In mensen een welbehagen
Iets in de herfstatmosfeer stemde Jaccolien weemoedig. Ze ademde diep, snoof de kruidige geuren op, zag hoe de zon haar lange gouden banen door de bladeren schoof. Ze zou haar fiets bij de ingang van het park neer willen zetten om een eind te gaan wandelen. Genieten van het mooie, stille najaarsweer, van de sublieme kleurschakeringen, het spel van de zon, de glitteringen op het water van het kleine vennetje. Onwillekeurig rechtte ze haar schouders. Sterk zijn jaccolien! Vader wacht.
Thuisgekomen vond ze vader in paniek. Wezenloos keek hij haar aan. "Waar was je toch? je was nergens." Hoofdschuddend, de handen trillend, stond hij voor haar.
"Waarom was ze er niet? " Ze probeerde hem te kalmeren.
"Maar vader, 's middags ben ik toch altijd weg. Dan werk ik, dat weet u toch. Ga maar zitten, dan zai ik een kopje koffie maken."
Hij liet zich leiden als een kind, weer verzoend met het feit dat jaccolien thuis was. Innig tevreden dronk hij even later zijn koffie.
"Wat hebben we 't goed kind!" jaccolien lachte hem toe. Vader had gelijk. Ze hadden het goed samen. Doch dat waren tijden die steeds korter werden.
's Morgens was ze thuis. Vader die steeds achter haar aanliep. Vragen waarop ze tientallen malen hetzelfde antwoord gaf. Ze durfde het zichzelf haast niet te bekennen, maar 's middags, als ze naar haar werk ging, voelde ze zich als een vogel die de vrijheid tegemoet vloog. Ze hield zo van haar werk, het zinvol bezig zijn, de gesprekken en contacten met mensen. Maar als een verwijt kwam het dikwijls terug: is "bezig" zijn met vader dan niet zinvol?
Na het overlijden van moeder waren ze samen achtergebleven. Hoe anders was vader toen nog. Vader zorgde... en zou zijn dochter hem dan nu in de steek laten?
Familie en vrienden adviseerden: "Doe je vader naar een bejaardentehuis."
Wat was ze kwaad geworden om die, hoe goed bedoeld misschien, harde uitdrukking. "Doe je vader..." alsof hij een ding was waarmee naar willekeur gehandeld kon worden. Hooghartig had ze geantwoord: "We hebben het goed samen, 't gaat best zo."
Financieel kwamen ze niets tekort. Jaccolien ging part-time werken. Vaak beschuldigde ze zichzelf van egoïsme. Ze huiverde ervoor terug om na haar werk in een leeg huis te komen. Nu was vader er altijd. Vader met z'n zorg en belangstelling. Maar het aftakelingsproces zette door, Jaccolien wilde het niet zien. Vader was daar eerlijker in dan zij: "Kind, ik word zo vergeetachtig. Als ik m'n verstand maar behouden mag". jaccolien praatte er luchtig overjaren verstreken, zette de dementie door. Nog wilde Jaccolien het niet aanvaarden. Vader had toch ook z'n goede momenten. Over vroeger kon hij heel geanimeerd vertellen.
Toch werd het steeds stiller rondom vader en dochter Van Schaik. Jaccolien had weinig kennissen en de kring rondom vader dunde steeds verder uit. Daar getuigden rouwkaarten van, anderen werden ziekelijk. De ouderdom komt met gebreken. Ondanks zijn tachtig jaren, was vader lichamelijk gezond, maar meestal vertoefde zijn geest in nevelen,
't Was niet meer vertrouwd om hem alleen thuis te laten. Hij zette melk op voor koffie, maar vergat het gas uit te draaien. Liep in z'n overhemd de stromende regen in, op zoek naar moeder.
Elke middag ging Jaccolien met angst in haar hart de deur uit, hoewel de buurvrouw beloofd had, een oogje in het zeil te houden.
Eigenlijk kon het zo niet langer. Jaccolien wist het. Maar de momenten waarop hij zo intens genietend haar aan kon kijken en zei: "We hebben het goed samen, kind", kon ze hem die ontnemen? Het was toch haar plicht hem te verzorgen! Wat zou er met vader gebeuren als hij in het neutrale verzorgingshuis terecht kwam? Nee, daar niet naar toe, nooit! Verbeten klemde ze haar lippen op elkaar. Maar even later trilden diezelfde, eerst verbeten lippen, hulpeloos. Nooit? Wie was zij? Wat kon zij? Haar klacht steeg omhoog: "Heere, help me toch, ik weet het niet meer."
