Uw spraak maakt u openbaar"
"Hartelijk welkom op deze schone morgen, na al die droeve regen, die we gehad hebben in de afgelopen weken. We mogen vanmorgen wel zeggen: "Uw trouw is groot." Wat zien we toch vaak voorbij aan de tekenen, die de Heere werkt in het rijk der natuur. De Heere betoont zich een waarmaker van Zijn eigen Woord, namelijk: "dat zomer en winter, zaaiing en oogsten niet zullen ophouden."
Met deze woorden opent ds. C. A. van Dieren de huishoudelijke vergadering. In het u voorgelezen Schriftgedeelte, Hooglied 1, bidt de bruid in vers 4: "Trek mij, dan zullen wij U nalopen." Wat kan een mens in de put zitten. Zelfs de meest opgewekte mens heeft wel eens tijden, dat hij zich afvraagt hoe het verder moet. Het beeld van een put treffen we in de Bijbel aan bij Jeremia. Tijdens het beleg van Jeruzalem wordt Jeremia door de koning van Israël in een put geworpen. Hij ziet de dood dan voor ogen en voelt zich steeds verder wegzinken in deze modderpoel. Ook Jozef werd in een put geworpen. Zo'n put was van boven breed en van onder smal. Men kon alleen uit deze put gered worden door hulp van buitenaf. In zo'n put zit de bruid uit het Hooglied, ja, zitten wij van nature allemaal.
In Hooglied is aan de ene kant sprake van Christus, de Bruidegom, Die spreekt tot en over Zijn bruid. Daarnaast lezen we van de bruid, de gemeente Gods, die spreekt tot en over haar Bruidegom, namelijk Christus. De oudvaders spreken bij de tekst: 'Trek mij, wij zullen U nalopen", over een eerste trekking en over een nadere trekking. De eerste trekking is het getrokken worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, waar de apostel Paulus van spreekt.
Eén van de oudvaders merkt hierbij op dat God velerlei koorden van goedertierenheden tot een mens in de put neerlaat om hem eruit te halen. Hij noemt hierbij de zegeningen, de bestraffingen of de beproevingen en allerlei bemoeienissen die God houdt in de consciëntie van de mens. Een mens echter stoot al deze koorden tot zijn redding van zich af. Dan zegt diezelfde oudvader: "Er zijn sterkere koorden nodig, namelijk de koorden des Geestes."
Dit nu is het wondere werk van de grote Bruidegom, van de Gezalfde Gods. Hij heeft Zichzelf vernederd tot in de diepste put van de Godverlatenheid, om Zijn bruid uit de kuil van modderig slijk te verlossen. Wanneer dit werk in ons leven plaatsvindt, gaan we roepen uit onze verloren staat: "Voer mij uit mijn gevangenis." Ze moeten uit de put van het verloren gaan voor God, om eigen schuld, getrokken worden. Dag en nacht roepen ze en kunnen niet rusten voor ze eruit gehaald worden. Op zulken ziet de Heere neer, want het is Zijn eigen werk.
Nu gaat het in deze tekst bijzonder om de bruid. Zij weet tot Wie zij roept, tot een Persoon Die zij kent. Het is een geloofsroepen tot een Christus, Die Zich verborgen houdt. Ze kan Hem niet missen. Ze kent Zijn spreken en de kracht van Zijn tegenwoordigheid in haar leven. Wanneer er gezegd wordt tot de bruid, ga naar de Heere jezus toe. Dan zegt ze: "Hoe zou ik toch kunnen? "
De één zit in de put van het ongeloof, een ander in de put van de strijd, van de zonde en ongerechtigheid. Ze weten en geloven echter dat er Eén is Die hun helpen kan. Net als Bartimeüs roepen ze: " Gij Zone Davids, ontferm U mijner." De bruid geeft hoog op van haar Bruidegom en getuigt gelijktijdig, dat er bij haar niets is. De bruid, die in de put zit, is bang geworden van zichzelf. Ze is immers een wegloper, een vooruitloper.
