Op Gods Naam moet je zuinig zijn
Over de betekenis van de Godenaam
Op Gods Naam moet je zuinig zijn. Helaas leeft dat besef slechts bij weinigen in onze samenleving. In het buitenland zegt men wel: 'Vloeken als een Hollander.' Nederland is spreekwoordelijk geworden voor het vloeken. Echter... laten we niet wijzen naar anderen. Hou jezelf eens de vraag voor: hoe ga ik om met de Naam van Cod? Wat doe ik, als de Naam van Cod ijdel wordt gebruikt in mijn vriendenkring?
Over deze vragen gaat het nu niet. Nu denken we na over de betekenis van de grote Godsnaam HEERE. Deze Naam is als een diamant. Van verschillende kanten laten we de schittering daarvan zien. Maar als je daarvan iets hebt gezien, dan kan het niet anders of je zult ook zuinig zijn op de Naam van God.
In de Heilige Schrift vinden we veel namen van God. Op de eerste pagina van de Bijbel vinden we er al een: n den beginne schiep Cod (Genesis 1:1). In de grondtekst staat hier: lohim. Het is de algemene benaming voor God. God is de Schepper van hemel en aarde. Andere goden zijn er niet.
Melchizedek noemt Hem de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit (Genesis 14:19). Hagar noemt Hem God des aanziens (Genesis 16:13). Hier staat steeds El.
God wordt in het Oude Testament ook Heere genoemd. Heel vaak komt ook de Naam HEERE voor.
Jakob bij Pniël
Bijna vanaf van het begin van de Heilige Schrift wordt de Naam HEERE gebruikt. We kunnen dit dan ook de Eigennaam van God noemen. Ze komt in Genesis ook voor in de verbindingen Heere, HEERE en God. HEERE
Heel duidelijk wordt het hierdoor, dat de HEERE de Schepper is van hemel en aarde, de Onderhouder van heel deze wereld en bovenal de
God van de moederbelofte. IK ZAL vijandschap zetten (Genesis 3:15). Hij is de God van het verbond! In deze belofte schittert al iets van de betekenis van de grote Naam van God. Toch bleef er lange tijd een sluier over de betekenis van deze Naam liggen.
Dat komt uit in de geschiedenis van Jakob bij Pniël. Jakob blijft daar alleen over. Met zijn schuld... en met God. Een Man worstelt met hem.
Tot op de morgen van de nieuwe dag duurt de strijd. Jakob geeft zich niet zomaar gewonnen. Uiteindelijk geeft de HEERE hem de genadeslag. Dan kan hij niet anders meer dan bidden: k zal u niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Genesis 32:26). De Heere vraagt Jakob dan naar zijn naam. Hij mag het dan door genade belijden: akob, Hielelichter. Maar hij mag dan ook een nieuwe naam van de Heere ontvangen: sraël, strijder Gods.
Daarop vraagt Jakob ook de Naam van de Worstelaar bij Pniël. Hij vraagt: eef mij toch Uw Naam te kennen (Genesis 32:29). Maar deze bede verhoort de Heere niet. Hij ontvangt wel de zegen, maar Gods Naam wordt Hem niet bekend gemaakt. Deze naam hield de Heere nog verborgen. Aan Abraham, Izak en jakob heeft de HEERE Zich bekend gemaakt. Ze hebben Hem gekend als de Almachtige, maar de diepe betekenis van de Naam HEERE wachtte nog op een rijkere openbaring
(Exodus 6:2). Groter en heerlijker dingen waren te verwachten.
Het brandend braambos
De betekenis van de Godsnaam is pas aan Mozes bij het brandend braambos geopenbaard.
Vele jaren heeft Mozes gezorgd voor de kudde van zijn schoonvader Jethro. Als hij eens in de buurt van de berg Horeb komt, ziet hij daar iets opmerkelijks. Een braambos staat in brand, maar wordt niet verteerd. Op deze plaats openbaart God Zich aan Mozes. Het braambos laat zien, dat de HEERE als de Heilige wil wonen temidden van een zondig volk. God maakt Mozes bekend wat Hij met het volk Israël zal gaan doen. Hij zal het volk verlossen uit de slavernij in Egypte en hen brengen in het land Kanaan.
Nu zal de Hij De beloften die Hij aan Abraham, Izak en Jakob gedaan heeft vervullen. Hij heeft het geroep van de verdrukte Israëlieten in Egypte gehoord.
Het is hoog tijd om de Egyptenaren voor hun misdaden te straffen. Door een hoge hand zal Hij Zijn volk uitleiden. Door de dienst van Mozes zal Hij dat plan gaan uitvoeren.
