Geen weg terug...?
Languit ligt Monique op de bank. In de stoel tegenover haar zit Mark, z'n benen bungelend over de leuning. Zijn beeld trekt weg. Kleurige ballen schieten door de ruimte. Monique volgt ze met haar ogen. Van links naar rechts. Van rechts naar links, de hele kamer door. Kamer? De kamermuren vervagen. Ze bevindt zich in een onmetelijk grote ruimte. Vol ballen in wonderlijk mooie kleuren. Het is alsof ze van een afstand naar zichzelf kijkt, alsof ook zij het hele heelal vervult, alsof ze buiten haar lichaam is. Er zijn geen problemen meer, geen vragen, geen zorgen. Het leven is één groot kleurenfeest.
Lang heeft ze zich ertegen verzet. 'Drugs' het was zo'n beladen woord. In elk geval iets om ver bij je vandaan te houden. Maar vandaag ging ze overstag. Ze had weer helemaal in de put gezeten toen Mark kwam buurten. De toekomst was een zwart gat. Ze had zich diep ellendig gevoeld. En toen kwam Mark met z'n LSD aanzetten, hij zei: "Toe meid probeer het dan eens, dan delen we het, ik zal je wel leren hoe het moet." Toen had ze eindelijk haar weerstand laten varen. En zo beleeft ze haar eerste trip.
Op haar achttiende was ze het huis uit gegaan. Heerlijk leek haar dat, op jezelf wonen, je eigen gang kunnen gaan. Het contact met thuis missen? Ach, was er eigenlijk thuis ooit wel echt contact geweest? Haar vader was druk voor de zaak, tot zaterdagavond laat. Haar moeder idem dito voor instellingen en verenigingen. Haar broer die twee jaar jonger was, ging op in z'n muziek, of was met vrienden op stap. Zij had ook haar vrienden op de jeugdvereniging waar ze mee optrok, en daarnaast moest ze behoorlijk wat tijd aan haar huiswerk besteden. Zo leefden ze alle vier hun eigen leven. Voor de buitenwereld en voor de kerk een net gezin. Keurige mensen, die ook niet hoefden te kijken op een paar centen. Maar van gezinsband, van onderlinge verbondenheid was weinig sprake. Wat wisten ze eigenlijk van elkaar, van wat ieder bezighield. Achteraf heeft ze zich wel eens afgevraagd of toch niet ieder dezelfde behoefte aan aandacht en warmte heeft gehad, maar dat ze het van elkaar niet wisten. Was het eigenlijk wel alleen de schuld van haar ouders, of had ook zij haar aandeel gehad in de koele afstandelijke sfeer van thuis? Later pas is ze daarover na gaan denken.
Eerst was ze alleen maar blij om thuis weg te kunnen. Om zelf haar leven in te vullen in de grote stad. Om met volle teugen te kunnen genieten van het studentenleven. Het eerste jaar had ze genoten. Ze had het naar haar zin op de studentenvereniging. Ook haar studie beviel haar goed, al moest ze er ook hard aan trekken.
Het tweede jaar was het misgegaan. Wanneer was het gekomen? Kwam het door haar verhuizing naar een ander studentenhuis? Kwam het door de mensen die ze hier leerde kennen? In die tijd was ze begonnen met blowen. Softdrugs gevaarlijk? Ach wat, of je nu een sigaret opstak of een joint rookte, verslavend was het tenslotte allebei. Haar studieresultaten gingen zienderogen achteruit. Kwam het door de hasj? Of was het door haar hopeloze verliefdheid op een medestudent waar ze helemaal door in beslag werd genomen? Of kwam het door de oververmoeidheid omdat ze met haar huisgenoten tot diep in de nacht door zat te bomen? Ze versliep zich regelmatig, miste colleges, raakte achter met haar studie. Ze had in die tijd al een bijbaantje in de horeca en hier leerde ze Mark kennen. Mark, een sympathieke gast. Hij leerde haar dansen, zodat ze zich geen muurbloempje meer hoefde te voelen bij een avondje uit. Ze hoorde eens over hem vertellen dat hij drugs gebruikte, harddrugs welteverstaan. Toen ze hem daarnaar vroeg, bevestigde hij dat: "Ja, zo af en toe een beetje." Maar ach, wat gaf dat eigenlijk. Ze voelde zich veilig en beschut in zijn armen. Was dat misschien de warmte, de geborgenheid waar ze al die jaren naar op zoek was geweest?
Aan het einde van het tweede jaar besloot ze een punt te zetten achter haar studie. Er was geen redden meer aan. Hopeloos achter liep ze,
en ze wist niet hoe ze dat ooit nog bij moest werken. Haar weekendbaantje beviel haar goed. Toen er een fulltime serveerster werd gevraagd, hakte ze de knoop door en solliciteerde. Binnen twee weken was haar benoeming een feit. Thuis waren ze intussen nog steeds in de veronderstelling dat ze druk aan de studie was. Zo af en toe liet ze daar haar neus nog zien. Een zaterdagje wipte ze nog wel eens over, zondags wilde ze weer terug zijn in de stad. 's Middags om te werken, en 's avonds trok ze met haar huisgenoten de stad in. Dat ze de kerk al in geen maanden meer van binnen had gezien liet ze thuis maar niet weten.
