Zijn grootheid is ondoorgrondelijk
jiïs ik mijn oog verhef omhoog, Sn zie den blauwen hemeLsboog, Êezaaid met zoveel duizend sterren, < J\ooil afgekeken, noch geteld, En weid'zo voort, door 't ruime veld, < £)ie cirkel om, zo breed en verre, ( Ê> at mijn gedachte stuit en stoot, < £)an denk ik: , 0ch! wat zijt (Mj groot! Jloogwaardig Groot, dat niemand weet, Jioe hoog, hoe diep, hoe wijd, hoe breed, Oneindig, eeuwig, ongemeten! ( Êaart Gij de wijsheid in ons hert, foat deze zaak gewogen Sn niet door ijclelheid werd, vergeten.
Jan Xuyken (1649-1712)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1998
Daniel | 32 Pagina's