JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het geheim  van Guo en Huang

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het geheim van Guo en Huang

17 minuten leestijd

Twee minuten later trekt de vrachtauto op en heeft Yong alle aandacht nodig om de kuilen en hobbels in de weg te ontwijken. Veel verkeer is er hier niet. Tijdens de verhuizing is er niet een auto voorbijgereden. Het duurt niet lang of de drie kindertjes zijn in slaap gevallen. Het is wel warm in de cabine, maar veel en veel geriefelijker dan bovenop de schommelende lading. En ze zijn al zó lang op reis en zó moe! Guo zou veel liever op de achterste plaats bij de drie kinderen gebleven zijn. Hij voelt zich zo ongemakkelijk, want Yong moet op de weg letten en de vrouw zegt geen woord. Ze ziet er moe uit en ook verdrietig. Waar zou ze vandaan komen? Ze is vast heel arm, anders ga je niet met een handkar verhuizen. Dan word je opgehaald door een vrachtwagen, net als zij. Daar konden alle meubels in en zijn speelgoed en de pannen waarin moeder het eten klaarmaakt en vaders gereedschapkist en Zhou's... Guo wordt uit zijn herinneringen opgeschrikt door de stem van de vrouw die hem vraagt of Yong zijn vader is. Hij haast zich om te zeggen dat dat niet zo is.

"Hij is de chauffeur van de fabriek waar mijn vader werkt en ik mocht gisteren en vandaag met hem mee. Hij kon best een knecht gebruiken, zei hij. En vannacht heb ik in de auto slapen. Niet alleen hoor, Yong bleef ook in de auto. Nu rijden we weer naar huis. Yong moet straks nog een kapotte machine ophalen, in Tjensin." "Waar woon je? "

"In Hang-lian. Dat is niet zo ver meer hier vandaan."

Het blijft weer stil. Dan verzamelt Guo al zijn moed en vraagt: "Bent u aan het verhuizen? "

De vrouw knikt.

"Waarom doet u dat met een handkar? Wij zijn met de wagen van Yong verhuisd. Maar wij woonden in Metong. Wel zeven uren rijden. Dan kun je natuurlijk niet lopen, dat is veel te ver. Woonde u ver weg? "

"Nee", zegt de vrouw, "niet zo heel ver hier vandaan. Wij zijn gisteren om 11 uur in de morgen weggegaan. Vannacht hebben we buiten geslapen. Dat ging gelukkig want het was warm weer. En vanmorgen zijn we al heel vroeg op pad gegaan en toch zijn we pas tot hier gekomen. Het gaat niet zo vlug als je een zware kar moet trekken."

"Heeft dan niemand u geholpen? ", vraagt Guo verbaasd. "Was er niemand die een auto had of een kar met een paard of een muilezel? "

"Nee, niemand", zegt de vrouw en haar stem klinkt heel verdrietig. "Waarom niet? " wil Guo weten.

Lee Chong aarzelt even. Moet ze het zeggen? Moet ze zo'n ventje vermoeien met dingen waar hij waarschijnlijk geen weet van heeft? Moet ze het vertellen van de plagerijen en de gemene leugens en valse beschuldigingen? Nee, beter van niet. Maar toch... ze moet wel een antwoord geven op zijn vraag. "Wij woonden zeker al zes jaar jaar in Pingwé, zo heet het dorpje waar wij vandaan komen", begint ze wat aarzelend, "toen er een man kwam die vertelde dat er een God was, Die alles geschapen heeft. De bergen, de bloemen, de bomen, de dieren en ook de mensen. Dat was nieuw voor ons, daar hadden wij nog nooit van gehoord. De mensen in Pingwé lachten hem uit. "Dat kan nooit", zeiden ze. Maar na enkele maanden geloofden wij en ook anderen wat die man vertelde. Wij kwamen een paar keer per week samen om te luisteren naar het Woord van God, maar vaak maakte de regen het onmogelijk om buiten samen te komen. Mijn man, Teng Su, zei dat de samenkomsten maar bij ons gehouden moesten worden. Wij hadden een schuur bij het huis, waar wel 60 mensen in konden. Dat ging zeker twee jaar goed en er kwamen soms wel meer dan 100 mensen. Maar gisteren is de voorganger die ons uit het Boek van God onderwees, samen met mijn man gevangen genomen. En wij werden uit ons huis gezet en het dorp uitgejaagd. We mochten gelukkig voedsel en drinken, ons beddengoed en wat huisraad meenemen. Een buurman gaf ons zijn oude handkar. "Hier, die heb ik toch niet meer nodig", zei hij. "Vraag maar aan je God, Die immers alles kan, of Hij hem wil trekken. En Hij kan toch wonderen doen? Nou, misschien krijg je wel een auto van Hem."

