Advent - verwachten
Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord Psalm 130:5
In de adventstijd worden wij gewezen op het verwachten van de Oud-Testamentische kerk, het uitzien naar de vervulling van de belofte van God van de komende Verlosser. Op Zijn komst in de wereld mogen wij nu terugzien. We mogen Zijn geboorte in Bethlehem straks weer gedenken.
Onmisbaar is echter voor ieder van ons dat Hij in ons hart geboren wordt. Hij moet in ons leven persoonlijk gekend worden, omdat het bij ieder van ons, jong en oud, verzondigd ligt voor God en bij de naaste.
De dichter was een mens met verwachting, een goede en welverzekerde verwachting. Daar kun je jaloers op worden. De dichter kan de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Zijn verwachting is immers niet van nietige en vergankelijke mensen, maar van de HEERE. Dat is de God Die Zijn verbond met Israël gemaakt had. Hij is de onveranderlijke en Getrouwe voor allen die het bij Hem zoeken en het van Hem verwachten met een verlangend uitzien! En dat terwijl het bij hem verzondigd is en alles in zijn leven het lijkt te weerspreken. Hij roept immers uit diepten van ellende. De dichter kan voor de HEERE niet bestaan als Deze met hem naar zijn ongerechtigheid zal handelen.
Hoe is het bij jullie, jonge vriend(inn)en? Welke verwachting heb je? Is dat een goede? Ook een zekere, een verwachting op een onvergankelijk goed? Kan dit van iets van de wereld gezegd worden die met al haar begeerlijkheden voorbijgaat? Misschien heb je nu al in je jonge leven tegenslagen en teleurstellingen. Waar zoek je de oorzaak, waar de uitkomst?
Ik verwacht de HEERE, zegt de dichter. Hij is de énige Houvast, ook - ja juist dan - wanneer al het andere teleurstelt. Teleurstellingen niet alleen rondom je, maar ook - en vooral - in je, vanwege dat zondige, jouw ongerechtigheden. Het is vanouds de belofte van Eén, door Wie alleen vergeving is, om hiervan te verlossen. Hij kwam om voor zondaren te betalen in lijden en sterven. Hij wordt genoemd: e HEERE, onze gerechtigheid (jeremia 23:6). In het Woord worden wij op Hem gewezen, opdat wij het in al onze hopeloosheid en onwaardigheid, onder onze schuld en in onze ellende, van Hem zullen gaan verwachten met onze ziel. Dat wil zeggen, dat we met heel ons innerlijk naar Hem zullen uitzien, met het verlangen Hem te mogen kennen als ónze Verlosser. In een roepen tot God, met smeking: EERE, hoor mijn stem! Ik hoop op Zijn Woord, zegt de dichter. Want daarin is Hij verborgen. Onderzoek het! Speur het na! Doe dat onder biddend opzien om de verlichting van Gods Geest. Dat Woord is een helder licht, een lamp die de weg wijst. De Heere Jezus is immers de Weg tot God (Johannes 14:6). Door het geloof in de vergevende kracht van Zijn bloed mag er vrede met God gekend worden. Op dat Woord mag een arme zondaar hopen die nergens anders verwachting uit kan putten. Ook onder de meest moedbenemende omstandigheden en zwaarste aanvechtingen. Met de profeet Micha mag hij zeggen: aar ik zal uitzien naar de HEERE, Ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen (Micha 7:7). Omdat de belovende God waar is.
'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken,
't Geen uit Mijn lippen ging, blijft en onverbroken. vast
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1997
Daniel | 41 Pagina's