De rijkdom van een kind van God
Arm en toen rijk
Wat is rijkdom? We hebben daar elk zo onze gedachten bij. Op mijn tocht naar de Theologische School kom ik door welgestelde buurten, langs schitterende villa's... is daarbinnen rijkdom? Ook kom ik door achterstandswijken met oude huizen... is daarbinnen armoede? Zó eenvoudig ligt het niet, dat weten we wel... Wie kent niet de woorden uit 2 Koningen 5?
Naaman nu, de krijgsoverste des konings van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE den Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats...
Ongetwijfeld woonde de grote en beroemde generaal Naaman in een kapitale villa. Hij was zeker rijk! Maar wat baatte hem dat vermogen en die roem? Had hij niet alles willen geven als hij maar van die verschrikkelijke ziekte was verlost?
Rijkdom...
Wat is rijkdom? Het woord komt in de Heilige Schrift vele malen voor. Altijd in ongunstige zin zeker? Niet altijd. Soms wel, inderdaad. Luister maar eens.
En die in de doornen bezaaid is, deze is degene die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar... Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms...
Maar lang niet altijd spreekt de Bijbel in negatieve zin over rijkdom. Niemand kan met de hand op Gods Woord volhouden dat rijkdom op zich verkeerd is. Verschillenden van Gods kinderen zijn rijk geweest. We komen daar nog wel op terug. Maar wat het meest opvalt als wij Gods Woord opslaan, is dat het woord rijkdom in vele gevallen (vooral in het Nieuwe Testament) helemaal niet gebruikt wordt in de betekenis die wij eraan plegen toe te kennen. Vaak wordt het door de bijbelschrijvers gebruikt om het grote goed aan te duiden dat in en bij Gód te vinden is. Luister maar hoe de Spreukendichter God hoort zeggen: Rijkdom en eer is bij Mij" (Spreuken 8:18), hoe de apostelen spreken over de rijkdom Zijnergoedertierenheid (Romeinen 2:4), over de versmaadheid van Christus, die door Mozes meerdere rijkdom werd geacht dan de schatten van Egypteland (Hebreën 11:26).
Ben kind van God...
We schreven wat over het woord rijkdom. Maar we zouden het hebben over de rijkdom van een kind van God. Wat is dan een kind van Cod? Wanneer is iemand dat? Laten we voorzichtig zijn! Toen we dachten over rijkdom hebben we geluisterd naar de Schrift. Laten we dat ook doen als we spreken over een kind van God. Wat maakt iemand tot een kind van God? Als we niet naar de Schrift luisteren, komen we in het subjectieve gevoelen van mensen. Dan vindt de één een kind van God iemand die aan het Heilig Avondmaal gaat; een ander iemand die een deel van zijn leven geeft om in een ontwikkelingsland te werken, een ander iemand die enthousiast en warm is en een ander iemand die voor zijn geloof in de gevangenis heeft gezeten. Maar geloof me: l deze dingen kan iemand hebben of gedaan hebben zonder een kind van God te zijn. Wat is een kind van God? Wat zegt Gods Woord? Zijn wij dat allemaal? 'Kinderen van één Vader'? In zekere zin wel, maar heel anders als het bekende vers het bedoelt. Adam wordt zo treffend in Lukas 3:38 genoemd: dam, de zoon van God. Ja, dat was hij! Zó is hij uit de handen van God voortgekomen, geschapen wat zijn lichaam betreft uit de rode aarde van de hof van Eden. Maar van de zonen en dochteren die Adam gewonnen heeft en van al die miljarden die uit hem zijn voortgekomen, geldt het ontzaglijke woord van Johannes 8:44: ij zijt uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. De Joden hadden Jezus niet begrepen. Hij had gezegd: Gij doet de werken uws vaders". Zij hadden geantwoord: Wij hebben één Vader, namelijk God". En toen was als een zware slag dat woord gevallen: ij zijt uit de vader de duivel. Ja, maar dat waren de Jóden... Nee, zeg dat niet. In de Romeinenbrief maakt Paulus de balans op van de gehele wereld waarin hij leeft, de wereld van heidenen en Joden. De ontzettende gevolgtrekking lezen we in hoofdstuk 3: ..opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij! Verstaan we wat Gods Woord wil zeggen? Niemand is een kind van God van nature!