Ik zei dat hij niet zo mocht spotten, maar hij haalde zijn schouders op. "Maak maar gauw dat je wegkomt." Ik bedankte hem voor de kar en zei dat ik voor hem zou bidden, maar dat laatste hoorde hij niet meer, want hij liep gauw zijn huis binnen."

Guo heeft met ingehouden adem geluisterd. Wat gemeen om zomaar zonder dat je iets gedaan hebt, uit je huis gejaagd te worden.

"U was zeker wel heel erg boos op de mensen uit Pingwé."

"Nee, want de Zoon van God heeft gezegd dat als je Hem volgt, je erop rekenen moet datje ook met Hem lijden moet. En weggejaagd te worden is niet zo erg als gevangen genomen of naar een werkkamp gestuurd te worden."

"Is...eh, waar is uw man nou? " "Ik weet het niet, maar de Heere God weet het wel en Hij zal voor hem ons zorgen."

"Amen!", zegt Yong uit de grond van zijn hart. Hij heeft al die tijd geen woord gezegd, maar met grote aandacht naar Lee Chong geluisterd. Guo wil nog wat vragen, maar krijgt er geen gelegenheid meer voor, want Yong rijdt Tjensin binnen. "Ik ben zo terug", zegt hij.

Nou dat is waar, het karwei is gauw geklaard en als Yong met een grote plastic tas in zijn hand weer instapt, zegt hij: "Nu rijd ik naar gindse heuvels. Daar zet ik de auto even neer en dan vertel ik welk plan ik heb uitgedacht." De kinderen zijn wakker geworden en vragen honderd uit. Lee Chong zegt dat ze rustig moeten blijven.

Een goede drie kilometer verder rijdt Yong een weg in die tussen twee heuvels loopt en op enkele plaatsen zo smal is, dat het gelukkig is dat ze geen andere auto tegen komen.

"Zo, hier stoppen we. We gaan eerst even een kop thee drinken."

Hij doet een greep in de tas die hij meebracht en haalt er een grote thermoskan uit en een paar papieren bekertjes. Die zet hij in een houdertje met een oortje en schenkt er twee helemaal vol. "Die zijn voor Lee Chong en mij, die van jullie doe ik maar tot de helft. Zo ieder nog een heerlijke koek en als jullie het op hebt, ga je maar even buiten spelen, jammer dat je je bal niet bij je hebt, Guo."

Guo lacht even. Zijn bal! Poe, die ziet hij straks wel. Wat hij nu allemaal meemaakt, oh dat zou hij voor geen duizend ballen willen missen.

Het staat in Zijn Woord

Guo ligt weer in zijn eigen bed, maar de slaap wil niet komen. De laatste woorden die Lee Chong tegen hem zei, voordat ze wegreden, houden hem klaar wakker.

"Zie je wel, Guo dat de Heere God voor ons zorgt? Wat Hij belooft, doet Hij! Het staat in Zijn Woord en dat Woord kan niet liegen."

"Wat heeft de Heere God u dan beloofd? "

En toen zei Lee Chong de woorden die hij nooit meer zal vergeten. "Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten!"

"Heeft Hij dat ook tegen uw man Teng Su gezegd? Die zit nou toch in de gevangenis? Kan God daar ook tegen hém spreken? ", had hij gevraagd, "ja, ook tegen hem." En dat zei Lee Chong zo, dat hij het moest geloven of hij het wilde of niet.

Guo zucht heel diep. Hij is bijna 9 jaar en alles wat hij hoort uit het Boek van God, och daan/an kan hij nog geen honderdste deel van bevatten, maar wat Lee Chong zei, dat blijft haken in zijn jonge hartje. Hij kan het niet onder woorden brengen, maar dat Lee Chong gelukkig is, staat voor hem als een paal boven water. Veel en veel gelukkiger dan hij. Hij heeft een vader, die veel geld verdient en een moeder en een zus die voor hem zorgen, hij woont in een fijn huis en Lee Chong beeft alleen haar kinderen en wat beddengoed en een paar stoelen. Ze weet niet eens waar haar man is. Misschien leeft hij wel niet meer en toch...

