Dankdag
De laatste wagen is van 't land gewankeld. Het jonge volk zat lachend bovenop, Oogen en haar van late zon doorsprankeld. Schuddend en schokkend ging 't het hoog heem op.
Wij mochten samen weer den akker bouwen: Gij, Heer des hemels, en ik, man van de aard. Wij minden hecht de lachende landouwen; Wij hebben hun noch lust noch last gespaard.
Ik dreef het volk, Gij waart mijn harden drijver. De handen klampten schurend om 't gerei. Na korten slaap vierden wij langen ijver. En Zondags rustten wij zoo zalig vrij.
Nu komen wij ten dank in Uw huis samen. O Groote Bouwer, handelde ik soms slecht, Neem hart en have en wil mij niet beschamen, Gedenk de zonden niet van Uwen knecht.
Willem de Mérode
De dichter Willem de Mérode zal voor velen geen onbekende zijn. Hij is een van de belangrijkste protestantse dichters van de twintigste eeuw. Een van de weinige protestantse dichters uit onze eeuw die bovendien algemene erkenning heeft gevonden, ook buiten de eigen kring.
Dit gedicht komt uit de bundel Het heilig licht, die werd uitgegeven in 1922. We treffen daarin poëzie aan die is geschreven tussen 1913 en 1921, uit de begintijd van zijn dichterschap. Die bundel opent met een reeks van zeven gedichten onder de titel Hoogtijden, die gaat over de vijf christelijke feestdagen en over biddag en dankdag. Bovenstaand gedicht is dus de laatste van die reeks.
De stijl van De Mérode staat hier nog heel duidelijk onder invloed van de dichtersgeneratie van 1880: hij besteedt veel aandacht aan klankschildering. Je merkt dat aan het overvloedige gebruik van alliteraties (bijvoorbeeld Schuddend en sc/rokkend ging 't het hoog heem op) en assonanties (laatste wagen). Het spel met klanken is in het hele gedicht te horen.
De boerenzoon Willem de Mérode, opgegroeid in het Groningerland, wist wel waarover hij schreef. In de eerste strofe weet hij het beeld van de boerenwagen die het land af rijdt voor je ogen te tekenen. Het was een vrolijke dag toen de laatste oogst werd binnengehaald.
In de tweede strofe stelt hij het boerenwerk op een opvallende wijze aan de orde: wij samen mochten het landwerk doen, Gij Heere en ik! De boer komt aan het woord en je merkt het: hij beseft zijn afhankelijkheid maar tevens zijn verantwoordelijkheid. Wie zich afhankelijk weet van de Heere zal echt niet lui worden. Hij houdt van het land en heeft er alles aan gedaan om de vruchten te mogen zien, maar hij weet dat dit uiteindelijk veel meer het werk is van de Heere, Die Zijn eigen schepping liefheeft en het werk van de boer laat vrucht dragen.
De gezagsrelatie tussen boer en knechten was in die tijd nog duidelijker merkbaar dan ze nu is. Hij heeft zijn knechten aangedreven tot het werk maar weet tegelijkertijd: ik sta als knecht in dienst van God als ik bezig ben met mijn boerenwerk. Heeft hij nu zó hard moeten werken dat hij God een harde drijver noemt? Is dat beeld wel terecht? Wie de laatste twee regels van de derde strofe leest, begrijpt het wel: werken is zijn lust en zijn leven. En al heeft vieren hier de betekenis van lang maken (zoals bij: een touw laten vieren), hier is niet iemand aan het woord, die klaagt.
In de vierde strofe zien we nog eens de 'samenwerking' tussen God en de mens in het landwerk terugkeren. God is de Groote Bouwer (= Landbouwer) bij Wie de boer in het niet valt. Daarop volgt het slot van het gedicht zo mooi: Gedenk de zonden niet van Uwen knecht. Terecht sluit hij daarmee zijn danklied af. Want is dat niet de schrille tegenstelling die altijd weer zichtbaar wordt? Ondanks Gods goedheid gaat de mens toch iedere dag weer zijn weg vol zonde! Daarom past op de dankdag de vraag om vergeving. Hij heeft dan ook in de regels erboven gevraagd: neem hart en have. Hij beseft dat zijn hart en zijn have (zijn bezit, vergelijk het Engelse werkwoord to have) dan ook helemaal aan de Heere toebehoren. Dat biedt hij Hem op deze dankdag aan, of beter: hij vraagt of God beide nemen wil.
Het is weer november, de maand van de dankdag. Wij hebben ook weer veel om te danken, maar laten wij ook niet vergeten de bede: gedenk de zonden niet die ik bedreef!
K. W. van Luik
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1998
Daniel | 32 Pagina's