Waartoe?
Christien zit in de kerk. Het is zondagavond. De preek gaat over Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus. Tijdens het voorlezen van de Zondag treft haar één stukje van het antwoord op vraag 27: "dat gezondheid en krankheid (...) en alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen."
Haar gedachten gaan een paar uren terug. Ze ziet zichzelf weer zitten naast een jonge vrouw, 36 jaar, getrouwd, moeder van vier kinderen. De radeloze en opstandige blik in haar ogen: "Waarom ik? De arts zegt dat hij niets meer doen kan! Maar hoe moet dat dan met mijn man en m'n vier kinderen. Ze zijn. nog te klein om hun moeder te verliezen."
De laatste woorden braken af in een snik, de vrouw was even "alleen maar verdrietig." En Christien zat ernaast.
Wat had ze te zeggen tot deze vrouw? Zij, 21 jaar en gezond... Ze had haar hand op die van de vrouw gelegd en weinig gezegd.
En nu... "niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen." Wat is dan Gods bedoeling met het lijden van die jonge vrouw?
Cbristiens gedachten vliegen enkele jaren terug. Haar eerste stage in het ziekenhuis. Een kort gesprekje met een man van 64 jaar: "ja, ik ben ongeneeslijk ziek en het zal allemaal niet lang meer duren. Maar ik ben niet bang voor wat komen gaat. Het moeilijkste is het om m'n vrouw en kinderen los te laten. Soms mag ik ernaar uitzien voor altijd bij de Heere te mogen zijn en Hem groot te mogen maken. Het is ook door mijn zonden dat het lijden in deze wereld is gekomen en toch wil de Heere nog genadig en barmhartig zijn. Wat een wonder dat God me nog de tijd geeft om afscheid te nemen..." Christien, had stil geluisterd en 's avonds op haar knieën het gesmeekt: Heere, geef ook mij dat geloof. Het is door mijn zonden dat het werk dat ik doe nodig is, maar U bent nog genadig en barmhartig.
Christien is weer in de kerk met haar gedachten. Wat die meneer toen zei, was eigenlijk met andere woorden hetzelfde als "dat ziekte en gezondheid niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen."
Ze gaat even verzitten. Kom, luisteren nu, vermaant ze zichzelf. Misschien hoor ik vanavond het antwoord op de vele vragen die tijdens of na m'n werk in me op kunnen komen.
Uit de kerk fietst Christien mee met Carla, een vrouw van rond de veertig en moeder van zes kinderen.
"Wat erg hè, " begint Carla gelijk, "dat wij toch altijd maar zo gewoon doorleven. In voorspoed dankbaar zijn, wat breng ik daar weinig van terecht. Als ik zie hoe goed ik het heb met een lieve man, boeven van kinderen, een mooi huis. Natuurlijk is er wel eens wat, maar toch..." Stil fietst Carla door.
Christien kijkt haar even van opzij aan. Over voorspoed heeft Carla het. Terwijl ze weet dat Carla en Ton met kunst-en vliegwerk iedere maand moeten rondkomen van het minimale inkomen van Ton. Dat hij twee avonden per week moet overwerken om wat extra's te hebben; zodat ze nieuwe winterjassen kunnen kopen voor twee van de jongens. En toch: Carla klaagt er nooit over. Zij en Ton hebben ook afgesproken dat hij niet nog vaker gaat overwerken. Hij moet ook tijd voor z'n gezin hebben. Christien komt graag bij hen.
Met Carla kan ze heerlijk babbelen over haar werk. Wonderlijk eigenlijk, want Carla heeft helemaal geen werkervaring in de "sociale sector".
Carla onderbreekt haar gedachten: "En dan dat naar de toekomst toe vertrouwend zijn. Weet je dat ik er haast wakker van kan liggen als ik bedenk in welke wereld en omstandigheden onze jongens op moeten groeien!"
"Kan ik me voorstellen, " knikt Christien nu, "en dan ga je er nog vanuit dat jij zelf dat opgroeien meemaakt en hen met je liefde kunt omringen..." Nu kijkt Carla opzij. Ze dacht al dat er iets dwars zat bij Christien en deze opmerking bevestigt haar vermoeden.
