De prediking ter discussie?
n.a.v. "Het is ingewikkeld geworden"
Het inmiddels bekende boekje van prof. dr. ir. J. Blaauwendraad heeft al heel wat tongen en pennen in beweging gebracht. Voor sommigen is het een treffende verwoording van wat er aan vragen en gedachten leefde en leeft. Anderen vinden het een uiting van een verstandelijke en kritische redenering. Omdat het hierbij gaat over zaken die de leer en de prediking aangaan, komen de gesprekken nogal eens op scherp te staan. We voelen ons er allemaal zo nauw en persoonlijk bij betrokken. Het zijn ook uiterst wezenlijke dingen. Daarom willen we ook in Daniël aan het ter bespreking aangeboden boekje aandacht besteden.
n.a.v. "Het is ingewikkeld geworden"
Het is niet mijn bedoeling dit "pleidooi voor gewoon gereformeerd" in ons jongerenblad te recenseren in de gebruikelijke zin van het woord. Het zou ook wel erg veel ruimte vragen wanneer op al de aangedragen punten ingegaan werd. Dit gebeurt uiteraard in ons officiële kerkelijke blad De Saambinder wel uitvoeriger. Op het hoofdthema (de prediking) wil ik wat breder ingaan. Verder wil ik bij enkele punten een opmerking plaatsen. Aan onderliggende theologische vragen ga ik voorbij.
De prediking volgens de (nadere) reformatoren
In de eerste hoofdstukken geeft Blaauwendraad weer hoe de prediking behoort te zijn volgens de geschriften van reformatoren en nadere reformatoren. Uiteraard is Blaauwendraad bij het. weergeven van deze zaken subjectief. Dat kan eigenlijk ook niet anders, zeker niet in het korte bestek waarin hij deze zaken samenvat. Enkele facetten haalt hij naar voren. Zo benadrukt hij sterk dat de prediking moet zijn nodiging, aanbieding van de genade, verkondiging van de belovende God. Met citaten van oudvaders onderbouwt hij zijn betoog.
Hoe preekte de Heere Jezus?
Wanneer ik hierover iets wil schrijven, begin ik het liefst bij de hoogste norm die er is, de Schrift Zelf. Hoe preekte de Heere jezus?
Het lijkt mij uit de evangeliën duidelijk dat Hij iedereen aansprak. Dat mogen wij in de prediking dus niet anders doen. Natuurlijk kan dat per preek verschillen. In de ene preek worden vooral Gods kinderen aangesproken; de andere keer is er meer een boodschap tot de onbekeerden. Maar het totaal der prediking zal zich tot allen moeten richten. Blaauwendraad is beducht voor een prediking waarin slechts een enkele zin tot de onbekeerden wordt gezegd, en dan nog vaak als wens.
We moeten opmerken dat de Heere Jezus Zijn hoorders niet met rust liet. Wenend stond Hij voor de poorten van Jeruzalem. De echte evangeliedienaar zal er toch weet van hebben dat Christus door hem de (alle) hoorders bidt: "Laat u met God verzoenen." Eerlijk gezegd kan ik ook niet zo best begrijpen dat er gepreekt zou worden zonder dit wezenlijke element. Juist als we moeten constateren dat zoveel hoorders onbekeerd zijn, zal in het voetspoor van de profeten en van de Heere Jezus Zelf de boodschap na aan hun hart en leven gelegd moeten worden.
De bijbelse klem moet aangelegd
Als we verder letten op de prediking van de Heere jezus dan is het waar dat Hij nodigde. In Johannes 7 : 37 bijvoorbeeld "Zo iemand dorst, die kome tot Mij." En in Mattheüs 11 : 28 "Komt herwaarts tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven."
De grote Leraar riep op tot bekering en geloof (Markus 1 : 15).
Met Blaauwendraad meen ik inderdaad dat de nodiging in de prediking niet zal mogen ontbreken. Ook op andere plaatsen in de Schrift (Jesaja 45 : 22; Ezechiël 33:11; Jesaja 55 : 6, 7) wor-
den onbekeerden sterk op hun verantwoordelijkheid aangesproken. Hoe zou een prediker kunnen nalaten deze bijbelse klem aan te leggen? Hij zal zich immers voor Zijn Zender moeten verantwoorden? En dan zal het bloed der hoorders van onze hand geeist worden. Aangrijpende gedachte.