Het antwoord ontving ze enkele dagen later. Maar Jaccolien zag het slechts als een oordeel. Want bij haar thuiskomst wachtte haar buurvrouw haar op. De handen strijdlustig in de zij. Jaccolien hoorde haar verhaal maar half. Hoe buurvrouw op het geluid van een luid klapperend raam afgekomen was. Overal stonden ramen en deuren open en vader zat op z'n knieën voor de moederhaard, al mopperend op "die kachels van tegenwoordig, die geen warmte meer geven." Voor de kachel lag een
stapel kranten, "k Krijg het maar niet warm in huis. En nu kan ik toch nergens de lucifers vinden."
Buurvrouws beschuldigende stem bleef hangen, ook toen ze alweer lang verdwenen was. "Als hier ongelukken gebeuren, en dat ze gebeuren staat vast, dan ben jij er de oorzaak van."
"Dan neem ik m'n ontslag en blijf thuis."
Honend had buurvrouw gelachen. "Wees wijzer. Met ieder van ons kan iets gebeuren, maar jij bent veertig en je vader is tachtig. Als je vader komt te overlijden, ben jij je baan kwijt, 't Klinkt hard en nuchter, maar je kent me, ik hou er niet van om de dingen heen te draaien."
Nog meer dingen had buurvrouw gezegd, (accolien luisterde zonder weerwoord. Buurvrouw had gelijk, natuurlijk had ze gelijk, maar verstand en hart lopen niet zo dikwijls samen. Merkte de oude man iets van de strijd van zijn kind? Had hij het nerveuze bewegen van haar handen gemerkt? De tranen in haar ogen? Hij stond op, kwam naar haar toe en legde zijn hand op haar schouder. "We hebben het goed samen, hè kind."
Klonk er een vraag door in die woorden? Ze knikte hem toe en zag zijn ogen oplichten.
Toen zag ook (accolien weer een straaltje licht en herhaalde zijn woorden: "We hebben het goed samen." Maar donkere wolken verdreven het meteen weer toen ze even later naar z'n slaapkamer liep en een stapeltje ondergoed klaarlegde. Wantrouwend klonk zijn stem: "Wat doe je daar? "
"Schoon ondergoed klaarleggen vader. Morgen is het baddag."
Een norse, afwerende trek kwam op zijn gezicht: "Altijd maar dat bad. )e wilt toch niet beweren dat ik vuil ben. Leg dat ondergoed maar terug, want ik ga niet in bad." Zijn stem klonk beslist.
Zuchtend nam Jaccolien het stapeltje op. Morgen maar weer proberen. Nog klonken de woorden haar in de oren: we hebben het goed samen. Maar het leek wel of de echo schaterlachte.
Een flinke griep bracht Jaccolien op bed. De doortastende buurvrouw nam deze gelegenheid te baat om "er werk van te maken." 't Gevolg was, dat vader Van Schaik na enige tijd verhuisde naar een verzorgingshuis. Buurvrouw wreef in haar handen. Dat 't nou toch allemaal zo goed uitkwam. Wie had gedacht dat het zo vlot van stapel zou lopen. Blij toe, want mens, je hield je hart vast als z'n dochter de deur uitging. Die oude baas ging zulke gekke dingen doen.
Wel was buurvrouw er van overtuigd dat Jaccolien "haar bloed wel drinken kon". Want tenslotte was buurvrouw degene die de zaak aan het rollen had gebracht. Ze keek dan ook verwonderd op toen jaccolien haar bedankte voor haar medewerking.
"De beslissing is me uit handen genomen." Buurvrouw knikte. Zelf zou ze zich anders uitdrukken, maar ze begreep Jaccolien wel. Maar toen Jaccolien zei dat buurvrouw "als werktuig dienst had gedaan", trok ze haar wenkbrauwen op. Dat ging "boven haar pet". Die kerkelijken waren toch aparte lui.
Enfin, beter zo dan dat ze ruzie gekregen had. En 't was toch zeker veel beter dat zo'n man nou in een tehuis zat. Had-ie aanspraak en alles wat-ie nodig had.
