Oud-testamentische Psalmen door Nieuw-testamentische ogen
Psalm 146
De Psalm die deze laatste keer voor ons open ligt, begint en eindigt met hetzelfde woord: 'hallelujah'. Eigenlijk is het 'halleloejah'. Het is een samenvoeging van het Hebreeuwse werkwoord, dat 'loven', 'prijzen' betekent, met de Hebreeuwse naam van God, Jahweh, dat is HEERE. Het betekent dus 'looft de HEERE'. Wie het hallelujah op de lippen neemt, dient dan ook te bedenken dat Gods Naam wordt genoemd. Daarom mag het hallelujah niet dan met vrees en eerbied gebruikt worden (zie Zondag 36 Heidelbergse Catechismus).
I rijs den HEER' met i blijde galmen
Loof de Heere, mijn ziel
Het rechte prijzen van de Heere is geen lippendienst maar een zaak van het hart, van de ziel (vers 1). Op lippendienst zit de Heere niet te wachten. Hij vraagt naar waarheid in ons binnenste. Juist op dit punt vielen de schriftgeleerden en de farizeeërs door de mand: Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja geprofeteerd, zeggende: it volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij' (Mattheüs 15:7, 8). Ik denk dat de Heere van veel 'hallelujahs' zeggen moet: oe dat getier weg van voor Mijn aangezicht. Daartegenover staat dat de Heere voor lofprijzing houdt wat wij er niet voor houden. Denk aan Hanna de moeder van Samuël. Ze sprak in haar hart, waarbij ze haar lippen wel bewoog, maar haar stem werd niet gehoord (1 Samuël 1:15). In zulke onuitsprekelijke zuchtingen (Romeinen 8:26) ligt meer eer voor God dan in vele en vaak massale hallelujahs.
De onbekende dichter heeft goede reden om de Heere te prijzen. Trouwens, hij neemt zich voor de Heere te prijzen in zijn leven. Het grootmaken van de Heere begint in dit leven en wacht niet tot later in de hemel. Gods kinderen leren hier en nu in beginsel de Heere loven. Het wordt hun hartelijk verlangen om de Heere te eren, niet pas in de hemel, maar nu al: 'in mijn leven... terwijl ik nog ben' (vers 2). Maar waarom leeft dit verlangen nu zo sterk bij de dichter van deze Psalm? Dat laat hij eerst vanuit het negatieve (vers 3, 4) en dan vanuit het positieve (vers 5 e.v.) horen.
Negatieve elementen
Vertrouw niet op mensen! Hoe hoog ze ook staan op de maatschappelijke ladder. Of het nu gaat om politiek, economie of godsdienst... bouw niet op mensen. Wie op mensen bouwt voor tijd en eeuwigheid is als een bedelaar die naar een andere bedelaar kijkt om brood, of als een blinde die zijn tastende hand uitstrekt naar een andere blinde om door hem geleid te worden. Trouwens, Psalm 146 geeft zelf de argumenten aan waarom het dwaas is om het vertrouwen op mensen te bouwen.
- Zijn geest gaat uit. Wij blazen een keer de laatste adem uit! O, we zijn slechts een adem. Hoe sterk we ook staan, hoe goed ook ontwikkeld, hoeveel we ook hebben, als onze adem ophoudt, dan gaat onze geest uit.
- Hij keert wederom tot zijn aarde. De aardmens keert weer tot zijn aarde, waaruit hij genomen is. 'Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.'
- Te dien dage vergaan zijn aanslagen. Op de dag van het sterven houdt alles op. Hoe grootse plannen hij ook moge gehad hebben, ze zijn in een slag vernietigd.
Wat is de mens? Een zucht en het is gedaan. 'Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.' Nee, in de mens is geen anker grond. Daar moet je de vastheid voor je levensscheepje niet zoeken. Veilige vertrouwensgrond is er in de Heere. De Psalmist zal dat ervaren hebben door schade en schande heen. Hij heeft meerdere malen ervaren dat vertrouwen op mensen ijdelheid is. Maar in de nood is de Heere zijn redder geweest. Daarom verlangt hij de Heere te loven in al zijn levensdagen.
Positieve elementen
Op een bijbels positieve manier geeft de dichter aan dat allen die de God Jakobs tot hun hulp hebben, welgelukzalig zijn. Daar wordt door buitenkerkelijken en door ongelovigen wel wat anders naar gekeken. Velen noemen wat hier positief is negatief.
