De Godsregering in deze moderne tijd
Verslag van de regionale te Cenemuiden op 2 april 1998 vergadering
De plaatselijke predikant, ds. P. Melis, opent de avond. Hij laat zingen Psalm 27:3 en leest uit Gods t/oord voor Psalm 27, waarna hij voorgaat in gebed. Naar aanleiding ^an het voorgelezen Schriftgedeelte spreekt hij een kort openingswoord Dver 'Davids enige troost'.
Nadat nog gezongen is Psalm 106:3 krijgt de heer j. de jager uit Scherpenzeel het woord. Hij houdt een eferaat over het onderwerp 'De Godsregering in deze moderne tijd'. "Wat dunkt u van de Godsregering? ", zo vraagt hij zijn gehoor. Het s niet zo moeilijk om hierop een beschouwend antwoord te geven, vanuit onze kennis van hetgeen de eidelbergse Catechismus hierover egt. Hiermee is echter de diepte an de Godsregering nog geenszins gepeild. Twee voorbeelden uit Gods Woord illustreren dit.
saf leert in Psalm 73 inblikken in de iepte van de Godsregering. Zijn aanvankelijke ergernis verandert in erwondering. De vraag 'Wat dunkt van de Godsregering? ' maakt bij hem plaats voor 'Wat gelooft ge van de Godsregering? ' Het geloof in de Godsregering houdt ondanks alle schijnbare tegenstrijdigheden stand. De apostel Johannes weende omdat niemand waardig was het boek te openen. Maar dan mag hij een oog krijgen op het Lam, dat overwonnen heeft om het boek te openen. Zo wordt Johannes onderwezen in deze verborgenheid.
Zo blijkt, dat het geloof in de Godsregering zich wezenlijk onderscheidt van een beschouwende belijdenis, dat God alle dingen regeert. Dat geloof wordt doorleefd en doorstreden. Hoe dat geloof echter wordt aangevochten, het wortelt in een schriftuurlijke bodem. Dit klinkt ook door in de definitie, die de Catechismus geeft van de voorzienigheid Gods: 'De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en regeert.'
De grote zaken in het wereldgebeuren, maar ook de kleine dingen in ons persoonlijk leven, liggen in Gods albesturende hand. Alles wordt door de Heere zo bestuurd, dat Zijn raad zal bestaan. Wie oog mag krijgen voor het alwijze Godsbestuur, wordt dagelijks omringd door wonderen. Twee zaken zou men - ook in onze tijd - moeten erkennen:
1. dat God de almachtige Schepper is van hemel en aarde
2. dat alles in die Schepping Gods eigendom is.
Helaas staat in het hedendaagse denken de mens voorop. De moderne mens heeft zijn god op aarde en niet in de hemel.
Wijlen prof. G. Wisse noemt vier kenmerken van de 'stofvergoding' van onze tijd:
1. De mens wordt niet meer beschouwd als een schepsel van God, maar als een product van evolutie.
2. Alles wordt verklaard uit stoffelijke processen. Er is geen plaats voor een almachtige Schepper en Bestuurder.
3. Men stelt volledig zijn betrouwen op deze processen.
4. Zelfs de godsdienst is stoffelijk.
Hoe waar blijken zijn woorden in onze tijd te zijn. Het ongeloof heeft onze godsdienst en samenleving vrijwel geheel overwoekerd. De christelijke waarden zijn nauwelijks meer in tel. Voor de Godsregering is geen plaats meer. De afhankelijkheid van de Heere wordt uitgehold. Het moderne denken, dat geworteld is in de 19e eeuwse Verlichting, komt op verschillende manieren openbaar: Het menselijk verstand heeft zich verheven boven de Heilige Schrift. De Bijbel heeft hooguit nog wat historische waarde.
2. De oorsprong van het gezag komt voort uit de mens. De mens maakt zijn eigen wetten en miskent de normen, die God stelt in Zijn Woord. Zonde is in wezen ontkenning van Gods zeggenschap, het niet aanvaarden van Gods regering.
4. Het eeuwigheidsbesef is bij velen volledig verdwenen. Alles is gericht op het hier en nu. De materie staat bij de moderne mens voorop.
