Het geheim van Guo en Huang
Het begint te sneeuwen. Niet van die dunne, kleine vlokjes, die bij het minste zuchtje wind alle kanten uitdwarrelen en na lang aarzelen eindelijk een plekje zoeken om te rusten. Nee, er vallen grote, dikke vlokken bij miljoenen tegelijk uit een loodgrijze lucht. Een beetje wind deert hen niet, zo dichtopeen suizen ze zonder enige aarzeling naar beneden. Ze bedekken de kale takken van de bomen, ze maken de daken van de huizen en gebouwen in Metong helder wit, ze verdrinken bij duizenden tegelijk in de nog niet bevroren rivier die door de stad stroomt en zorgen er in de kortste keren voor dat het verkeer totaal in de knoop raakt.
Het blijft die nacht sneeuwen en de temperatuur zakt snel tot meer dan tien graden onder nul. Met man en macht wordt de volgende dag gewerkt om de straten van de stad sneeuwvrij te krijgen en als dat na uren gelukt is en het verkeer langzaam op gang komt, gaan van lieverlee de fabrieken, kantoren en winkels open. De scholen blijven deze dag nog gesloten. "Fijn, Guo", zegt Zhou, terwijl ze naar buiten wijst. "Lekker een vrije dag, zo kunnen we niet naar school." Guo lacht en klapt in zijn handen. "Ik wou dat het vannacht weer ging sneeuwen, dan hoeven we morgen ook niet."
Hij gaat niet graag naar school. Hij wordt vaak geplaagd en zijn zusje is er echt niet altijd om het voor hem op te nemen. Guo is pas 8 jaar en Zhou is al 11 en erg groot voor haar leeftijd. Ze is niet gauw bang en verdedigt haar broertje door dik en dun als dat nodig is. Maar gelukkig hoeft hij niet lang meer naar deze school. Vader is overgeplaatst naar Hang-liang, een dorp héél ver van Metong vandaan. Daar is een machinefabriek van hetzelfde bedrijf als waar hij nu werkt en daar moeten ze iemand hebben die heel veel verstand heeft van machines. Nou dat heeft vader. Moeder vindt het heel erg, maar die heeft hierover niets te zeggen. Vader wil ook liever in Metong blijven, maar die moet gaan waarheen hij gestuurd wordt 1 . Guo droomt even weg. Dan moeten ze verhuizen! Best wel leuk. Daar moet hij natuurlijk ook naar school, maar of je in een stad op school bent of op een dorp. Dat is vast heel anders. Dat hoopt hij tenminste en diep in zijn hart hij gelooft het eigenlijk ook wel. "Wat zullen we gaan doen? ", vraagt Zhou.
"Naar buiten natuurlijk", antwoordt haar broertje. "Met de slee? "
Guo knikt: "Ik erop en jij trekt."
Verhuisd In Hang-liang is het donker geworden. De mensen in het dorp slapen, want voor de meesten is het morgen vroeg dag. In een huis net buiten het dorp brandt nog licht. Twee mensen zitten tegenover elkaar aan een tafel met
elkaar te praten. "Wat is het allemaal meegevallen vandaag, Lin. We zijn nog lang niet klaar, maar er komen nog dagen genoeg om alles een plaatsje te geven. We moesten maar naar bed gaan. Jij moet morgen beginnen en dan moetje
goed uitgerust zijn." De man aan de andere kant van de
tafel knikt. "Je hebt gelijk, Wei", en de daad bij het woord voegend staat hij op en loopt naar de slaapkamer aan het ein-
de van de gang. Zijn vrouw, blijft nog even zitten. Wat een dag! Eerst die lange reis in de grote vrachtwagen waarin alle huisraad geladen was. Ze zouden de nacht nog in hun huis in Metong doorbrengen en dan de volgende dag heel vroeg vertrekken. De chauffeur van het bedrijf waar vader moet gaan werken, heeft geholpen bij het inladen en is die nacht in zijn wagen blijven slapen. Dat kon heel goed, de cabine van de auto was groot genoeg. Om zes uur zijn ze weggereden en om half twee waren ze in Hang-liang. Ze zaten allemaal in de cabine. Vader en chauffeur Yong voorin naast elkaar en zij met de kinderen op de brede bank achter hen. Het was een prachtige rit. Hoe verder ze naar het zuiden reden, hoe vlakker het landschap werd, en hoe verder de bergen op de achtergrond raakten. De hoge bergen waar de sneeuw ook in