Diep onder de indruk van Gods heiligheid roept Mozes het dan uit: wie ben ik?
IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL
Veel vragen rijzen bij deze openbaring van God in het hart van Mozes. Eén van deze vragen is die naar de Naam van God. Mozes zegt: ie, wanneer ik tot de kinderen Israëls kom en zeg tot hen: e God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden, en zij mij zeggen: oe is Zijn Naam? Wat zal ik tot hen zeggen? (Exodus 3:13)
Voor Mozes is het geen vraag Wie Zich aan hem openbaart. Het is de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij is de God van de vaderen. Maar hoe is Zijn Naam?
Deze Naam maakt Hij nu aan Mozes bekend op een wonderlijke wijze. Hij spreekt de raadselachtige woorden: K ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL (Exodus 3:14).
Als de HEERE Zich hier zo heerlijk aan Mozes openbaart in het braambos, is het geen vraag wat deze raadselachtige woorden betekenen. De HEERE maakt Zich hier aan Mozes als de eeuwige en onveranderlijke God. Hij is er, Hij is er altijd geweest en zal er altijd zijn. Hij woont en troont ver boven deze wereld.
Maar tegelijkertijd is Hij de God, Die leeft en spreekt. Hij is een almachtig God en een getrouw Vader (Zondag 9). En Hij blijft altijd Dezelfde. De eeuwige God openbaart Zich tot redding van Zijn volk.
Juist met het oog hierop openbaart de HEERE Zijn Naam aan Mozes vlak voor de uittocht uit Egypte. In de uitredding uit Egypte zal Hij namelijk tonen, Wie Hij is en wat Hij voor Zijn volk wil zijn!
Deze Naam opent een wijd perspectief. Ze vraagt om nadere openbaringen in de geschiedenis tot verlossing van Zijn volk. Nieuwe en heerlijke dingen zal de HEERE gaan doen. Hij is de HEERE. Hij zal voor Zijn volk grote dingen gaan doen!
In de kloof van de steenrots
De betekenis van deze Naam is uitgekomen in de uitredding uit Egypteland, bij de wetgeving op de Sinaï en ook tijdens de tocht door de woestijn. Aan één moment hebben we dan speciaal te denken, juist als het na de zonde met het gouden kalf voor altijd kwijt lijkt te zijn voor het volk Israël, komt de betekenis van Gods Naam nog dieper en rijker aan het licht.
In een enorme worsteling strijdt Mozes na deze verschrikkelijke zonde om het behoud van het volk. Al pleitend voor het zondige volk is hij op zoek naar houvast in het eeuwige Wezen van God. Hij vraagt dan: oon mij nu uw heerlijkheid (Exodus 33:18).
Mozes krijgt geen afwijzing op dit verzoek. De HEERE zal Zijn grootheid en heerlijkheid aan Mozes bekend maken. Hij zal de diepe rijkdom van Zijn Naam aan hem openbaren. Maar Mozes moet beseffen dat dit alleen kan door vrije genade. God is en blijft soeverein. De HEERE zegt: k zal genadig zijn wien Ik zal genadig zijn en Ik zal Mij ontfermen Wiens Ik Mij ontfermen zal (Exodus 33:19). Opnieuw spreekt de HEERE: K ZAL. God is genadig en barmhartig. Maar genade is en blijft vrij. Niemand kan God zien en leven.
Maar juist daarom mag Mozes Gods heerlijkheid aanschouwen. Want is
Zijn soevereine liefde heeft God een plaats voor hem en al Zijn kinderen gemaakt.
De HEERE zegt het: ie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen. (Exodus 33:21) Vanuit de steenrots mag Mozes een glimp van Gods heerlijkheid aanschouwen. De HEERE daalt daar neer in een wolk en openbaart Zich aan hem. Mozes hoort het de HEERE roepen: EERE, HEERE, God, barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen, in het derde en in het vierde lid (Exodus 34:6, 7).
Zo mag Mozes vanuit de Steenrots Christus Gods heerlijkheid zien. Zeker, het waren nog slechts Zijn achterste delen. Zelfs in deze woorden wordt nog slechts een tipje van de sluier opgelicht. Maar wanneer de HEERE Zich aan Mozes op zo heerlijke wijze openbaart, buigt hij zich in aanbidding ter neer.
De heerlijkheid van God geopenbaard
juist op dit kritieke moment tijdens de woestijnreis wordt iets van de heerlijkheid van God geopenbaard. De HEERE is:
- Barmhartig duidt wel de liefde van een moeder voor haar kind aan.