6. Het getal van het beest wordt nagejaagd:666, het hoogste wat een mens kan bereiken.
8. Wetenschap en techniek zijn niet langer dienstbaar aan de samenleving, maar zijn zelfstandige machten geworden.
Hier komen we bij de kern van de loochening van de Codsregering. De moderne mens meent dat hij een maakbare, beheersbare en bestuurbare samenleving tot stand kan brengen.
Maakbaar - Men ontleedt de schepping in de kleinst mogelijke elementen en gaat daarmee manipuleren. De mens zet in grenzeloze hoogmoed de schepping naar zijn hand.
Zelfs de gevolgen van de zondeval denkt men te kunnen overwinnen. Door middel van genetische manipulatie denkt men een sterk mensenras te kunnen ontwikkelen. 'Alles mag wat kan' is daarbij het parool.
Beheersbaar - Geboorte en sterven maken op de moderne mens geen indruk meer. Deze dingen kunnen beheerst worden met anticonceptiva en euthanasie.
Bestuurbaar - Met de computer kan men toekomstige ontwikkelingen zo nauwkeurig berekenen en voorspellen, dat men zeker is van het te bereiken resultaat. De toekomst schijnt in de handen van de mens te liggen.
Dit alles gaat niet aan ons en onze kinderen voorbij. De afhankelijkheid van God komt steeds meer onder druk te staan. De techniek schijnt de mens de baas te worden.
Maar wat dan? We kunnen de klok toch niet terugdraaien? Nee, maar we hebben wel te waken voor het andere uiterste, namelijk, dat we bewonderaars worden van de god Techniek, dat ons besef van afhankelijkheid van God volledig verdwijnt. Hoe moet het dan met onze kinderen, die in deze wereld opgroeien? Tegen de gemeente van Filadelfia zegt de Heere: "Gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijn Naam niet verloochend". Wat kunnen wij beginnen tegen die grote overmacht van wetenschap en techniek; wat staan we vaak alleen.
Prof. Wisse zegt, dat wij vergeten zijn om uit de openbaring Gods te leven. Wij verruimen om Gods Woord te raadplegen en we verdiepen ons te weinig in de achterliggende denkbeelden van technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.
Wij blijven echter rentmeesters van hetgeen de Heere ons heeft toevertrouwd. We moeten ons dan ook ernstig bezinnen op de ethiek, die geworteld is in Gods Woord, in plaats ons te laten leiden door de ethiek van 'alles mag wat kan'.
Een leven dichtbij Gods Woord leert ons onze afhankelijkheid te beseffen. Verder past ons een heilige nuchterheid ten aanzien van de prestaties van de techniek. Geen wetenschapper kan immers iets uitvinden, als God daartoe niet de mogelijkheid in de schepping heeft gelegd. Wat roemt dan een mens op zijn prestaties? God komt alleen de eer toe! Een mens blijft verantwoording schuldig aan God. Als een mens iets moet doen, waarvoor hij geen verantwoording kan afleggen, is er een grens bereikt.
Verder is het van belang, dat we ons afvragen of al onze bezigheden ons niet belemmeren om ons te bekommeren om wezenlijke zaken. Zorg dat we niet opgeslokt worden door het materialisme van onze tijd. Bedenk dat de vernuftigste uitvindingen onze ziel niet kunnen redden. Laten we onze kinderen de grondstukken van de waarheid bijbrengen. Relativeer de prestaties van de techniek. Moderne middelen moeten hulpmiddelen blijven; ze mogen onze afhankelijkheid van God niet aantasten.
Waak ervoor, dat de machine in de onderlinge communicatie niet de overhand krijgt. Dit kan afbreuk doen aan het horen van het Woord. Denk eraan, dat de Heere, dwars door alle gebeurtenissen in deze wereld heen, Zijn raad volvoert. Het hoofddoel van Gods besturing is, dat het schip van de Kerk straks in de eeuwige haven aankomt, zo besluit de heer De jager zijn referaat.
Tijdens het zingen van Psalm 93:1 en 4 wordt een collecte gehouden ten bate van de vakantieweken voor gehandicapten.
Na het zingen dankt mevrouw Van Haaren namens het bondsbestuur de vrouwenvereniging van Genemuiden voor de geboden gastvrijheid. Voordat de pauze begint laat ds. Melis nog zingen Psalm 62:1 en 4.