de zomer blijft liggen. "Daar gaat de sneeuw nooit weg", had Yong gezegd, "daar blijft ze altijd liggen al schijnt de zon nog zo fel." "Dat heet eeuwige sneeuw", zei Zhou. "Dat heb ik op school geleerd." "Weet je ook wie die bergen gemaakt
heeft, Zhou? , vroeg Yong. Nee, daarop moest Zhou het ant-
woord op schuldig blijven. "Dat heeft God, de Hemelheer
gedaan. Hij maakte de bergen, de rivieren en de grote zeeën. En daar hoefde Hij niets voor te doen, dan alleen maar te zeggen: Nu komen de bergen, de rivieren en de zeeën. Zo wil Ik het hebben en zo gebeurt het. Zo kwam ook de zon en zo schiep God de maan en de sterren. Zo heeft Hij ook de bomen en de planten, de bloemen en de dieren geschapen. De grote Hemelheer heeft ook de mensen geschapen. Hij maakte uit het..." "Wat praat je nou voor onzin", viel vader hem in de rede. "Wie heeft je dat verteld.? "
Maar Yong kon geen antwoord geven, want ze kwamen in een grote stad en daar was het zo druk dat hij al zijn aandacht nodig had. Toen ze stad door waren, wilde hij weer over God beginnen, maar vader zei dat het hem niet interesseerde. Hij wilde liever over zijn nieuwe werk praten en voor de zoveelste keer horen hoe het huis eruit zag. Yong deed geen poging meer om over God Die de bergen had gemaakt te beginnen, maar vertelde over alles wat vader graag wilde weten. Het laatste gedeelte van de lange reis herinnert moeder zich niet. Ze was in slaap gevallen en werd pas wakker toen ze Hang-liang binnenreden. Wat viel alles mee! Het huis was groter dan dat in Metong en het uitzicht was schitterend. De volop in bloei staande struiken, de bomen met hun glanzende lichtgroene blaadjes, de paden die kronkelend de lage heuvels inliepen, prachtig was het. Je kon veel verder kijken dan in Metong, waar de bergen het uitzicht beletten. Moeder staat op, pakt de zaklantaarn van tafel, doet het licht uit en loopt nog even naar Zhou en Guo. Die slapen als rozen! Vader is ook al onder zeil. Stil kleedt moeder zich uit. Maar slapen? Ho maar. De gedachten buitelen door haar hoofd. Alle indrukken die ze tijdens de lange reis heeft opgedaan houden haar klaarwakker. Het verhaal van Yong over de Hemelheer spookt door haar hoofd en langzaam voelt ze een zeurende hoofdpijn opkomen. Ze haalt diep adem. Gelukkig het zakt wat en als het wekkertje op het kastje naast het bed ver na middernacht aanwijst, is ook moeder Wei aangekomen in het land van de dromen.
Met Yong op reis
Het is nog heel vroeg in de morgen, maar al behoorlijk warm. Guo speelt buiten met een bal die hij enkele dagen geleden van Zhou kreeg. Zij werkt een middag in de week in een winkel en verdient dan geld.
"Die is voor jou, Guo. Ik kon hem kopen voor de helft van de prijs." Hij gooit de bal tegen de zijmuur van het huis en probeert hem, zonder dat hij op de grond terechtkomt, op te vangen. Dat lukt nog niet zo best en het is goed dat de grond om het huis aardig horizontaal loopt, anders zou hij hem meer achterna moeten rennen, dan ermee tegen de muur te kaatsen. Poe, wat is het warm. Hij veegt met een groezelige hand over zijn voorhoofd. Hij zweet als een paard, maar hij ploetert stug door. Hij wil persé 5 keer achter elkaar de bal opvangen. Hij is zo verdiept in zijn spel dat hij niet merkt dat er een vrachtwagen stopt dichtbij het huis. Er stapt een man uit, die, voordat hij het portier dichtgooit, even blijft kijken naar de jongen. De klap van het portier haalt Guo uit zijn spel. Hij kijkt om, laat de bal de bal en rent op de man toe.