"Was het een moeilijke dag voor je vandaag? " informeert ze.
Christien kijk verrast opzij. Dat is nou echt Carla, die heeft maar een half woord nodig.
Christien vertelt van die middag, haar ontmoeting met de ernstig zieke jonge moeder. En: haar zwijgen.
"Ze kunnen tijdens je opleiding zo mooi zeggen dat je invoelend moet zijn en dat de hand vasthouden genoeg is, maar ik vind het zo arm als ik bedenk dat die vrouw sterven moet! Ik weet niet eens of ze christelijk is, ik wist gewoon niet wat ik zeggen moest. Ik heb veel te weinig gezegd! En dan die preek. Ik vind het zo moeilijk dat God ook dit lijden in Zijn hand heeft."
"ja, wat moet je zeggen tegen zo'n vrouw. Als ik me voorstel dat ik daar in bed zou liggen in de wetenschap dat ik moest sterven... In tegenspoed geduldig zijn, daar is net zo goed genade voor nodig, Christien. Ik weet niet of het zo erg is, dat je niets gezegd hebt. Die vrouw was heel erg verdrietig, zou ze dan horen wat je zegt? Haar hoofd en gedachten zaten alleen maar vol tranen, dan is die hand van jou toch wel heel belangrijk, denk ik. je moet morgen toch weer werken? Wie weet welke gelegenheid zich nog voordoet.
En wat je laatste opmerking betreft, dat is heel moeilijk. Ik denk nu: waarom zij en niet ik? Wat is de Heere nog barmhartig, dat ik gezond ben en er nog voor m'n jongens kan zijn. En dat terwijl het ook door mijn zonden is dat het lijden in de wereld is gekomen. Ik ben vaak helemaal niet dankbaar in m'n voorspoed en ik heb nog minder vertrouwen in de toekomst.
De Heere is daar vrij in, Christien, dat maakt het wonder van Zijn genade in mensenharten zo groot!"
Ze zijn inmiddels bij het huis van Carla aangekomen.
"Ga je nog even mee? " vraagt Carla.
Christien twijfelt - het is altijd gezellig, maar... "Nee, " besluit ze dan."Ik ben moe en morgen heb ik avonddienst, dus dan wordt het ook weer laat."
"Zul je een beetje uitslapen morgen? En kom anders van de week een keer een 'bakkie' halen." zegt Carla nog snel.
"'k Zie nog wel hoe het allemaal loopt. Volgend weekend zit ik in de wacht en deze week heb ik ook nog een dag cursus. Ik bel je wel als ik kom..."
Met een zwaai naar de kinderen die voor het raam staan, neemt ze afscheid.
"Ook door mijn zonden..." klinkt het nog na in haar hoofd als ze verder fietst. Hetzelfde zinnetje als die meneer in haar eerste stage zei. Het heeft toen diepe indruk op haar gemaakt, maar langzamerhand is dat weer weggeëbd. Soms komt het ineens weer boven, zoals vanavond.
Ineens beseft ze dat ze alleen maar voor anderen heeft zitten luisteren. Hoe het lijden te plaatsen is onder Gods voorzienigheid. Maar zijzelf dan? Carla hield het tenminste bij zichzelf, die zei dat: ook door mijn zonden...
Hoe is het voor haar, Christien, in voorspoed, naar de toekomst toe en... hoe zou het in tegenspoed zijn?