Maar van dat laatste was Jaccolien nu juist niet overtuigd. De beslissing is me uit handen genomen, had ze gezegd en buurvrouw kreeg de gedachte dat ze er vrede mee had. Dat had ze ook, op één ding na. En juist met dat ene bleef ze worstelen.
Vader had z'n verzorging; tijdens haar dagelijkse bezoekjes merkte ze dat hij het goed had. Natuurlijk ging alles er niet aan toe zoals thuis, maar daar maakte ze geen punt van. Ze zag de tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Het stemde haar blij en verdrietig. Had ze dan zo weinig voor vader betekend? Ze was blij dat hij zich thuis voelde, maar... miste vader haar dan niet? Miste hij z'n vertrouwde omgeving niet? Het werd nog erger toen ze op een dag bij hem kwam en hij haar verwonderd aankeek na haar begroetingskus. "Nee maar, zo maar een zoen van een vreemde."
Pijnlijk getroffen keek ze hem aan. "Maar vader, u weet toch wel wie ik ben? Jaccolien."
Z'n gezicht klaarde op. Natuurlijk, ze was Jaccolien, z'n dochter. Maar toen ze wegging schudde hij haar hand en zei beleefd: "Aardig dat u geweest bent." Hij lachte vriendelijk. Ze vluchtte weg. Haar hart schreide. Vader toch!
Ze keek uit naar de dagelijkse bezoekjes, en zag er tevens tegen op. Soms was er een moment van helderheid, maar echt contact was er niet.
Als ze kwam, zat hij meestal aan tafel, de opengeslagen Bijbel voor zich.
Maar als ze vroeg wat hij gelezen had, keek hij haar nietszeggend aan. In jaccoliens hart was er de worsteling, waaruit tenslotte de woorden: "Zie je wel dat het allemaal leugens waren", zegevierend omhoog stegen. Vader, hoe had hij in vroeger jaren getuigd van de hoop die in hem was. Hoe had hij God groot gemaakt. Na moeders dood werd hij zwijgzaam. Bij Jaccolien rees toen al de twijfelmerkte ze iets van de strijd, van de duisternis waarin hij leefde? God, Wie was God, waar was God? Was het allemaal wel waar? Leer en leven waren zo dikwijls met elkaar in strijd. Kijk nu naar vader. Zou God het toelaten dat één van Zijn kinderen langzaam maar zeker z'n verstandelijke vermogens kwijtraakte?
Tenslotte belandde hij in een neutrale instelling. Hij had Gods Woord voor zich, maar zijn ogen waren leeg. Nooit meer sprak hij over geestelijke zaken. Jaccolien kon het niet begrijpen. Zou vaders leven dan een leugen zijn geweest? Evenals zijn getuigenissen? God? Wie was God, waar was God?
Toen de eerste sneeuw viel en alle vuilheid bedekte, haastte ze zich naar vader. Ze had nieuws waarvan ze vader deelgenoot wilde maken. Ze kon weer hele dagen gaan werken. Wat was ze er blij mee!
Binnengekomen in vaders kamer moest ze even wennen aan het schemerdonker. Haar vreugde verdween toen ze het licht aangeknipt had en merkte dat vader niet uit z'n stoel
kon omdat een band hem vasthield. Later kwam de verklaring. Ze hadden haar van te voren willen inlichten dat vader in een onrustband zat. Het ging niet langer zonder. Hij liep overal naar binnen, veroorzaakte nogal wat deining,
jaccolien slikte. Natuurlijk, ze begreep het. En ze suste vader als een klein kind toen hij dreinde: "Ik wil eruit, hoor je, ik wil eruit."
Z'n vest vertoonde twee grote vetvlekken. Er liep wat speeksel uit z'n mond. En weer slikte ze, maar de prop in haar binnenste werd groter. Was dit de mens, het pronkjuweel van de schepping?
Een ruk aan haar arm: "Heb je snoep? Geef me een pepermuntje, alsjeblieft, geef me een pepermuntje." Hij stak z'n bevende hand uit, smekend.
Ze wist dat hij een suikerloos dieet had. Probeerde hem af te leiden. "Vader, kijk eens, het sneeuwt." Het lukte. Ze zuchtte van verlichting, maar bij haarzelf rezen de vragen weer.
Sneeuw, symbool van reinheid en licht. Het paste bij de adventstijd, de tijd van verwachting. Was dat zo? Overal donkerheid, duisternis. Het volk dat in duisternis wandelt. Daar hoorde zij bij, daar hoorde ook vader bij.