Oproep tot geloof èn bekering
In het pleidooi van Blaauwendraad voor de oproep tot geloof ligt een waarschuwing tegen het gevaar van valse lijdelijkheid. Zo'n waarschuwing is terecht, de Schrift geeft de mens hiertoe geen enkele ruimte. Maar als ik Blaauwendraad hierover lees, komt het bij mij helaas te veel zo over dat de oproep tot geloof sterk benadrukt moet worden, terwijl de oproep tot bekering (in de betekenis van: breken met de zonde) op de achtergrond blijft. Dit is een onschriftuurlijke eenzijdigheid. Met het grote gevaar dat een geloofskeuze lijkt te kunnen samengaan met een werelds levenspatroon.
In de nodigingen van de Heere Jezus die ik citeerde valt mij nog iets op. Eigenlijk zijn het geadresseerde nodigingen: orstenden, vermoeiden, beladenen. Nu zijn er zeker ook algemene nodigingen (Jesaja 45 : 22 bijvoorbeeld). Maar deze wezenlijke onderscheiding komt bij Blaauwendraad niet uit de verf. Toch is deze bijbels; en zo wisten juist ook onze oudvaders zielen verder te leiden.
Zo heel vaak lezen we overigens niet dat de Heere Jezus nodigde. Vaker verklaart Hij hoe het toegaat in het Konink-rijk Gods. Veel gelijkenissen vertelde hij daartoe.
Tekenen deed Hij en verklaarde daarbij de geestelijke boodschap, denk slechts aan Johannes 6 en 11.
Veelzijdigheid in de prediking
Ik vroeg mij af: kun je nu zeggen dat de Heere Jezus de belovende God op de voorgrond stelt? In de geciteerde en sommige andere teksten wel. Maar vaker spreekt Hij vermanend, waarschuwend, onderwijzend, uitleggend. Heel vaak is Zijn prediking separerend (twee wegen, twee bouwers, wijze en dwaze maagden, het zaad op vier plaatsen in de akker). Vooral in het (tweede deel van het) Johannes-evangelie lezen we hoe Jezus Zijn discipelen op tere wijze inleidde in de heilgeheimen van zalig worden.
Vooral: de werkende God
Het gaat niet vooral over de belovende God, maar over de werkende God. Dat is voor mij het grootste wonder: de Heere werkt Zijn genadewerk Zelf uit. Vanuit Zijn welbehagen. Christus gaf Zich daartoe. De Heilige Geest bearbeidt zo zielen door het Woord. Een wonder dat de Heere Zelf zo werkt en dat werk verklaart en laat verkondigen. De nodiging (algemeen en geadresseerd) is daarbij van wezenlijk belang; maar ook de vermaning en waarschuwing, zelfs de dreiging en het separeren, en evenzeer vertroosting en herkenning. Zo komen ook aan de orde de leer van de noodzaak der wedergeboorte Oohannes 3) en het eenzijdige karakter van het werk der genade (Johannes 6, en het tweede deel van het Johannes-evangelie).
In dit licht is het naar de achtergrond schuiven van de wedergeboorte, zoals Blaauwendraad doet, beslist niet juist. Als er geen wonder van God gebeurt, wordt het nooit wat in een mensenleven. Laat dat toch ook vandaag vooral blijven klinken.
Blaauwendraad merkt op dat het benadrukken van de wedergeboorte is ontstaan als reactie op het arminianisme. Hij gaat er echter geheel aan voorbij dat dezelfde gevaren ook vandaag volop aanwezig zijn. In de prediking mag dat niet over het hoofd worden gezien. Overigens zonder ook maar iets tekort te willen doen aan de bijbelse en confessionele aanbieding van het heil en oproep tot bekering en geloof.
Oudvaders ook veelkleurig
En hoe preekten nu onze gereformeerde vaderen? Was hun prediking hoofdzakelijk aanbieding en nodiging en spraken zij vrijwel uitsluitend over de belovende God? Ik denk dat het zo beslist niet is. Wie preken leest van Calvijn, a Brakel, R. en E. Erskine, Van der Groe, Hellenbroek, vindt daarin nodiging en beklemtoning van de verantwoordelijkheid van de mens. Maar •vooral ook schriftuitleg en dogmatische uiteenzetting, en niet te vergeten bemoediging van zoekenden. Het separerend element en de weergave van hoe het bevindelijk gaat wanneer de Heilige Geest een ziel bearbeidt, blijft zeker niet achterwege. Juist dat laatste krijgt groot accent bij de kern van onze oudvaders.