- Cenadig wijst op de gunst van een hoger geplaatste tegenover een lager staande.
- Lankmoedig betekent geduldig, langzaam tot toorn.
- Groot van weldadigheid en waarheid wijst op de verbondstrouw van God en op Zijn betrouwbaarheid. Samen geven deze woorden de onveranderlijke trouw van God aan.
- Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden duidt op de onbeperkte trouw van God in de lijn van de geslachten die Hem vrezen. Deze bestaat in de vergeving der zonden.
- Bezoekende de ongerechtigheid geeft aan dat Gods toorn rust op onbeleden zonden. In tegenstelling tot Zij trouw is deze beperkt tot het derde en vierde geslacht. Ja, zo groot en heerlijk is de God van de Bijbel. Hij is de Levende God!
Loofhuttenfeest
Vooral tijdens het Loofhuttenfeest werd de diepe en rijke betekenis van deze Godsnaam overdacht. Dit feest werd een week na de grote Verzoendag gevierd. Op dit feest werd het wonen in hutten gedurende de woestijnreis herdacht. Op dit feest las men gedeelten die van de wetgeving op de Sinaï spreken: k ben de HEERE, U W God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb (Exodus 20:1).
Ook werden op dit feest veel Psalmen gezongen. In Psalm 46 klinkt de stem van God: Laat af en weet dat Ik God ben (vers 11). In Psalm 50 lezen we: Hoor, Mijn volk, en ik zal spreken; Israël, en ik zal onder betuigen; Ik, God, ben Uw God (vers 7). En de bekende Psalm 81 zingt: Ik ben de HEERE, UW God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen (vers 11).
Al deze Psalmen herinneren aan de rijke openbaring die God van Zijn Naam heeft gegeven. Zo is het besef van de rijke en diepe betekenis van de Godsnaam tot het volk doorgedrongen. Hoe groot is Hij!
De Heiland
Hierbij kon de profeet Jesaja aansluiten toen hij het aankondigde dat de HEERE een einde zou gaan maken aan de ballingschap. Opnieuw zal de HEERE grote en heerlijke dingen gaan doen. We moeten dan vooral denken aan de hoofdstukken 40 tot en met 55, die in de liturgie van het Loofhuttenfeest een vaste plaats hadden.
Jesaja predikte het volk: Maar nu, alzo zegt de HEERE, UW Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de
vlam zal u niet aansteken. .Want Ik ben de HEERE uw God, de Heilige Israëls, Uw Heiland (Jesaja 43:1 - 3a). Dit is vervuld is in de Heere jezus Christus. Wanneer Hij tijdens het Loofhuttenfeest in conflict komt met de joden, getuigt Hij het tegen hen: ijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld. Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven (johannes 8:23, 24). Christus is de Eniggeboren Zoon van God. In Hem is Gods genade en waarheid geopenbaard. Wat komt het aan op het geloof in Hem! Wie buiten Hem is, zal in zijn zonden sterven.
Ik ben
Zo komen we op zoek naar de betekenis van de Godsnaam uit bij het Evangelie naar Johannes. De oude Johannes getuigt in dit Evangelie op elke bladzijde van de genade en heerlijkheid van God die hij in Christus heeft gezien. In Hem als het vleesgeworden Woord heeft hij Gods heerlijkheid aanschouwd. Hij predikt ons Christus als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid (Johannes 1:14).
Als Jood is hij bij de wet opgevoed en hij heeft iets van de heerlijkheid van God in deze wet zien schitteren. Maar diep is bij hem ook het besef dat de openbaring van God de Vader in Christus nog rijker en heerlijker is. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Johannes 1:18). In dit evangelie vertelt johannes zeven wonderen van de Heere Jezus. In deze werken van de Heere schittert Gods heerlijkheid en genade. Maar deze heerlijkheid schittert des te meer in de woorden van de Heere Jezus. Vooral in de zogenaamde Ik-benwoorden openbaart de Heere jezus Zich als de Eniggeboren Zoon van God. Het zijn er ook zeven in totaal. Al deze woorden beginnen met 'Ik ben'. Ze laten zien, dat de God van de braambos Zich in deze Christus als Zijn eniggeboren Zoon openbaart.
Christus noemt Zich het Brood des levens, Johannes 6; het Licht der wereld, Johannes 8; de Deur der schapen en de goede Herder, Johannes 10; de Opstanding en het Leven, Johannesl 1; de Weg, de Waarheid en het Leven, Johannes 14; en de ware Wijnstok, Johannes 15. Ook in het boek Openbaring vinden we nog een aantal Ik-ben-woorden. Zo lezen we: k ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige (Openbaring 1:8). Zo komt de betekenis van de Godsnaam op de rijkste manier uit in de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus. In Hem woont de Heilige temidden van Zijn zondig volk.