Maar nu het wonder: r is een tenzij 1 . Dat tenzij lees je op verschillende plaatsen. We kunnen denken aan johannes 3:3: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien". Maar ook in onze Heidelbergse Catechismus kun je het lezen: Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Ja wij, tenzij dan dat wij door
de Geest Gods wedergeboren worden" (Zondag 3). Om een kind van God te worden is een wonder nodig. Het wonder van de wedergeboorte. Onze Dordtse vaderen hebben gezegd dat die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, door Cod zonder ons in ons wordt gewerkt (Dordtse Leerregels III, IV, 12). Waarvan zo heerlijk in de Schrift geproken wordt! Wil je daar een paar voorbeelden van horen? Luister maar: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop... Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods...
De rijkdom van een kind van God...
Is een kind van God nu rijk of arm? Die vraag kun je op twee manieren opvatten. Als je aan aardse rijkdom denkt, moeten we zeggen dat sommigen van Gods volk rijk, soms zelfs heel rijk zijn geweest. Van David, de man naar Gods hart, lezen we dat hij stierf in goede ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer. De godvruchtige josafat had rijkdom en eer in overvloed en koning Hizkia had zeer veel rijkdom. En hoe rijk was Abraham niet! Maar vraag je, of de meesten van Gods kinderen hier op aarde nu rijk of arm zijn naar de wereld, dan is het antwoord uit Gods Woord niet onduidelijk (1 Korinthe 1:26, 27):
Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen ...en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, teniet zou maken...
En als het over de ware rijkdom gaat? Ongetwijfeld heb je op de preekstoel wel eens de uitdrukking gehoord:
'Gods arme volk'. Maar even zeker is het dat je wel eens hebt horen spreken over de rijkdom en het geluk van Gods kinderen. En je hebt heel goed begrepen dat het toen niet ging over aardse rijkdom of aardse armoede, maar over iets anders. Maar als je dat begrepen hebt, blijf je misschien toch wel met de vraag zitten: als het dat over geestelijke rijkdom of armoede gaat, zijn Gods kinderen dan rijk of arm? Mag ik twee uitspraken van Gods Woord naast elkaar zetten?
Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen... (Zefanja 3:12). Want gij weet de genade van onze Heere jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden... (2 Korinthe 8:9). Wat is het nu: ods arme volk, of Gods rijke volk? Het antwoord kan op grond van Gods Woord alleen maar luiden: llebei! Gods volk is een arm bedelaarsvolk en blijft dat tot de dag van hun dood toe. En tegelijkertijd moeten we zeggen dat de rijkste miljardair in deze wereld zonder Go straatarm is, vergeleken bij een kind van God. Niemand heeft deze paradox beter onder woorden gebracht dan de apostel Paulus toen hij van Gods kinderen in Korinthe schreef dat zij waren als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende en nochtans alles bezittende (2 Korinthe 6:10).
Wat we hiermee bedoelen? Een waar en oprecht kind van God wordt na ontvangen genade zo heel arm. Hij leert verstaan dat hij alles mist wat hij nodig heeft. De kroon die hij droeg is hij kwijt. Het kleed dat hem sierde is verloren; naakt staat hij voor God. Het kapitaal dat hem was toebetrouwd, is veranderd in een hemelhoge schuld, die hij nog dagelijks meerder maakt. Ja, zeggen veel mensen vandaag: maar dat blijft niet zo! Wie Christus heeft leren kennen, heeft dat alles achter zich gelaten! Zingt het bekende versje niet: 'Een zondaar, een verloste, o Heer' en nu geen zondaar meer'? Rijk zijn vele christenen; rijk en gelukkig. Zij hebben het altijd. O ja, ze hebben het wel eens moeilijk. Maar de stralende glimlach breekt al spoedig weer door. Zij zijn rijke en blijde christenen en van armoede spreken zij niet meer. Soms zien zij zelfs ietwat meewarig neer op dat tobbende volk dat van hun armoede spreekt.