Je kunt je afvragen of Blaauwendraad de oudvaders recht doet met zijn weergave. Om een bepaald punt (nodiging, verantwoordelijkheid van de mens) onder de aandacht te brengen, haalt hij juiste dingen aan. Maar de oudvaders stellen veel meer zaken aan de orde in hun prediking en in hun schrijven over de dingen van het heil. Dat weet Blaauwendraad natuurlijk ook wel. Maar toch haalt hij een zijde naar voren. Tot op zekere hoogte mag dat van mij. Hij doet dat omdat hij vindt dat er eenzijdigheden zijn. Dan gaat hij, zo zei hij het immers, "aan de andere kant uit de boot hangen." Toch lijkt mij evenwichtigheid beter dan eenzijdigheid, ook als dat eenzijdigheid uit reactie is. We moeten degene die we aanhalen, wel recht doen. En we mogen niet de indruk wekken alsof veel andere zaken bij hen niet zo essentieel naar voren kwamen.
Prediking is niet tijdloos
Over deze zaken schrijvend, stelt Blaauwendraad dat er een verschuiving is opgetreden. De preken uit de tijd van de (Nadere) Reformatie zijn anders dan die van nu. Deze constatering is juist. Het kan ook niet anders, want een preek mag immers niet tijdloos zijn. Maar dat bedoelt Blaauwendraad uiteraard ook niet. Hij zegt dat er een tendens waar te nemen is waarbij kenmer-
ken die in de preken van de oudvaders dienden als bemoediging voor de zwakken in het geloof nu als voorwaarden (dreigen te) gaan functioneren. Persoonlijk denk ik dat het zuiverder is te stellen dat vandaag in sommige preken geprobeerd wordt onderscheidingspunten aan te geven tussen oppervlakkig geloof en het ware werk van de Geest.
In dit opzicht is er inderdaad een historische ontwikkeling op te merken. De nadere reformatoren zagen dat velen in de leer wel zuiver waren, maar dat de uitleving vaak niet gereformeerd was en dat de doorleving van de waarheid in het hart te zeer ontbrak. Hun prediking sneden ze daarop toe.
Geestelijk klimaat in onze tijd
in onze tijd In onze tijd is er een beweging van verondersteld geloof merkbaar. De menselijke onmogelijkheid wordt niet zo benadrukt. Het accent ligt vooral op wat God belooft. Tegen die achtergrond worden en zijn predikers onder ons bevreesd dat zielen misleid kunnen worden. En zij beseffen dat straks ook het bloed van deze hoorders van hun hand geëist zal worden. Het zal wat zijn als dan zal blijken wat de Heere Jezus noemt: "Velen zullen menen in te gaan en zullen niet kunnen." Dat Blaauwendraad oog heeft voor dit facet van waken over de zielen, blijkt helaas niet. Een bijkomend probleem is te merken hoe moeilijk tegen deze geest in te gaan is. Het ontdekkende woord van de Heere jezus (Hij hanteerde dit element in Zijn prediking ook reeds) kreeg eens als wedervraag: "Zijn wij dan ook blind? "
Zo krijgt in de prediking het onderscheid tussen echt en nabij komend aandacht. Dat is niet nieuw; daarvan wisten ook onze oudvaders. En dan hoeven we niet alleen aan Van der Groe en Meade te denken. Ook bij de Erskines, Boston, Beukelman, Calvijn en anderen tref je dit element aan. Dat dit tijdbetrokken element er is in de prediking, zal Blaauwendraad toch niet veroordelen, hoop ik.
Misbruik mag het evangelie niet verdonkeren
Nu gaat er iets mis wanneer dit facet de gehele prediking gaat beheersen.
'k Denk dat de kracht van onze oudvaders was dat ze zeer ontdekkend en afsnijdend konden zijn. Ze lieten niets van de mens en zijn godsdienst heel, Maar tegelijk lieten ze de breedte en ruimte van de genade schitteren. Vrees voor misbruik mag ons niet weerhouden het aanbod der ganade aan alle hoorders te prediken. Op de verantwoordelijkheid van de mens tegenover de wet en tegenover het evangelie kan niets in mindering gebracht worden. Maar evenmin op het goddelijk eenzijdig genadekarakter van het heil in Christus. Ook niet op de bemoedigende en tevens separerende kenmerken van het werk van de Heilige Geest.