Alleen door Hem kan een Adamskind ook weer in gemeenschap met God komen. Hij is de enige weg, de betrouwbare weg en de levende Weg tot het Vaderhart.
In de geloofskennis van Hem ligt het eeuwige leven. In het Hogepriesterlijke gebed bidt de Heere: n dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (johannes 1 7:2).
Ken je de God van de braambos? Dan weet je ook wat het betekent: En toch niet verteerd...
van Mourik
Wie zo een boek laat beginnen, bewijst dat hij schrijven kan. Op subtiele wijze weet de auteur vanaf het begin de aandacht en de nieuwsgierigheid van de lezer te trekken. Wie zo een boek laat beginnen, laat ook zien dat hij niet zonder meer een verhaal vertelt, niet zo maar een platgetreden paadje wil bewandelen, maar een verhaal kan componeren.
In de maand maart is tijdens de Boekenweek in diverse kranten en tijdschriften aandacht besteed aan de novelle Kaj van Ronald Westerbeek. Het boekje werd uitgegeven door het Boekencentrum in samenwerking met het Christelijk Lektuur Contact. Voor het eerst heeft het CLK tijdens de Boekenweek een literair werk als actieboek kunnen uitbrengen. Is het de moeite van het lezen waard? Maakt het de pretentie van literatuur waar? Is het wat voor de Daniël-lezers?
Het boekje bestaat uit vijf hoofdstukken voorzien van titels en motto's, die nog weer verdeeld worden in genummerde "paragrafen". Voor het eerste hoofdstuk vind je een soort proloog, waarvan ik het begin hierboven citeerde. De hoofdpersoon van het boek is Kaj van Dam, een student. Met zijn rode Lelijke Eendje is hij vastgelopen in een deel van de Sahara, de Erg Chebbi. Daar houdt een mens het niet lang uit: vijf uur geen wateren... Gelukkig hebben enkele bedoeïenen hem gered en naar de oase Merzouga gebracht, waar een herberg, de Auberge Soleil Bleu, staat. Daar maakt hij kennis met de jonge Mustapha, die hem meeneemt naar zijn huis. Er ontstaat een zekere vriendschap tussen de twee jonge mannen. Langzamerhand komt Mustapha - en ook de lezer via enkele flash-backs - te weten wat de reden is van Kajs vlucht. Want dat wordt al spoedig duidelijk: Kaj is erg onrustig en bang dat men hem op het spoor is. Waarom wil hij zo spoedig mogelijk zijn Deux-Chevaux weer rijdende hebben? En waarom informeert hij zo nauwkeurig bij Ghalim naar de route die via Algerije naar het zuiden loopt?
Bij stukken en beetjes wordt duidelijk dat het meisje Tamara een belangrijke rol in het leven van Kaj heeft gespeeld. Ze was - zo lijkt het althans - zijn jeugdvriendinnetje van de basisschool, zij was degene voor wie hij hoofdzakelijk zijn schilderstalent ging ontwikkelen in zijn middelbare-schooltijd. Hoogtepunt in zijn schildersactiviteiten is het schilderij tuna de! Mar (maan van de zee). Hierin komt zijn affectie voor Tamara uit. Zijn broer Huib en Kaj kortten haar naam af tot Mar (= Spaans voor zee), want in haar zagen ze (of in ieder geval: zag Kaj) de eeuwigheid. Dit schilderij is niet alleen aan haar opgedragen, maar het is Tamara. Groot is de klap dan ook, als ze het schilderij, de affectie van Kaj en Kaj zelf afwijst, ik heb nooit meer geschilderd, bekent hij Mustapha.
Dat is echter niet alles. Zijn broer Huib lijkt in deze min of meer wanhopige liefde voor Tamara zijn concurrent te zijn. Kaj speelt enige tijd in een popgroep maar met zijn studie gaat het niet goed. Op een bepaald moment vertrekt hij en begint een zweivend bestaan door Midden-en Zuid-Amerika en Zuid-Oost-Azië. Na twee jaar gaat hij echter weer terug. Al spoedig vraagt Huib hem in een muziekgroep mee te doen. Hij stemt erin toe.... want Tamara zingt in die groep. Zijn toenaderingspogingen worden sterker, maar Tamara is heel duidelijk in haar afwijzing. Tamara zoekt in ieder geval steun - en soms lijkt het wel bescherming - bij Huib. Dat maakt Kaj razend en als hij Tamara een keer bij Huib aantreft, slaat en schopt hij op hem in. Hij denkt dat Huib dood is en vlucht.