Wat moeten we hiervan denken? Laten we bedenken dat Christus in Openbaring 3 tot christelijke mensen spreekt, wanneer Hij zo ernstig waarschuwt: 'Gij zegt: ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm en blind en naakt...' Maar tot Zijn oprechte kinderen zegt de Heere iets anders: 'Ik weet uw armoede, doch gij zijt rijk!' In zichzelf blijft een kind van God arm; ja, we mogen zelfs zeggen dat de meest geoefende onder Gods
kinderen diegene is die het meest zijn armoede kent. Je kent de zaligsprekingen toch wel? Hoe worden Gods kinderen daar omschreven? Keer op keer in bewoordingen waar de wereld 'geen cent voor geeft' en waar zij medelijdend om lacht: de armen van geest, die treuren, de zachtmoedigen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, de barmhartigen, de reinen van hart, de vreedzamen...
Maar anderzijds is het ook waar: in Christus zijn Gods kinderen zo rijk, zo onbevattelijk rijk! Weet je hoe rijk? Luister dan hoe de apostel het zegt: Want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods...
(1 Korinthe 3:21-23). En in de zojuist aangehaalde zaligsprekingen horen wij Christus van de zachtmoedigen zeggen: ij zullen het aardrijk beërven! In de woorden uit 1 Korinthe 3 wordt heel duidelijk waarin de rijkdom van een kind van God bestaat. We kunnen het met vier woorden zeggen: ij is van Christus. En wie Hem toebehoort, heeft óók deel aan al Zijn schatten en weldaden, en die bevatten een rijkdom waar alle woorden te arm voor zijn.
Misschien zul je al deze dingen wel toestemmen. Maar het kan zo leven in een mensenhart: de praktijk van elke dag! O, we weten wel dat een kind van God rijk is. We horen het elke zondag en we geloven het ook wel. We zouden ook (als Bileam eens) met een kind van God wel willen sterven. Maar het leven van elke dag schijnt zo anders. Als een dodelijk gifgas vergiftigt het materialisme onze samenleving. De reclame, de advertenties, de gesprekken... Calvijn spreekt ergens van een beestachtige liefde voor deze wereld die het mensenhart heeft ingenomen. Dat gif doet ook in ons hart zijn werking. Bij ieder zal het op een andere wijze zijn werk doen; op een wijze die aansluit bij jouw persoonlijke ambities en geaardheid. En wat voor de één een obsessie van begeerte wordt, behoeft het voor de ander nog niet te zijn. Maar de hebzucht heeft zoveel vormenl Voor Achan was het een schoon sierlijk Babylonisch overkleed en tweehonderd sikkelen zilver en een gouden tong; voor Gehazi waren het zilver, klederen, olijfbomen, wijngaarden, schapen, runderen...
Als ik me niet vergis, zijn er drie zonden, die als een verschrikkelijke en onheilige drie-eenheid zijn: wellust, hebzucht en hoogmoed! Spreekt Johannes niet van de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens? Al deze dingen kunnen een ontzaglijke verzoeking zijn voor het jonge èn voor het oude hart. Ontelbaar velen gaan met deze begeerte (verzadigd of onverzadigd) het graf in. En dan? Luister eens.
En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn... (Lukas 16:23). Maar God zeide tot hem: ij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wines zal het zijn? Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God., . (Lukas 12:20, 21).
Er is slechts één remedie tegen het dodelijke gif van de hebzucht en de verleiding van de rijkdom: wederbarende genade. Dan ziet Mozes (wat een wonder!) in dat arme, verdrukte volk van God de versmaadheid van Christus en die betekent voor hem meerdere rijkdom dan de schatten in Egyptel Dan ziet Ruth in haar grijze, kromgebogen en straatarme schoonmoeder een rijkdom die de schatten van Moab zo ver te boven gaat! Dan behoeft Abraham van de koning van Sodom nog geen schoenveter te hebben, opdat gij niet zegt: ik heb Abraham rijk gemaakt! Maar is dat arme, rijke volk van God er nóg? Het is er nog. Je vindt ze maar zelden op de beurzen en in de kapitale huizen van deze wereld. Maar ze zijn er nog! Laat het je verlangen mogen zijn, deel te mogen krijgen aan de rijkdom van dat arme volk! Gelukkig, als van ons eenmaal gelden mag: en de bedelaar stierf...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1998
Daniel | 32 Pagina's