Opnieuw zucht Guo diep. En wat hij nog nooit gedaan heeft, doet hij nu. Hij vouwt zijn handen en vraagt: "Heere God mag ik als 't U blieft ook zo gelukkig worden als Lee Chong? "

Nog geen 20 kilometer van Guo's dorp vandaan ligt ook nog iemand wakker. Het is Lee Chong. De dingen die vandaag zijn gebeurd, houden haar uit de slaap.

"jullie God kan toch wonderen doen? Misschien krijg je wel een auto van Hem!"

Wonderen, ja de Heere hééft wonderen gedaan! Hij zorgde zelfs voor een auto, zodat ze uit kon rusten en nu hier in dit huis is, samen met Huang en Bei en Ming.

"Ik zorg voor u, Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten."

Dat is waarheid geworden. En Yong is het middel geweest in Gods hand, dat alles zo is gelopen.

"Ik heb een plan, Lee Chong", zei hij toen de kinderen buiten de auto met elkaar aan het spelen waren, "jij komt met Huang en Bei en Ming bij mij in huis. Ik maak voor mezelf wel een slaapplaatsje in de schuur, die is groot genoeg."

Lee Chong zucht diep. Ze vouwt haar handen, ze vraagt: "Heere wilt U als "t U blieft ook voor Teng Su zorgen in de gevangenis? Wilt u hem de kracht geven om wat er ook gebeurt, staande te mogen blijven."

Alweer een verhuizing

"Weet je wie er gaan verhuizen? " Guo schudt zijn hoofd en kijkt zijn moeder vragend aan.

"Lee Chong!"

"Oh, waar gaat ze wonen? Mogen Huang en Bei en Ming ook mee? " Moeder lacht. "Natuurlijk, wat zou je ervan denken als vader en ik gingen verhuizen en Zhou en jij moesten hier blijven? "

Nou moet Guo toch ook even lachen.

Nee, als je vader en moeder ergens anders gaan wonen, nemen ze hun kinderen natuurlijk mee.

"je mag raden waar ze naar toe gaan."

"Misschien mogen ze wel weer in Pingwé gaan wonen? "

Moeder schudt van nee.

"In de schuur van Yong, want hij zal best wel weer eens in zijn eigen huis willen slapen."

"Nee." "Nou dan weet ik het niet, zegt u het maar."

"In Hang-lian! Zij heeft werk gekregen als schoonmaakster in de machinefabriek van vader. Hoe vind je dat? "

Guo's mond valt open van verbazing. "Echt waar? Hoi, dan kan ik fijn met Huang samen naar school!" Hij maakt een rondedansje om de tafel van plezier.

"Hé, hé wat is dat hier? " klinkt plotseling vaders stem.

"O, vader, Huang komt hier wonen!" Vader Lin pakt zijn zoon beet en tilt hem in zijn sterke armen hoog boven zijn hoofd. Dan zet hij hem met een zwaai op de grond.

"Wat word jij zwaar", hijgt hij. "Straks ben je sterker dan ik."

Guo glundert. "Ik ben ook al bijna tien."

Yong krijgt een brief

In Toengtao gaat het leven zijn gewone gang. Yong heeft best wel moeten

wennen om weer alleen in zijn huis te wonen. Hij mist Lee Chong en haar drietal meer dan hij ooit bekennen zal. Maar zo is het ook goed. Het is een wonder dat er nooit naar haar is gezocht door mensen uit Pingwé, het dorp waaruit ze ruim een jaar geleden is weggejaagd. Hij komt regelmatig in alle dorpen in de verre omtrek, ook in Pingwé, maar hij heeft nooit iets van die aard vernomen.

Een maand geleden heeft Lee Chong een briefje gehad van Teng Su, haar man. Waar en wanneer het geschreven was, stond er niet in, maar wel dat hij het goed maakte en dat ze niet ongerust over hem hoefde te zijn. De ondertekening was: "Ik zal u niet begeven!" Wat schreide ze van blijdschap toen ze zijn schrift herkende, maar vooral om dat laatste zinnetje.