"Ha, Yong! Kom je op visite", roept hij. Yong aait hem even over zijn bol en vraagt dan of hij het erg druk heeft. "Weet je, ik kan vandaag best een knecht gebrui..."
Guo laat hem niet uitspreken. "Ik heb heel veel tijd", zegt hij, "ik hoef pas volgende week weer naar school. Er moet een nieuw dak op en dat duurt heel lang eer het klaar is. Nou hebben wij lekker vrij al die dagen." "Is je moeder thuis? "
Guo knikt. Natuurlijk is moeder thuis. "Laten we dan maar gauw naar binnen gaan, vind je niet? Ik moet toch aan haar vragen of jij vandaag en morgen mijn knecht mag zijn."
Een half uurtje later komen ze weer naar buiten. "Denk erom dat je doet wat Yong zegt, hoor", waarschuwt moeder als Guo in de cabine klimt. Hij belooft het grif en probeert het zware portier dicht te trekken, maar hij kan er niet eens bij, laat staan dat hij het dicht krijgt. Zhou helpt hem. In een wolk van stof verdwijnt de wagen. Yong kan voorlopig niet hard rijden. De weg vanaf Hang-lian tot de grote weg is vol bochten en oneffenheden. Veel verkeer is er gelukkig niet hier. Dat zal straks wel anders worden. Guo verkneukelt zich. Boft hij even. Twee dagen blijven ze weg en ze zullen in de cabine slapen. Met stralende ogen neemt hij alles wat ze voorbijrijden in zich op.
"Zijn we al bijna bij de grote weg, Yong? "
"Nog ruim twee uur. Als je een grote kromme boom ziet rechts van de weg zijn we er dichtbij. Let maar goed op, want hij staat aan jouw kant." Guo geniet. De reis kan voor hem niet lang genoeg duren. Hij vraagt honderd uit en Yong geeft geduldig antwoord.
"Zullen we nog eens samen zingen? " stelt hij voor als zijn 'bijrijder' uitgevraagd is.
Deze knikt. "Dat versje van de bergen", stelt hij voor.
Yong begrijpt direct wat hij bedoelt en zet met zijn zware stem in: "Op bergen en in dalen, ja overal is God." "In Metong waren hoge bergen", zegt Guo het vers uit is. "Het sneeuwde er ook en "s winters was het erg koud. Heeft God dit land ook gemaakt? " Hij wijst naar heuvels en de groene vlakten waar enkele rivieren doorheen stromen.
"Ja, alles!"
Guo hoort dit niet voor het eerst, maar hij kan het nog steeds niet bevatten. "Echt waar? "
"Ja, God de Heere heeft alles, alles geschapen. Dat kunnen mensen nooit. Scheppen is niet hetzelfde als maken. Als je wat maakt, moet je eerst materiaal hebben. Maar de Heere God hoefde alleen maar te spreken en het was er.
"Heeft hij de huizen ook geschapen? Yong moet even glimlachen. "Nee, de huizen hebben de mensen gemaakt." "Wie heeft ons huis gemaakt? " "Dat weet ik niet, het stond er al lang voor jullie er gingen wonen." "Ik vind het een fijn huis", zegt Guo, "je kunt er zo fijn buiten omheen spe..."
Hij slaat de hand voor zijn mond: "Oh, Yong mijn bal!", roept hij verschrikt. "Wat bal? "
"Nou die ligt nog ergens buiten." "Daar zorgt Zhou wel voor", stelt
Yong hem gerust." Kijk, we zijn bijna bij de grote weg. Dan kunnen we veel harder gaan rijden en zijn we gauw in de stad waar ik de zaagmachines moet brengen. Letje op de boom!? Hij is niet ver weg meer."
"ja!" schreeuwt Guo, "daar staat ie!"
De Drie-Zelf-kerk
De grote weg doet Guo denken aan de reis vanaf Metong naar Hanglian.Tjonge wat is dat al lang geleden wel meer dan een half jaar. Het is fijn in Hang-lian, vooral op school. Niemand plaagt hem hier, iedereen is zijn vriend. En vader is veel vroeger thuis 's avonds. Hij hoeft maar een klein eindje te lopen van de fabriek. Hij hoeft ook niet zoveel over te werken. Moeder vindt het gelukkig ook heel fijn en Zhou zegt dat ze nooit meer terug zou willen naar de stad. Maar het allerfijnste is dat Yong af en toe bij hen komt. Yong kent zoveel prachtige verhalen! Jammer dat vader daar niet naar wil luisteren. "Allemaal verzinsels, Yong. Goed voor kleine kinderen. Als je op visite komt, moet je maar over andere dingen praten. Niet over de Hemelheer, van Wie jij zegt dat Hij alles weet en ziet en hoort. Dat kan natuurlijk nooit!"