Na verloop van tijd laat ze thuis zo zijdelings horen dat ze niet meer studeert. Haar ouders reageren verbaasd en geschrokken. Na een hoog oplopende ruzie verlaat ze het huis, met de mededeling dat ze hier voorlopig niet meer komen zal.
Kan een mens zo snel kan afglijden? Na haar conflict met thuis voelt ze zich ellendig. Wat wil ze nu met haar leven? Als ze dan zo op haar kamer in de put zit, komt Mark langs. Mark die zijn LSD met haar delen wil. En zo heeft ze haar eerste trip.
't Is koud. 't Is nat. 't Is guur. De straat glimt. Onder het licht van de lantaarnpalen beweegt zich een tenger figuur. Haar haar hangt in natte slierten rond haar gezicht. Ze is op weg naar haar 'werk'. Nee, haar werk in het café is al lang verleden tijd. De behoefte aan drugs werd steeds groter. De tussenpozen tussen het gebruik steeds korter. Naast LSD was ze ook met heroïne begonnen. Wat had ze zich beroerd gevoeld toen ze dat voor het eerst gebruikte. 'Dat was eens en nooit weer, ' had ze gedacht, maar er volgde een tweede keer en een derde. Wat wekelijks werd, werd om de dag, werd dagelijks, soms zelfs meerdere keren op een dag. Na verschillende keren niet op haar werk te zijn verschenen, kreeg ze haar ontslag. En ach, het was voor haar toch al niet meer vol te houden. De lange dagen in het café redde ze niet meer.
't Contact met haar ouders was sporadisch, lang probeerde ze haar gebruik voor hen te verbergen. Als op een dag haar lichaam schreeuwt om heroïne en ze zich radeloos voelt omdat ze geen cent meer op zak heeft, dan neemt jeanet haar op sleeptouw, "jöh, ga mee naar de Veerman-kade. Ik wilde het eerst ook niet, maar het verdient goed. Ik doe het niet om die mannen, maar ik doe het om het geld. Let maar een beetje op mij, dan leer je het wel." Zo stelt ze haar vrouwzijn ter beschikking aan de bevrediging van mannen. Uiteindelijk verkoopt ze ook haar lichaam. Dan is er geen weg meer terug. Dan draait ze steeds vaster in de neergaande spiraal. Haar werk doet ze om drugs te kunnen kopen, en de drugs heeft ze nodig om zich staande te houden in haar vernederende werk.
Dan op die koude avond in het najaar is er dat meisje. Monique heeft het busje aan zien komen, en even later lopen er jonge mensen op de kade. Jongeren die soep uitdelen en een praatje maken met de vrouwen die hier werken. "Refo's" denkt Monique, als ze de lange rokken ziet. En met schrik bedenkt ze: "Als ik ze maar niet ken."
Maar gelukkig, ze kan er geen bekend gezicht tussen ontdekken. Een meisje stapt op haar af. Ze is nog jong, ziet Monique. Ze realiseert zich dat het nog niet eens zo lang geleden is dat ook zij nog open en onbevangen de wereld in kon kijken. Twee jaar, een kleine drie jaar misschien? Tweeëntwintig is ze nu. Wat bleef erover van haar idealen? Een wrak is ze geworden. Haar lichaam, haar leven heeft ze vergooid. De toekomst is grauw.
Is het haar verlangen naar menselijk contact, naar warmte, dat ze ingaat op de vragen van het meisje? Is het omdat ze de echte interesse proeft in haar houding, en meeleven leest in haar ogen, dat ze haar opeens zeggen durft: "Vroeger was ik net als jou..."
Ze ziet de verwarring bij het meisje. "Hoe bedoel je? " vraagt ze. "Nou, ook christelijk, en altijd een rok aan enzo, " vertelt ze dan. Het meisje reageert verschrikt: "Echt waar jöh? " dan, wat aarzelend: "Hoe., hoe ben je hier dan gekomen, of praat je daar liever niet over? " "Ach, wat zal ik zeggen? " Monique haalt haar schouders op "het bekende verhaal: bonje met thuis, verkeerde vrienden, blowen, heroïne, van het één komt het ander, het kan maar zo. Meid, pas maar op, en drugs, begin er nooit aan, " voegt ze er nog aan toe. "Want als je daar eenmaal aan begint, dan is je leven voorgoed verknoeid, dan is er geen weg meer terug. En de duivel, die lacht erom als hij er weer eentje te pakken heeft, want duivels is het, dat zie je zo al als je hier om je heen kijkt."