"Zie je wel, Yong! God heeft het beloofd en wat Hij belooft, doet Hij!" Wonderlijk eigenlijk dat in Pingwé dat toch zo betrekkelijk dichtbij Toengtao ligt, haat en vijandschap heerst tegen hen die de huisgemeenten bezoeken en dat in de andere dorpen de christenen met rust gelaten worden. Of moet hij zeggen nog met rust worden gelaten? Sinds een half jaar is er nu ook een huisgemeente in Hang lian. Die is nog niet groot, maarzij groeit!. Een evangelist uit Hengyang gaat er eenmaal per week voor. Het is een groot wonder dat Guo's vader al enkele weken regelmatig met zijn vrouw en kinderen de samenkomsten bezoekt. Och, als de Heere werkt, wie kan het dan tegenhouden!? Yong wordt in zijn gedachten gestoord door een man die met een envelop in zijn hand in de open schuurdoor verschijnt. Het is Zheng Yi, de bode van het dorpscomité.

"Voor jou, Yong", zegt hij en over zijn gezicht glijdt een gemeen lachje. "Dank je wel Zheng." Yong doet alsof hij dat niet gezien heeft.

"Maak em maar gauw open", grinnikt de bode.

Yong stopt hem echter rustig in de zak van zijn jasje en gaat zonder nog iets te zeggen met zijn werk in de schuur verder.

Wat teleurgesteld en mompelend van 'vuile christen' vertrekt Zheng. Zo gauw als hij echter verdwenen is, scheurt Yong de envelop open. Zijn ogen vliegen over de regels.

"Dorpsgenoot Yong. Wilt u de christelijke kerk niet meer bezoeken? Doet u dat ondanks deze waarschuwing toch, dan zult u geen deel meer mogen uitmaken van productiebrigade wat betreft de machinefabriek in Hang lian. U bent dan zonder werk! Het dorpscomité van Toengtao."

Yongs hart slaat even wat sneller dan normaal. Dat is klare taal! Met de brief in de hand loopt hij naar de schuurdeur, doet hem op slot en knielt neer. "Heere wilt U de brief ook lezen, als 't U blieft. Nu raakt het ook mij. U hebt Lee Chong in alles bijgestaan, zou U mij ook genadig willen zijn. Om jezus wil, Amen."

Met gebogen hoofd blijft hij even zitten. En God gééft antwoord, zo duidelijk dat zijn hart opspringt van blijdschap: "Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten!"

Zij kregen geen brief!

Ook in Hang lian is grote onrust gekomen in de nog jonge gemeente. Drie leden van de huisgemeente ontvingen ook zo'n brief, nu ondertekend door het dorpscomitévan Hang lian. Zij werken alle drie in de machinefabriek. Twee hebben geen waarschuwing gehad, zij ontvingen geen brief. Het zijn Lin, Guo's vader en Lee Chong. Vreemd. Zou het dorpscomité niet weten dat zij ook de huisgemeente bezoeken? Of zou het komen dat ze nog niet zolang de samenkomsten bijwonen? Als Yong de volgende dag even het gezinnetje van Lee Chong bezoekt, zegt zij "Wat zouden ze met ons voorhebben? Waarom kregen Lin en ik geen brief? "

Het is voor Yong ook een raadsel. "We moeten maar afwachten, Lee. Maar de Heere heeft jou en mij beloofd dat Hij ons niet zal begeven en niet zal verlaten."

Waar ben ik nou?

In een gevangeniscel, vochtig en donker, liggen twee kinderen. Ze zijn dicht tegen elkaar aan gekropen en slapen. Maar het is geen rustige slaap. Dan wordt de een wakker en voelt angstig met zijn handen om zich heen. Dan ontwaakt de ander en schopt met zijn benen roepend: "Waar ben ik nou? " Toch worden ze niet echt wakker. Geen wonder, ze waren ook zó moe! Ze hebben geroepen de een om zijn vader en moeder, de ander om zijn moeder en zusjes. Maar er was niemand die naar hen luisterde. En iedere keer beleefden ze dat angstige avontuur weer. En daarom liggen ze niet stil, daarom schopt de een met z'n benen en slaat de ander met zijn armen. Wat is er toch met die twee kinderen gebeurd? Waarom liggen ze hier in die enge, donkere cel?

Het is wel waar!

"Lee Chong!, Lee Chong! Er is zoiets ergs gebeurd!"