Al onze eigen wegen eindigen in het duister, in de put. Uit de vreze voor zichzelf zegt ze: "Wij zullen U nalopen." Ze krijgt een begeerte tot Zijn profetische bediening.
"Gij hebt de woorden des eeuwigen levens." Dan staat er een naakte zondaar, die ontdekt is, dat hij met al zijn eigengerechtigheden voor God niet kan bestaan. Dan ligt er zo'n beminnenswaardigheid in Zijn persoon, dat ze Christus willen volgen, door bezaaide en onbezaaide wegen. Het volgen door bezaaide wegen is een aangename weg. Onze ziel wordt dan verzadigd uit de vrucht van Zijn profetisch werk. Maar wanneer de weg van de rechtsveivulling gelopen moet worden, door het onbezaaide land, dan komt openbaar dat we vijanden van deze weg zijn. In Hooglied 1 leeft de bruid vanuit haar keus om Hem te volgen.
In Hooglied 5 komt er een tijd dat de bruid geen liefde, geen begeerte meer heeft om de Bruidegom te volgen. Dan is het nodig dat Hij Zelf komt om de scheiding weg te nemen en om door liefdekoorden te brengen tot Hem en tot Zijn gemeenschap.
Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde toe. Daarom gaat Hij de weg banen en "wij zullen U nalopen." Dit kan, omdat Christus de Zijnen door Zijn eeuwige Middelaarsliefde
inwint, om door Zijn weg en door Zijn verdienste alleen zalig gemaakt te worden.
De Heere zegt dat we in al onze zorgen en noden Zijn aangezicht zouden zoeken. Roepers vanmorgen, hef uw stem op, doe uw mond maar wijd open, Ik zal ze vervullen. Er is er Eén, die hoort het geroep Zijner ellendigen en vergeet het niet in eeuwigheid. De Heere doe Zijn Kerk en volk onder ons leven onder de2e bede, want die zal tot het laatste toe nodig zijn: "Trek mij, wij zullen U nalopen."
Huishoudelijk gedeelte
Na het zingen van Psalm 17 vers 3 leest mevrouw De Blois, zoals gebruikelijk, de notulen voor van de huishoudelijke vergadering gehouden 30 september 1997. Daarna worden de jaarverslagen doorgenomen, die aan de besturen van de verenigingen zijn toegestuurd.
De presidente, mevrouw C. A. Kaslander-Goedegebuur, maakt de uitslag van de bestuursverkiezing bekend. Met algemene stemmen zijn de dames j. de Blois-van Kempen, A. Kooij-den Besten en). C. Roest-van den Bos herkozen. Het huishoudelijke gedeelte van deze morgen wordt met een rondvraag besloten en nadat de dominee de morgen met gebed geëindigd heeft, is het tijd voor de middagpauze.
Pauze
Allerlei verenigingen hebben handwerkideeën meegenomen, zodat anderen deze als voorbeeld weer mee kunnen nemen om te laten zien op hun eigen vereniging. Het is bij de tafels, waar de voorbeelden te zien zijn, dan ook een drukte van belang. De nieuwste uitgaven van het lectuurfonds en het nieuwe deeltje van Sprokkelhoutjes worden door velen gekocht, om hieruit voor te lezen op de verenigingsavonden. Tegen half twee worden we allemaal door het orgelspel opgeroepen om de plaatsen in de kerk weer in te nemen.
Middagvergadering
Nadat ds. Van Dieren de middagvergadering met gebed, samenzang en bijbellezing geopend heeft, krijgt de heer K. Kareis uit Veenendaal het woord. Zijn referaat draagt de titel: "Uw spraak maakt u openbaar".
De tijd waarin we leven wordt gekenmerkt door het materialisme, iets dat onze cultuur, maar ook ons doortrekt. Het is ook een tijd van hoogmoed en van wereldbeheersing. Denk aan de technische ontwikkelingen, zoals Internet, die ook onze gezinnen bedreigen. Het is echter ook een tijd, waarin de Heere doorgaat met Zijn werk en bouwt aan Zijn Kerk, niet alleen op de zendingsvelden, maar ook in ons land. Er is veel duisternis in het uitleven van het materialisme en de hoogmoed, Wij staan in het midden van onze gemeenten, maar ook midden in de wereld. Dan komt het onderwerp van deze middag als een vraag naar ons toe: "Maakt uw spraak u openbaar? " Hierbij kunnen we denken aan de Christenreis van Bunyan.