"Maar... maar de Heere jezus dan, " het meisje zoekt naar woorden, "daar heb je dan vroeger ook over gehoord, en dat Hij sterker is dan de duivel." "Dat kan best, " antwoordt Monique, "maar dan praatje over zulke hoge dingen, die passen niet meer in mijn wereld. 'De Heere Jezus', " herhaalt ze dan nog eens, en het is alsof het een klank is uit een ver, ver verleden. Een klank die niet past in deze omgeving van de Veermankade. "Toch zocht Hij juist zulke mensen op, " gaat het meisje verder. "Tja, " beaamt Monique, "ik ken de verhalen, maar ook dat in de Bijbel staat dat Hij gruwelt van hen die leven in hoererij en dronkenschap, nou, dat is duidelijk zat." "Weet je....eh, hoe heet je eigenlijk? "
"Monique. " "O, nou, ik Annelies,
weet je Monique, de Heere jezus, is Iniet voor hoeren naar de aarde «gekomen, en ook niet voor nette (christelijke kerkmensen, maar Hij Ikwam om zondaren zalig te maken. |En daarom mag jij, net zo goed als lik, vragen: "Schoon mijn zonden Ivele zijn, maak om Jezus wil mij I rein." Annelies ziet hoe de anderen lal op haar staan te wachten. "Zeg, ik Imoet nu gaan, misschien kom ik je Inog wel eens tegen, en als je wilt, kom dan gerust eens naar de Bijbelwinkel in het centrum, daar werk ik. Ken je die? " Monique knikt. Het is nat en guur en koud. Monique doet haar werk, als iedere avond. Maar in haar brandt iets van pijn en heimwee en diep verlangen.
De dagen rijgen zich aaneen tot i weken, tot maanden. Eén keer heeft Monique op het punt gestaan om naar het meisje toe te gaan. Toen het heimwee opnieuw brandde in haar hart. Ze heeft eens heen en weer gelopen langs de Bijbelwinkel. Maar naar binnengaan durfde ze niet. Het was op de dag en erg rustig. Bovendien had ze Annelies niet gezien in de winkel, alleen een oudere man achter de toonbank. Misschien werkte ze er wel niet meer, of had ze vakantie. Tenslotte is ze toen maar doorgelopen.
Het is lente geworden, tenminste, volgens de kalender. De dagen worden langer, maar de temperatuur is nog niet echt lente-achtig. Je winterjas heb je beslist nog nodig. In het centrum is het gezellig druk. Tja, koopavond zo net voor Pasen, dat wil wel.
Door de mensenmassa worstelt Monique zich een weg. Het is alsof iets in haar is geknapt. Alsof het gevoel wat ze maanden, ja langer dan een jaar heeft weggedrongen om haar werk te kunnen doen, zich niet meer laat tegenhouden. De walging, de afkeer, de wanhoop, het overspoelt haar. Waar het door kwam weet ze niet. Was het de ijskoude blik in de ogen van een van de klanten, die zo duidelijk zijn afkeer liet blijken van haar, het heroïne-hoertje. Hij zocht liever z'n vertier bij de vrouwen verderop op de kade. Of kwam het door de aanblik van de blinkend rode wagen, met het kinderzitje op de achterbank, wat de hele rottigheid van dit werk aan haar opdrong? Ze weet het niet. Ze is weggevlucht. En nu heeft ze maar één doel. Even een mens ontmoeten, iemand die haar niet veracht, maar die even met haar praten wil. En heeft Annelies zelf niet gezegd: "Als je wilt, kom dan eens langs? "
Ook in de Bijbelwinkel is het druk. Het maakt het voor haar makkelijker om naar binnen te gaan. Tussen al die mensen valt ze toch niet zo op. Ze ziet Annelies, ze is net iets aan het inpakken voor een klant. Monique buigt zich over een bak met kaarten, en rommelt wat tussen de pakjes. Dan opeens grijpt ze zich vast aan de rand van de bak, ze zoekt steun. Want daar klinkt plotseling een stem boven haar: "Wie ben jij, kleine vrouw? jong en toch zo oud. je gaf jezelf aan wie maar wou, en je hart bleef koud." Even, heel even denkt Monique dat ze haar verstand verliest. Dat het haar alles nu teveel is geworden. Dat ze dingen hoort die er niet zijn. Heel even maar, dan heeft ze zichzelf weer onder controle en realiseert ze zich dat de stem niet rechtstreeks tot haar gericht is, maar dat het een lied is dat uit de muziekboxen komt. Gebogen over de kaartenbak blijft ze staan. Met trillende benen luistert ze, hoe nu een vrouwenstem antwoordt: "Wie is Hij, deze Man, Hij wil mijn lichaam niet. Ik vraag me af, wat wil Hij dan, of..... kent Hij mijn verdriet? Hij staat daar maar en kijkt me aan. 't Is of Hij alles ziet. Dan voel 'k een warmte door me heen gaan, Hij veroordeelt niet." En opnieuw klinkt het refrein: "O, Maria, is dit jouw leven? Gaat het als een droom voorbij? O, Maria, Ik wil je geven alles wat je vraagt van Mij. O, Maria, is dit jouw leven? Ik kan vergeven. "
Monique staat daar maar en luistert. Tranen stromen over haar wangen. Dan is daar een hand op haar schouder. En een stem zegt warm en blij: "Monique, dat je nu toch gekomen bent..."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1998
Daniel | 32 Pagina's