Maar als Yong komt en vader is niet thuis, dan vraagt moeder altijd of hij een verhaal wil vertellen uit het Boek van God. Yong woont niet in Hanglian, maar in Toengtao, een dorpje nog geen kwartier rijden met de auto van hun dorp vandaan. Op een keer, hij zat met zijn autootjes te spelen in een hoek van de kamer, vroeg moeder of daar ook een kerk was.
Yong knikte alleen maar, hij zei verder niets.
"Is het een Drie-Zelf-kerk? ", vroeg ze. Ik weet best", zei ze, "dat er ook nog andere kerken zijn, huiskerken. Maar daar mag je niet komen van de regering. Wij gaan naar geen enkele kerk, dat deden we in Metong ook niet. Weet jij Yong waarom je niet naar een huiskerk mag? "
Yong had toen gezegd dat hij dat nog wel eens zou vertellen, maar nu niet. Hij kuchte even en legde zijn vinger op z'n mond, alsof hij zeggen wilde: "Guo mag het niet horen."
Nou daar gaf hij niks om, grote mensen deden wel meer zo. Poe, hij wist heus wel dat er mensen waren die niet naar de Drie-Zelf-kerk gingen. En ook dat er wel eens dominees werden gevangen genomen van de huiskerken. Yong hoefde echt niet zo stiekem te doen. Wang-Yu, een jongen bij hem uit de klas gaat ook naar een huisgemeente, dat weet iedereen op school, maar niemand zal hem verraden, zeker weten! Ach wat kan het hem ook schelen. Het verhaal dat Yong vertelde was prachtig, dat vergeet hij nooit. Jammer dat vader er niet bij was, die had het vast ook heel mooi gevonden. Het ging over een meisje dat dood was en door de Zoon van de Hemelheer weer levend werd gemaakt. En Die hoefde niks anders te doen dan tegen dat dode meisje te zeggen: "Dochtertje, Ik zeg u: sta op." Nou toen ging dat meisje staan en..."
"Slaap je Guo? "
"Eh...nee, ik...eh. Zijn we er al? "
"Voorlopig nog niet.Vind je het te lang duren? "
Guo haast zich te zeggen dat hij het juist fijn vindt zo'n lange reis. Maar als Yong de wagen een kwartiertje later op een parkeerplaats zet en een lekkere koek en een flesje limonade tevoorschijn tovert, glundert zijn hele gezicht. "Dit vind ik ook heel fijn", zegt hij met volle mond. "Nou even de benen strekken", stelt Yong voor.
Ze lopen de parkeerplaats over en hij wijst Guo op de vele vrachtwagens die er staan.
"Die komen overal vandaan. Kijk, die is uit Peking en die komt uit Sjanghai en daar staat er een uit Hong Kong. Verleden jaar is Hong Kong door de engelse regering overgedragen aan China, nu hoort het dus bij ons."
Een half uurtje later rijden ze weer op de grote weg. Het is er druk, maar dat deert Yong niet.
"Hong Kong is een grote stad, Guo. In Hang-lian wonen niet zoveel mensen, nog geen 5.000 en in Metong wonen er bijna 500.000. Dat is een heleboel, maar in Hong Kong kun je ze niet tellen, zoveel zijn het er. Ik zal je het getal noemen, maar dan weet je nog niet hoeveel het er eigenlijk zijn." Yong neemt even wat gas terug, en laat een kleine vrachtwagen invoegen. De chauffeur maakt een gebaar van:
dank-je-wel. Als ze weer rustig kunnen doorrijden, gaat Yong verder: "Meer dan 12 miljoen, Guo! In die grote stad wonen een dokter en zijn vrouw, die uit Engeland zijn gekomen Zij helpen zieke mensen. Die komen naar de Vredeskliniek, het gebouw waar ze door de dokter en zijn vrouw onderzocht worden en medicijnen krijgen. Maar dat niet alleen. Dokter Tallach, zo heet die man, vertelt hun ook uit het Boek van God. En de mensen kunnen bij hem zo'n Boek kopen. Gelukkig mogen dokter Tallach en zijn vrouw daar nog blijven wonen en de zieke mensen helpen. Heel veel jaren lang zijn er Bijbels uit Hong Kong ons land binnengebracht. Die Bijbels waren voor de mensen die naar een huisgemeente gaan. Dat mocht niet, de regering had het streng verboden en de mensen die de Bijbels naar China brachten, deden daarom heel gevaarlijk werk. Maar de Heere God heeft hen geholpen en Hij heeft ervoor gezorgd dat ik ook zo'n Boek kreeg en dat ik jou en moeder en Zhou daaruit mag vertellen."
