Het smeekgebed van de tollenaar
rJiij was ooimoedig bij de ingang blijven steken, onwaardig op een plaats bij God te mogen staan. J~lij sloeg geen oog ten kemel bij zijn smeken, maar wel zijn vuist op 't hart dal onrecht had gedaan.
Jlij had geen deugden om zich aan le kunnen prijzen; slechts zonden zag hij in zichzelf bij godd'lijk licht. Zijn geldzucht kon alleen de helweg wijzen, en 't oordeel Gods was billijk in 't beleefd gericht.
Maar door zijn tranen heen zag hij het brandaltaar - de farizeeƫr was er haastig langsgelopen - daar was het offer voor hem, vuile schuldenaar!
Zo vond de grote zondaar rechtsgrond om te hopen. Ja, dankdag werd het voor de arme tollenaar! Gods Zoon doet voor veroordeelden de hemel open.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1997
Daniel | 32 Pagina's