Bunyan vertelt hoe Christen en zijn vriend Getrouwe op de weg naar de hemelstad moeten reizen over de Ijdelheidskermis.
We lezen dan: "Deze pelgrims (gelijk ik te voren zei) moesten noodzakelijk door deze kermis; gelijk zij ook deden. Maar zie! zodra zij hun voeten daar gezet hadden, kwam er een grote opschudding onder aI de kermisgasten, en de stad zelve was rondom hen geheel beroerd; en dat om verscheiden redenen, want deze pelgrims waren bekleed met een gewaad dat zeer veeI verschilde van het gewaad der Heden, die hier kermis hielden. Elk zag hen derhalve aan en alle ogen stonden op hen; sommigen zeiden, dat het zotten en gekken waren, anderen zeiden: het zijn uitlanders. Ten anderen: gelijk zij zich verwonderden over hun kleding, zo waren zij niet minder verwonderd over hun taal. Want daar waren er weinigen die hen verstaan konden; zij spraken natuurlijk de tale Kanaans, en zij die hier kermis hielden waren de mensen van deze wereld; zodat zij elkander van het ene einde van deze kermis tol het andere einde niet konden verstaan. Maar hetgeen de kooplieden niet weinig verzette, was dat deze pelgrims al de waren, die hier geveild werden zeer weinig achten; ja niet zoveel dat zij die eens wilden aanzien; en als men hun toeriep, dat zij wat zouden kopen, staken zij hun vingers in de oren en riepen: "Wend mijne ogen af opdat zij geen ijdelheid zien"; en opwaarts ziende, gaven zij te kennen, dat hun burgerschap en wandel in de hemel was."
Het hart dat bewerkt is door Gods Geest spreekt de tale Kanaans, dan spreken we een andere taal dan de taal van de wereld. In de Bijbel lezen we slechts één keer over de tale Kanaans.
In het u voorgelezen schriftgedeelte, Jesaja 19:18 lezen we: Sprekende de sprake Kanaans." In dit hoofdstuk gaat het over de landen Babel, Egypte en Kanaan. Babel ligt honderden kilometers van Kanaan vandaan. De Bijbel gebruikt Babel en Assyrië door elkaar. Babel is de stad en Assyrië is het land. We willen aan de hand van deze drie landen het hebben over de bijzondere gesteldheden des harten.
Voor een goede uitleg van Babel moeten we terug naar Genesis 11.
Uit dit gedeelte komt ook een spraak naar voren, namelijk de spraak van de hoogmoed. In de toren, die gebouwd wordt, zien we het beeld van een wereld, die aan de mensen onderworpen moet worden.
Dit beeld van de wereld-beheersende mens zien we vandaag aan de dag in onze maatschappij terug: "Wij willen als God zijn." De Heere zendt in Babel echter verwarring . Wordt ook onze tijd niet gekenmerkt door verwarring? Zien wij ons eigen beeld uitgetekend in de inwoners van Babel? Een mens die in zijn hoogmoed niet aan God onderworpen wil zijn?
Toch ligt er hoop in dit hoofdstuk, want de Heere roept ook uit dat Babel Zijn kerk. Aan het einde van Genesis 11 en het begin van het twaalfde hoofdstuk lezen we hoe de Heere Abram uit dat Babel gaat halen en brengen in het
land Kanaan. Daarin ligt moed voor u en voor mij, dat de Heere Zijn overblijfsel gaat halen uit Babel.
Het tweede land waarover we lezen is Egypte. In Egypte was men afhankelijk van de rivier de Nijl. We lezen hiervan in Deuteronomium 11 : 10. Egypte is niet afhankelijk van de regen des hemels, het is een vlak land en wordt vanuit de aarde gevoed. De Egyptenaar leeft gerust in een vertrouwen op de rivier; hij stelt zijn vertrouwen op deze aarde. Maar uit datzelfde Egypte leidde de Heere Zijn volk en bracht ze naar Kanaan.