Het wordt nu wel heel erg druk en Yong heeft alle aandacht nodig voor het verkeer. Maar Guo vindt dat niet erg. Hij heeft zoveel te denken! Hij begrijpt lang niet alles, maar heeft heel goed door dat je als je zo'n Boek in huis hebt, dat dat heel gevaarlijk is. Zou Wang-Yu ook een Bijbel hebben? Hij zal het volgende week eens aan hem vragen. Je zal toch gevangen genomen worden! Of in een werkkamp opgesloten worden! Brr, hij moet er niet aan denken. Hij vertelt aan niemand dat hij de verhalen uit de Bijbel zo mooi vindt. Hij zal ook tegen Zhou zeggen dat ze dat niet doen moet.
De zaagmachines zijn afgeleverd. Dat ging zo maar niet en Guo heeft heel
lang moeten wachten eer alles in orde was. Maar hij heeft zich niet verveeld. Yong heeft hem een boekje gegeven waarin niet alleen verhalen stonden uit de Bijbel, maar er waren ook mooie tekeningen bij.
"Hier heb je papier en kleurpotloden. Als je een verhaal gelezen hebt, kun je de plaat die erbij hoort, natekenen en kleuren."
Nou dat heeft hij gedaan en als Yong weer terugkomt, laat hij vol trots Daniël in de leeuwenkuil aan hem zien.
"Knap gedaan, kerel. Jij wordt vast een hele beroemde schilder!", prijst Yong hem. "Maar nu gaan we eerst een hapje eten."
De handkar
Guo heeft heerlijk geslapen op een matras, die Yong op de bank achter de chauffeursplaats had gelegd. Voor zichzelf had hij voorin een slaapplaats gemaakt. Nu zijn ze weer op de terugtocht.
"Help jij me onthouden dat ik in Tjensin nog een kapotte grasmaaimachine moet ophalen, Guo", had Yong gisteravond voor ze gingen slapen gezegd. Nou en óf hij dat zou onthouden. Tjensin ligt wel niet zover van Hanglian vandaan nog geen twee uren rijden. Stel je voor dat ze het zouden vergeten! Dan moesten ze weer terug en Yong zou vast een standje krijgen van zijn baas.
"Hoe ver zijn we nou? "
"Nog een paar kilometer dan gaan we van de grote weg af."
"Zul je de machine niet vergeten? " "Ai", schrikt Yong, "goed dat je eraan denkt! Ben ik even blij dat ik zo'n goede knecht heb meegenomen." Guo lacht. "Fijn hé dat ik het nog wist. Zou je het echt vergeten zijn? " "Als ik vlak bij Tjensin zou zijn, had het me vast wel te binnen geschoten, maar zo is het beter, vind je niet? Let je straks op die kromme boom, weet je het nog? Een paar kilometer voor we gisteren de grote weg opdraaiden, stond hij rechts. Kijk maar goed, want nou staat hij links van de weg."
Guo ziet de pretlichtjes niet in Yongs donkere ogen, anders had hij wel gemerkt dat deze een grapje maakte. "Hoe kan dat nou. Een boom kan toch niet lopen? ", vraagt hij verbaasd.
"Let maar op. Kijk daar staat ie." Ja, 't is waar. Guo ziet het, maar toch... "Oh, jij houdt me voor de mal!" roept hij, "We rijden nou terug en dan is rechts links geworden.!" "Jij wordt niet alleen een beroemd schilder, maar ook een echte geleerde", prijst Yong hem. "Hé, kijk daar eens", wijst hij.