Vragen beantwoording
Met het laten zingen Psalm 84:1 heropent ds. Melis de vergadering. Vervolgens geeft hij het woord aan
mevrouw Evers, die het gedicht Cods voorzienigheid' voordraagt, aarna krijgt de heer De jager geleenheid om de ingediende vragen e beantwoorden,
Aan het einde van de vergadering eelt ds. Melis mee, dat de collecte 1.000, - heeft opgebracht. Namens et bondsbestuur betuigt hij dank an allen die hun medewerking aan eze avond hebben verleend, e vergadering wordt gesloten door e heer De jager, die nog laat zinen Psalm 33 vers 5 en voorgaat in ; ebed.
mersfoort
. van Haaren-van der Spek
ver Cods voorzienigheid
at w' ons nu in de geest verkloeken, pdat w' eerbiedig onderzoeken ods werking in hetgeen Hij schiep, p d' aardkloot en in 't bruisend diep; aardoor Hij krachtig onderhoudt I 't geen Zijn almacht heeft gebouwd.
od laat Zijn handenwerk niet varen elijk een kiel die in de baren Gelaten wordt aan vreemd bestier. ods almacht blinkt zo krachtig hier Is 't daglicht aan het sterrenhof aar eis der voortgebrachte stof.
De zon schiet uit de hemeltransen p d' aardkloot hare zuiv're glansen, n hitte die hier alles teelt. aar zo zij hare glans verheelt n over d' aarde niet verspreidt, tort alles straks in duisterheid.
'o werkt God in der dingen wezen, ie uit het niet zijn voortgerezen, odat z' alleen door Hem bestaan, n zonder Zijne kracht vergaan, ls Hij Zijn invloed hun onttrekt, ie steeds hun wezenheid verwekt.
God is oneindig in Zijn werking; ijn kracht vindt palen noch beperking, o die in alles is verspreid
Ten blijke van Zijn Godd'lijkheid, Waardoor Hij zo 't heelal regeert, Dat alles tot Zijn oogmerk keert.
Geen ster verschijnt er aan de hemel, Niets roert zich in het aards gewemel, Of God bestuurt zulks naar Zijn wil, Dies zij 't gemoed gerust en stil Omtrent hetgeen de Godheid doet, In zegen of in tegenspoed.
Men ziet noch loof, noch gras ontspruiten, Geen bloem, noch bloesem zich ontsluiten Noch koren groeien in zijn aar, Of 't blijkt aan 't mensdom zonneklaar Dat God het alles vruchtbaar maakt, 't Geen tot zijn groei en rijheid raakt.
God Die 't bestier heeft aller zaken Wil voor 't behoud der Zijnen waken; 't Zij dat zij krank zijn of gezond. Hij heelt hen die Hij heeft gewond. Zodat ons leven van Hem hangt, Met alles wat men hier ontvangt.
De schatten die de harten strelen, Komt God de mensen mededelen, Gelijk het Zijne wil behoogi, 't Zij men naar deugd of ondeugd jaagt. Zo wordt ook 't droev' armoedig lot De mensen toebedeeld van God.
Ziedaar, naar 't heilig Woord beschreven, Hoe 't al op aarde wordt gedreven Door Godes wil en hoog bestier. Dat elk dan 's Heeren hoogheid vier' En wete dat in 'f aardse dal Niets kan geschieden bij geval.
, Dies tone men geduld in rampen, Wanneer wij met hen moeten kampen En hun gewicht ons nederdrukt. 't Gemoed ga hierom niet gebukt, Noch zij vertwijfeld in die staat; Maar rust' op God, Zijn toeverlaat.
Doch als ons God schenkt Zijne zegen, Gelijk een dauw of milde regen, Zo tone men Hem dankbaarheid. Men eer' altoos Zijn hoog beleid, En houd' een ned'rig toevoorzicht Op alles wat Zijn wil verricht.
Dat wij dan God als Vader eren, Naardien geen schepsel ons zal deren, Of van Zijn liefde scheiden kan; Al zien wij, als een eedgespan Vervolging, zwaard en hongersnood, Versmaadheid, boeien, ja de dood.
Want God, als Heer' van Zijne werken, Komt alles door Zijn wil beperken. En heeft zo 't schepsel in Zijn hand, Dat niets zich roert op zee of land, 't Geen tegen Zijnen wille streeft; Naardien het alles door Hem leeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1998
Daniel | 32 Pagina's