Hoe is het met u en met mij? Hebben we onszelf wel eens gezien als Egyptenaren, die onafhankelijk van de Heere hun weg gaan?
Leven we nog even gemakkelijk voort, is ons hart verhard of mochten we door Gods Geest Zijn wetten leren? Is uw hart uit de zonde gehaald en is dit openbaar gekomen in uw gelaat, uw gewaad, uw spraak en uw daad? Hoe gaan we het nieuwe verenigingsjaar in? Doen we dit in eigen kracht, als een Egyptenaar, of hebben we in ootmoed de sprake Kanaans geleerd?
Kanaan is het land van de bergen en de dalen. In Deuteronomium 11:12 lezen we: Een land, dat de Heere uw God bezorgt; de ogen des Heeren uws Gods zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars." Het volk moet bergen beklimmen, ze weten niet wat er achter de top ligt, maar moeten vertrouwen dat de Heere doorhelpt.
Wanneer we inwoners mogen zijn van het land Kanaan, mogen we het van de Heere verwachten. De Heere zal de ware Kanaaniet niet beschamen. De Heere wil Zijn zegen geven, zowel in het persoonlijke als ook over het verenigingswerk.
De inhoud van die taal staat in de jesaja 19:20 en 21: En het zal zijn tot een teken en tot een getuigenis den Heere der heirscharen in Egypteland; want zij zullen tot den Heere roepen vanwege de verdrukkers, en Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal het verlossen. En de Heere zal de Egyptenaars bekend worden en de Egyptenaars zullen de Heere kennen te dien dage; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer en spijsoffer, en zij zullen de Heere een gelofte beloven en betalen."
In dit gedeelte komen we de drie stukken uit de Heidelberger Catechismus tegen namelijk; ellende, verlossing en dankbaarheid. De ellende zien we als er staat: "Want zij zullen tot de Heere roepen vanwege de verdrukkers."
"En Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen, " spreekt ons van het stuk der verlossing. Van de dankbaarheid lezen we: "En zij zullen de Heere een gelofte beloven en betalen." In de laatste verzen van Jesaja 19 lezen we dat de Heere het niet bij het joodse volk alleen heeft gelaten. De Heere heeft Zijn woord laten uitgaan over het rond der aarde, naar Babel en Egypte. Er zal te dien dage een gebaande weg zijn, van Egypte naar Assyrië. Deze weg gaat door het land Kanaan heen. De Assyriërs en de Egyptenaars zullen samen komen in het land Kanaan.
De Heere heeft hen hier gebracht, om Hem te dienen en Hem te loven.
In de tijd die voor ons ligt, in het verenigingsseizoen, gunnen we u van harte, dat u zo bezig mag zijn op de plaats, waar de Heere - u gesteld heeft. Hoe groot is het voorrecht, dat we op die plaats de tale Kanaans mogen spreken vanuit een hart, dat door God bewerkt is.
Na zijn referaat beantwoordt de heer Kareis nog enkele vragen. Ds. Van Dieren dankt de spreker voor het houden van zijn referaat. Hij wenst de bestuursleden van de verenigingen voor het nieuwe seizoen wijsheid, eenvoudigheid en bovenal Gods hulp toe. De heer Kareis eindigt de middag met het laten zingen van Psalm 119:32 en dankgebed.
Ook deze huishoudelijke vergadering is weer ten einde. Dat Psalm 119:86, die we aan het begin van de middag gezongen hebben, voor ons allemaal de praktijk van ons leven mag zijn.
Don vloeit mijn mond steeds over van Uw eer, Gelijk een bron zich uitstort op de velden; Wanneer ik door Uw Geest Uw wetten leer, Dan zal mijn tong Uw redenen vermelden
's-Gravenpolder
j. C. Roest-van den Bos
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1998
Daniel | 32 Pagina's