Hij mindert vaart en al gauw halen ze een hoog opgeladen handkar in. Langzaam rijden ze er voorbij. De kar ligt vol huisraad; een tafel, wat stoelen, beddengoed, potten en pannen. En helemaal bovenop, op het beddengoed, zitten twee jonge kinderen. Een jongen van Guo's leeftijd loopt achter de kar te duwen. Een vrouw loopt er voor. Ze kan niet over de vracht heenkijken, daarom is ze tussen de beide handbomen gaan lopen en duwt met haar lichaam tegen de dwarslat. Dat is een zwaar werk en de vrouw kijkt dan ook op noch om. Ze heeft al haar aandacht en kracht nodig voor het voertuig.
Yong geeft weer gas en rijdt er langzaam met een boog omheen. Hij probeert zo min mogelijk stof te maken, maar kan toch niet voorkomen dat er een grote wolk fijn zand opstuift. De kar wordt even stilgezet en de kinderen duiken met hun hoofd in het beddengoed en de vrouw draait zich snel om en wacht met gebogen hoofd tot het stof weer is gaan liggen. Yong rijdt een paar honderd meter verder, zet zijn wagen dan zover mogelijk rechts van de weg en draait de kontaktsleutel om.
"We wachten hier even op ze, Guo. Jij blijft zitten totdat ik terug ben." Hij springt uit de auto en loopt de kar tegemoet.
Guo hangt zover mogelijk uit het portier. Hij ziet dat Yong wat tegen de vrouw zegt en dan naar de achterkant van de wagen loopt. Nu kan hij hem niet meer zien. Zou hij dat jongetje helpen duwen? Vast wel, want het is net alsof de kar wat sneller vooruit komt. Hé, mocht hij er nou maar uit, dan zou hij ook kunnen helpen. Vol ongeduld wacht hij. Ha, daar komt Yong weer te voorschijn. Hij beduidt de vrouw om vantussen de handbomen uit te komen en met inspanning van al zijn krachten trekt hij het voertuig vlak achter de vrachtwagen. De twee kinderen bovenop kijken nieuwsgierig toe.
"Waar moet u naar toe? ", vraagt aan de vrouw. Yong
"Waarom wilt u dat weten? " is de wedervraag.
"Wel, mijn wagen is leeg. Misschien wilt u een stukje meerijden", zegt Yong vriendelijk.
De ogen van de vrouw lichten op. Meerijden! Als dat eens zou kunnen. Ze is zo moe, zo vreselijk moe. "Ik weet het niet meer", zegt ze. Er blinken tranen in haar ogen. "Ik ben zo moe."
"We zullen eerst de kinderen naar beneden halen", zegt Yong. Door het geopende portierraam heeft Guo alles gezien en gehoord. "Kom er maar uit!", roept Yong, "maar niet om de wagen heenlopen hoor. Je moet bij het portier blijven staan."
Guo is er al uit en hij kijkt vol belangstelling toe hoe de twee kinderen zich met behulp Yong naar beneden laten glijden. Deze doet het achterste portier open en tilt het tweetal een voor een naar binnen.
"Zo", zegt hij tegen het kereltje dat achter de handkar liep, "nou jij." En met een zwaai zet hij het dappere joch naast zijn zusjes.
"Guo, jij klimt er ook bij en denk erom: alle vier in de wagen blijven!"
Hij doet het portier aan de wegkant op slot en gaat de vracht van de kar laden. Dat is snel gebeurd en het duurt dan ook niet lang of de kar en het huisraad hebben een plekje gekregen in de grote laadruimte van de vrachtwagen. Een sterk touw houdt het vervoermiddel op zijn plaats en als Yong de achterdeuren in het slot gooit, slaakt Lee Chong, de moeder van de drie kindertjes een zucht van verlichting.
"Mag ik echt een eindje meerijden, mijnheer? ", vraagt ze. "O, wat is God goed voor ons!"
Yong's ogen lichten op.
"Met dat laatste ben ik het van harte eens", zegt hij en zijn stem klinkt wat schor. "Maar dat eerste klopt niet. Ik ben geen mijnheer, ik heet Yong." En direct daarna: "U komt voorin zitten en jij Guo tussen ons in."
wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1998
Daniel | 32 Pagina's