Als Christien die avond naar bed gaat en haar Bijbel pakt, schiet er ineens door haar hoofd: "Als je niet weet wat je zeggen moet, laat dan Gods Woord maar spreken". Het werd gezegd op een avond voor werkers in de gezondheidszorg, toen het ging over de roeping en taak als christen-werker. Zal ze dat durven, morgen? Maar wat moet je lezen? "Lees bijvoorbeeld een gedeelte uit een Psalm, " was er die avond gezegd. Christien bladert wat in de Psalmen en leest tenslotte Psalm 73. Ook Asaf had zijn vragen, "het was moeite in mijn ogen." (vers 16), ook hij zag op zijn zonden, "maar mij aangaande..." (vers 2) en "ik was een groot beest bij U" (vers 22). Toch wist hij zich geborgen en was God Zijn uitzicht. "Nevens U lust mij ook niets op de aarde!" Haar ogen blijven hangen op het laatste vers: "Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op de Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen." Weer moet ze denken aan die meneer tijdens haar eerste stage. Hij kon verteilen van Gods werken. Maar zij, wat kan zij vertellen? Kón ik dat maar zeggen, dan zou ik wel kunnen en durven praten...
De volgende middag gaat Christien toch wat gespannen naar haar werk. Hoe zal ze die mevrouw aantreffen?
Zal ze de moed hebben om te vragen of ze een stukje uit de Bijbel mag lezen voor haar? Tijdens het lezen van de rapporten mist ze het dossier van de jonge vrouw. Ze vraagt een collega ernaar en schrikt van het antwoord:
"O die, die is vanmorgen naar de IC gebracht. Ze is heel benauwd geworden, het is niet goed duidelijk wat er precies aan de hand is."
"Te laat, " flitst het door Christien heen. "Och kom, misschien valt het nog mee en komt ze gewoon weer terug op de afdeling, " gaat het daarna door haar heen." In ieder geval hoeft ze nu de confrontatie met haar niet aan, dat lucht toch een beetje op.
Ze werkt fijn die avond, maar toch staat steeds de jonge vrouw haar voor ogen.
Als ze na haar dienst bij de uitgang dan ook een collega van de Intensive Care treft, kan ze niet nalaten naar haar te vragen.
"Ja, triest hè, dat is zo snel gegaan, om acht uur vanavond is ze al overleden..." "Overleden? " stamelt Christien. Verschrikt kijkt ze haar collega aan.
"Ja, niemand begrijpt het precies, 't Ging heel snel en dan zo jong..." Christien zegt niet veel meer als ze haar fiets pakt. Automatisch rijdt ze
naar huis en maakt ze zich klaar voor de nacht.
"Te laat, te laat, voor haar te laat", dreint het door haar hoofd.
Opnieuw leest ze die avond Psalm 73. "Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid".
Kende die jonge vrouw een leven met de Heere, of was ze ver van Hem?
Christien weet het niet. "Het is door mijn zonden." Ze beseft ineens hoe ver dat gaat. Maar ook dat zij zelf ook zo ver van de Heere staat. Verward in haar gedachten en verdriet valt ze in een onrustige slaap.
De volgende morgen is ze vroeg wakker. Ze kan tot niets komen die morgen. Om tien uur besluit ze even een 'bakkie' bij Carla te gaan doen. Ais ze bij Carla de keuken inkomt, kijkt deze verrast, maar als ze het gespannen gezicht van Christien ziet, zegt ze: "Gezellig, ik ben helemaal alleen en liep juist te bedenken dat koffiezetten voor mij alleen zo ongezellig is..."
Christien valt op een keukenstoel neer en zegt gesmoord: "O Carla, die jonge vrouw is gisteravond gestorven en ik heb niets gezegd!"
Christien huilt. Carla legt even een hand op haar schouder: "Meid, wat erg...! Huil maar even, dan ik zet koffie".
Onder het koffiezetten denkt Carla: "Wat moet ik zeggen. Het is ook moeilijk als je met zulke dingen te maken krijgt, zeker als je nog jong bent en zelf zoveel vragen hebt."
Ze praten helemaal niet zoveel, maar het doet Christien goed om zo maar even hier te zijn.
Een uurtje later fietst ze naar huis. Terwijl ze haar eten staat te koken, bedenkt ze hoe waardevol het is om iemand als Carla te hebben: iemand bij wie je zomaar even binnen kunt waaien. Bij wie je even je verhaal kwijt kunt, waaivan je weet dat ze meeleeft. Alleen dat is al belangrijk.
Om twee uur fietst Christien richting het ziekenhuis, klaar voor de avonddienst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1998
Daniel | 32 Pagina's