regime en hebben afscheid moeten nemen van allen en alles: geliefden en bezittingen zijn achtergebleven in het land van herkomst. Dat er in de centra overspannen en verwarde asielzoekers verblijven, wordt beschreven in Zij moest haar verhaat nog verteilen. Een jonge vrouw die na een verblijf in een centrum een "eigen flat" krijgt toegewezen, komt na enkele weken volkomen ontredderd en overstuur terug. Daar weten ze echter ook geen raad met haar en na politieingrijpen moet ze naar een psychiatri sche inrichting gebracht worden. Kader Abdolah (pseudoniem voor Hossein Sadjadi Ghaemmaghami) gaat op een indringende wijze om met diverse motieven. Zo heeft de jonge vrouw eerder in dit verhaal de ik gewezen op enkele etalagepoppen in witte kleren. Ze herinneren haar - vooral door de ogen - aan dode vrouwen die ze in haar vluchtelingenleven heeft gezien. Aan het einde van het verhaal wordt ze naar de ambulance gebracht. "Er kwamen drie stevige mannen binnen. Ze grepen Maria beet, zo stevig dat ze niet meer kon bewegen. Ze trokken haar een witte dwangbuis aan. Ik zag een kapot, wild, blond meisje in een witte verpakking. Ze tilden haar in één keer op en namen haar als een etalagepop mee. Zij keek naar mij, maar er was iets mis met haar ogen."

Er zou nog meer te citeren en na te vertellen zijn. Lees deze bundel zelf maar eens. Het geeft een helder beeld van het vluchtelingenleven. Abdolah beschrijft alles in korte, heldere zinnen. Met weinig woorden roept hij veel op. Ook de onderlinge strijd, het wantrouwen en de scherpe tegenstellingen waardoor de vluchtelingen soms elkaar het leven weer moeilijk maken, verhult hij niet. Het zal zeker vragen bij je oproepen als je de verhalen leest. Ze zijn onmiskenbaar geschreven vanuit de visie van een mens die zijn islamitische godsdienst heeft losgelaten maar van zijn achtergrond toch niet helemaal loskomt.

Het kan je ook vragen aan jezelf leren stelen. Ik weet dat er allerlei politieke en maat-. schappelijke consequenties verbonden zijn aan het binnenhalen van de stroom vreemdelingen die naar ons land komt. Is er ook niet een andere kant aan deze zaak? Waarom kijken wij christenen vaak even negatief tegen asielzoekers aan als "mensen van de wereld"? Wij zeggen toch dat wij wel in deze wereld en niet van deze wereld (mogen) zijn? Of zijn wij misschien toch minder gasten en vreemdelingen dan we zouden moeten zijn? Komt een groot deel van ons vreemdelingen-en vluchtelingenprobleem niet daarvandaan, dat wij zelf onze pinnen zo vast hebben ingeslagen dat we al ons bezit als eigendom in plaats van als geleend goed beschouwen? Zoeken wij de stad die beneden is, of zoeken wij een ander Vaderland, dat boven is?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1998

Daniel | 36 Pagina's

De adelaars

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1998

Daniel | 36 Pagina's