Zij vinden iemand, 'die in dit leven jakobs God ter hulpe heeft, ' helemaal niet zalig maar zielig. Zalig de mens die niemand nodig heeft! Zo denkt het moderne levensgevoel, zo denkt het hart van de in zonde gevallen mens. Ongeschokt in eigen kracht door het leven gaan schijnt het hoogste ideaal te zijn. Nergens je hand op houden, zelfredzaam zijn en ook God niet nodig hebben, dat zijn de patronen van ons arglistige hart. De psalmist weet beter. Dat heeft God hem bijgebracht: 'Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot zijn hulp heeft...' (vers 5).
Wie is de God Jakobs? Het is de God van onverdiende liefde en genade: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat' (Romeinen 9:1 3). Het is ook de God van Bethel, van Pniël, plaatsen waar de Heere Zich aan Jakob heerlijk openbaarde. Het is
) jehova, de HEERE, 'en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik' (jesaja 45:21). Het is zalig voor Deze God te buigen, de lege hand bij Hem op te houden, als een hulpeloze tot Hem te vluchten. Welgelukzalig die het van Jakobs God verwacht. Is voorspoed dan gegarandeerd? Ga Jakobs leven maar na... 'vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de Heere' (Psalm 34:20). Zo heeft de Heere het leven van jakob bestuurd.
De machtige Jakobs, de heilige Israëls
Het vervolg van dit loflied (vanaf vers 6) is een heerlijke jubel op de grootheid en de heerlijkheid van God.
Tegenover de nietigheid en de wankele vertrouwensgrond aan de kant van de mens staat dan de vastheid en de onwankelbaarheid van God. Hij is de Schepper van hemel, zee en aarde. Hij is de Bewaarder, de Getrouwe, tot in der eeuwigheid.
Leg Maleachi 3:6 en Romeinen 11:29 er maar eens naast. Deze God is jakobs God! Het is de vraag of Hij ook onze God is? De Heere is ook een rechtvaardige Rechter (vers 7).
De verdrukten, dat zijn degenen die geen recht kunnen krijgen en maar wat aan hun lot worden overgelaten, zal Hij recht doen. De hongerigen die overal gesloten deuren vinden en nergens geholpen worden, zal Hij brood geven. Dan moeten zelfs de raven de Heere daarbij dienen.
Vijf keer
De laatste vijf zinnen (vanaf het einde van vers 7) beginnen allemaal met het inhoudsvolle 'de HEERE'. Het zijn als het ware hamerslagen op hoofd en hart die ons willen vervullen met ontzag voor alles, wat de Heere is, en kan, en doet. De werkwoordsvorm die op de naam Heere volgt, wil iedere keer aangeven dat de Heere het niet maar eenmaal doet, maar altijd opnieuw. Zolang er gevangenen zijn, maakt Hij ze los enzovoort. Zo doet de Heere! En dat doet Hij altijd en overal! Want Hij is een eeuwige Koning, van geslacht tot geslacht (vers 10). Dat was de levenservaring van de dichter. Dat is ook de levenservaring van allen die de Oud-testamentische Psalmen door Nieuw-testamentische ogen leren lezen. Die ervaren ook iets van het wonder dat de Heere de gevangen losmaakt. Dat Hij vrij maakt uit de boeien van zonde en schuld. Dat Hij de ogen van de blinden opent om de heerlijkheid en de dierbaarheid van de Heere Jezus Christus te aanschouwen. Dat Hij opricht waar zij gebogen gaan onder schuld en zonde, onder strijd en vertwijfeling, onder kruis en zorg. Hij zal zelfs alle dingen doen medewerken ten goede, degenen die Hem liefhebben (Romeinen 8:28). Dat heten hier de rechtvaardigen, de godzaligen, die de Heere vrezen en in Zijn wegen wandelen. Vreemdeling, wees en weduwe houdt Hij staande. Alle verdriet, pijn en smart van Zijn volk neemt de Heere genadig en zaligend in handen. Maar de weg van de goddelozen keert Hij om! Wie zichzelf heer en meester waant, wie de knieval voor God niet maakt, komt om. Maar allen die de God Jakobs tot hun hulp hebben, hoe hachelijk hun lot ook mag zijn, hoe zielig ook in zichzelf, zijn welgelukzalig in God! Halleluja!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1998
Daniel | 32 Pagina's