Dit alles komt de lezer te weten in een soort flash-backs. Kaj maakt namelijk Mustapha deelgenoot van dit vreselijk geheim in de gesprekken die hij met hem voert tijdens de reparaties aan zijn eend. Als het verhaal zover is voortgeschreden dat de eend weer kan rijden, ontvangt Kaj een telegram. Zijn broer Huib weet dat hij in Merzougha is en is naar Marrakech, de hoofdstad van Marokko, gekomen. Hij verzekert Kaj ervan dat hij nog steeds van zijn broer houdt.
In het laatste hoofdstuk krijgen we een soort ontknoping. Kaj stuurt Mustapha met de bus naar Marrakech om Huib op te halen. Dat wordt dan toch een ontmoeting en een verzoening? Maar al gauw blijkt dat hijzelf in zijn eend gestapt is en wie zich genoeg gege-
vens uit de eerste hoofdstukken herinnert, begrijpt dat hij naar het zuiden rijdt: toch weer op de vlucht! Hij komt echter niet ver, want na een kilometer of vijftig rijdt hij zich vast in een droge rivierbedding met grote keien. Hij krijgt zijn eend niet los van de keien. Zonder hulp staat hij hier op een eenzame plek in de woestijn. Een mens sterft niet zomaar. Wel in de Erg Chebbi, monsieur. Vijf uur geen water en...
Het begin van het boek is heel aardig. Maar het slot is zeker zo verrassend. In het laatste (korte) hoofdstuk gebeurt er opeens heel veel. Twee bladzijden voor het einde van het verhaal komt Mustapha er achter dat Huib een halfbroer is van Kaj en Tamara, maar ook dat Tamara de volle zus van Kaj is. Daarmee geeft de auteur dit verhaal opeens een extra dimensie. Hij snijdt hiermee op een zeer bijzondere wijze het actuele probleem incest aan.
Het boek heeft een enigszins open einde. Kaj is weer op de vlucht en verkeert in hachelijke omstandigheden. De symbolische betekenis van zijn naam komt sterk naar voren. Dat was al duidelijk geworden uit het motto van hoofdstuk 4: aar is een stem van het bloed (Genesis 4 : 10). Evenals Kaïn voelt ook Kaj zich rusteloos en tot vluchten gedoemd. Daarmee contrasteert dan wel sterk de figuur van zijn broer Huib: ie zoekt hem op en wil hem vertellen dat hij geen enkele gedachte aan wraak heeft. De geloofwaardigheid van het verhaal komt hier wel een beetje onder druk te staan: uib heeft er wel erg veel voor over om zijn broer ervan te overtuigen dat hij hem alles vergeven wil. Een (vlieg)reisje naar Marokko maak je toch ook niet zomaar even... Er zijn mensen die de verwikkeling in het slothoofdstuk niet zo kunnen waarderen. Ze voelen zich als lezer wel erg "genomen" als blijkt hoe de familierelaties tussen de hoofdpersonen nu precies liggen. Doordat Westerbeek dit pas twee bladzijden voor het einde van de novelle vertelt, houdt de lezer ook weinig tijd over om dit te verwerken. Het is echter wel zo, dat hij er nu in geslaagd is het verhaal over Tamara te vertellen zonder dat de lezer zich steeds meer onlustgevoelens tegen Kaj voelt opkomen. Op deze wijze wordt het probleem "incest" op een originele manier aan de orde gesteld. En doordat je als lezer beseft dat Mustapha heel goed weet op welke vluchtroute Kaj mogelijk te vinden is als ze hem in Merzougha niet zullen aantreffen, zie je een mogelijke verzoening toch in het verschiet opdoemen. Met andere woorden: o heel erg open is het einde dus niet. Ronald Westerbeek heeft een literair werkje geproduceerd dat zeker zijn weg zal kunnen vinden naar de literatuurlijsten voor de middelbare school. Al zijn er hier en daar wel wat kritische opmerkingen over te maken, er zijn genoeg herkenningspunten in het verhaal om het voor jonge mensen interessant te maken. Als actieboek van het CLK slaat het heus geen slecht figuur. En een boodschap? Ronald Westerbeek heeft zelf in een interview gezegd dat hij niet nadrukkelijk een christelijke boodschap in zijn boek wilde leggen. Hij geeft echter genoeg mee waar je eens goed over kunt nadenken.
K. W. van Luik
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1998
Daniel | 32 Pagina's