Een zuster kwam binnen. Liet een papier achter. Uitnodiging voor een kerstadventsavond. - Ook familieleden zijn van harte welkom-. Er trok een sceptisch lachje om Jaccoliens mond. Haar niet gezien. Ze zag zichzelf al zitten tussen al die stakkerds. Vader zag het papier.
"Wat is dat? " wilde hij weten. Ze vertelde het. Hij reageerde meteen: "Daar gaan we naar toe. Help me eens even."
Ze legde het uit: "t Is volgende week pas vader."
"O." Z'n belangstelling zakte af.
Maar Jaccolien was er nog lang mee bezig. Gaan? Niet gaan? Zelf wilde ze niet, maar vaders reactie: "Daar gaan we naar toe", was zo spontaan geweest.
Op de bewuste avond was ze present.
"Vader, ik kom u halen. We gaan naar de kerstavond."
"Kerstavond? " echode hij.
"Ja, er komen twee koren zingen, een mannenkoor en een meisjeskoor. U wilde er toch zo graag naar toe? "
"Weet ik niet hoor, nou, veel plezier."
Opnieuw probeerde ze: "We zouden samen gaan, vader." "Wel, vooruit dan, om jou te plezieren."
Ze kon een glimlach nauwelijks onderdrukken. Zij dacht vader 'te plezieren' en hij haar.
De zaal was al behoorlijk vol toen ze binnenkwamen. Noodgedwongen kwamen ze op de voorste rij stoelen terecht. Er klonk een zacht geroezemoes. De warm getinte gordijnen waren gesloten. Het hout in de open haard knetterde. Er was sfeer, moest Jaccolien toegeven. Maar zo vierden velen het kerstfeest immers. Uiterlijk vertoon. En dat niet alleen bij de onkerkelijken.
Vlak voor hen stonden de meisjes. Even nog smoezen met elkaar, een verstolen gegiechel, toen was alle aandacht voor de dirigent. Er werd goed gezongen, maar iets in haar verzette zich tegen alles. Zelfs een neutrale instelling leende zich in de kersttijd ervoor dat men christelijke liederen kwam zingen. Het hoorde bij Kerst.
De hoge, zuivere meisjesstemmen zongen: Vrede op aarde.
De mannenstemmen vielen in: In mensen een welbehagen.
Achter zich, naast zich wist ze vaders medebewoners.
Jaccolien hoorde het zingen niet meer. De vragen stapelden zich op. In mensen een welbehagen? Keek dan niemand om zich heen? In mensen een welbehagen? Deze mensen met hun verduisterde en benevelde verstand? Ze zou op willen staan, weg willen lopen. Maar de stemmen zongen. Ze keek opzij. Luisterde vader?
Later bracht ze hem naar zijn kamer. Hij was moe. Z'n ademhaling ging stotend. Spijt had ze van haar besluit om de avond bij te wonen. Iets van haar onvrede uitte ze. Spottend, bijtend: "In mensen een welbehagen." Een reactie verwachtte ze niet. Maar die kwam wel.
Wonderlijk helder klonk vaders stem toen hij beaamde: "Ja kind, onbegrijpelijk wonder. In mensen een welbehagen. En dat voor schuldige zondaren. Ook voor een doemwaardige als ik ben. Hij, Die beloofd heeft dat Hij tot de ouderdom toe Dezelfde zal zijn, ja, Die zegt: Tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal u dragen en redden. God is goed kind! Wat Hij belooft, zal Hij doen. Tot de grijsheid toe. Hoe oud ben ik? " De stem verfloerste, de uitdrukking in de grijze ogen werd wezenloos. Vader telde op z'n vingers: "Eén, twee, drie, vier, vijf."
jaccolien merkte het niet. In haar hart was diepe verwondering, maar tegelijk was ze diep beschaamd. Haar vragen waren beantwoord. Ze keek naar vader die geconcentreerd telde, telkens opnieuw: "Eén, twee, drie, vier, vijf."
Waarom hij telde, was hij alweer vergeten.
Hardop zei Jaccolien: "Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest."
De oude man merkte het niet, hij telde door. Maar zijn dochter had iets begrepen van het onbegrijpelijke wonder: In mensen een welbehagen.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d'ere toegebracht; Wij steken het hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild, in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Is re Is God gegeven.
Met toestemming overgenomen uit Mbuma-zendingsblad
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1997
Daniel | 41 Pagina's