Hijgend staat Wang Yu, het klasgenootje van Guo en Huang voor Huangs moeder, die de was ophangt. Van schrik laat ze een jurkje van Ming, dat ze net aan de lijn wilde hangen, uit haar handen vallen."

"Huang en Guo zijn meegenomen door de politie!"

Lee Chongs hart staat een paar tellen stil van schrik. Ze kan even geen woord uitbrengen. "Wat, wat zeg je nou, Wang Yu? !"

"Ze kwamen in de klas en Guo en Huang moesten met hen mee. Ik ben gauw hierheen gehold om het te zeggen."

In een flits gaat het door haar heen: "Daarom kregen wij geen brief."

Ze raapt snel alle wasgoed bij elkaar, neemt Bei en Ming bij de hand en holt zo snel ze kan naar het huis van Wei en Lin.

Moeder en Zhou trekken allebei wit weg van schrik, 't Is toch niet waar!" Maar het is wél waar.

Ohh! Nee maar!

Het is een dag later. In de gevangenis te Yingyan, een stad van een halfmiljoen inwoners en zo'n 100 kilometer van Hang lian vandaan, is bezoek. Het is een delegatie van het Internationale Rode Kruis dat de situatie enkele gevan-

genissen zal beoordelen. Aan dit gezelschap zal getoond worden dat er, zoals ten onrechte wordt verteld, nergens in China discriminatie, op welk gebied dan ook, wordt gevonden. De kerken zijn vol, de meeste leden bezitten een Bijbel en in de gevangenissen zitten alleen misdadigers. Straks gaan deze mensen naar hun land terug met alleen maar positieve berichten! Het zijn enkel leugens die de ronde doen wat het schenden van de mensenrechten betreft. De directeur zelf leidt het gezelschap rond. Een gevangenbewaker ontsluit op verzoek enkele cellen. En hoewel de Rode Kruismensen ruimere en ook schonere cellen gewend zijn in de landen waar zij vandaan komen, valt het hun in de gevangenis van Yingyan niet tegen. Als men op het punt staat terug te keren naar de kamer van de directeur, vraagt een uit het gezelschap of de laatste cel ook nog geopend mag worden. Daar is geen enkel bezwaar tegen en de bewaker rammelt met zijn sleutelbos en na even gezocht te hebben, ontsluit hij de deur. Een bundel licht vanuit de gang schijnt plotseling in deze laatste cel... De sleutels ontvallen bewaker uit de handen. Kletteren vallen ze op de stenen vloer.

"Ohh!"

"Nee maar!"

"Hoe kan dat nu!"

Dicht tegen elkaar aan zitten twee kinderen. Ze knipperen tegen het licht en steken afwerend hun handen uit.

De verwarring in het gezelschap is groot. De directeur reageert zijn schrik af op de bewaker en sommeert hem de beide kinderen onmiddellijk uit de cel te halen.

Het geheim

Het heeft dagen geduurd eer Guo en Huang over de angstige gebeurtenissen wilden praten en er gingen meer dan drie weken voorbij eer ze naar school durfden. Stukje voor beetje hebben Lee Chong en Guo's ouders het verhaal van de gevangenneming en de reis naar Yingyan van hun kinderen gehoord.

Maar nu gaat alles weer zijn gewone gang. Yong en de drie mannen in Hang lian, die ontslagen zouden worden, zijn nog steeds aan het werk in de machinefabriek. Vader Lin en Lee Chong hebben nog steeds geen brief gehad. Zij zullen er ook nooit een krijgen. En Guo en Huang hebben samen een mooi geheim, een geheim dat ze voorlopig tegen niemand zullen vertellen. Eén is er, Die dat geheim ook kent. Het is de Heere God! In die donkere cel heeft Hij hun iets beloofd. Dat hebben zij nog tegen niemand gezegd, dat bewaren ze diep in hun hart. Toen ze zo vreselijk alleen en zo heel erg bang waren, hebben ze samen gebeden. En toen heeft de Heere God hen getroost en bemoedigd.

"Guo, Huang", zei Hij, "IK ZAL JULLIE NIET BEGEVEN, IK ZAL JULLIE NIET VERLATEN!"

j. W. van den Berg

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1998

Daniel | 32 Pagina's

Het geheim  van Guo en Huang

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1998

Daniel | 32 Pagina's