Het wezenlijke positief blijven stellen
Iedere tijd heeft eigen zorgen en daarmee eigen accenten in de prediking. Ds. G. H. Kersten had te maken met veronderstelde wedergeboorte en drieverbondenleer; ook wel met verkeerde gemoedelijkheidsinvloeden vanuit het gezelschappelijke leven. Hij wees, vooral in zijn dogmatiek, sterk terug naar de nadere reformatoren.
In de tijd van ds. A. Vergunst waren er andere gevaren. Hij had ook reeds te maken met een opkomend verstandsgeloof. Dat wees hij af en greep terug op Comrie, de Erskines en anderen om positief te stellen waar het in de prediking om gaat. Het aanbod van genade werd niet verdonkerd. Maar de noodzaak van de persoonlijke toepassing door de Heilige Geest evenmin. In zijn bekende boek 'De geestelijk pelgrim' schrijft hij op blz. 388: "Hoe is Christus in uw ziel geopenbaard? Dit is zo'n wezensvraag. Dat is zo'n zaak van het allergrootste gewicht." "Ik geloof dat het euvel van velen, zelfs ook onder ons hier en daar, is, dat ze van die persoonlijke openbaring van Christus in hun leven niet weten. Al is het dat ze van Christus spreken" (blz. 383). En vervolgens weet Vergunst weer meteen de goede, warme pastorale toon te
treffen. Kersten en Vergunst, en wij moeten en willen dat ook doen, worstelden om het behoud van de goede gang in leer en prediking. Meeglijden met de geest van de tijd mag niet, maar verkrampen en verschralen evenmin. In getrouwheid, en met warmte en liefde, begeren we zielen te winnen en te behouden.
Rechtvaardiging alleen door
het geloof Een ander punt is dat Blaauwendraad meent dat de rechtvaardiging hier en daar losgemaakt wordt van het geloof. Ik kan mij haast niet voorstellen dat hij hier sprekers en predikers recht doet. Als rechtvaardiging en geloof werkelijk losgemaakt zouden worden, zou dat heel erg zijn. Want immers alleen door het geloof kan men rechtvaardig zijn voor God. Mogelijk is hier toch sprake van misverstaan. Misschien worden onderscheidingen verkeerd begrepen. Wanneer een bepaald spraakgebruik of een bepaalde voorstellingswijze daartoe aanleiding geeft, zou verduidelijking of zelfs correctie nodig kunnen zijn.
Nu is het inderdaad zo dat in bepaalde kringen belevingen de plaats van het geloof (dreigen te gaan) innemen. Dan wordt het bijbels-gereformeerde spoor verlaten en een weg van valse mystiek gevolgd. Daarvoor moeten we waken. Maar daarmee mogen we niet de werkelijkheid van de toepassing van de Geest in het zieleleven gaan ontkennen. De geloofszaken worden doorleefd. Ze zijn existentiële werkelijkheid in ons leven of we missen de toepassing en hebben dan niet meer dan een verstandsgeloof. Het is klassiek' gereformeerd te spreken van de rechtvaardiging van de goddeloze. Als Blaauwen-
draad in dit verband Van de Kemp (blz 45) en Brakel (blz 47) aanhaalt, blijkt dat zij het over ontdekte zondaren hebben. Deze noodzakelijke overtuiging van zonde wordt door Blaauwendraad in dit verband verder niet belicht.
Standen in het genadeleven
Verder besteedt Blaauwendraad veel aandacht aan het (s)preken over standen in het genadeleven. Hij spreekt over kruispunten; persoonlijk vind ik dat een ongelukkig woord. Over dit onderwerp wil ik in ons jongerenblad kort zijn. Een maand geleden stond in Daniël een artikel over de orde des heils.
Overigens lijkt het mij duidelijk dat er standen in het leven der genade zijn. In D.L. 1, 16 worden drie 'soorten' (standen) onderscheiden als het gaat over de mate waarin men de zekerheid van het heil persoonlijk kent. Brakel en vele oudvaders met hem weten van toevluchtnemend en verzekerd geloof. Bevestigde christenen als Petrus en Paulus bemoedigden de zwakken en beginnenden als de verstrooide vreemdelingen en Timotheüs.
Het is intussen wel zo dat in ons spreken over standen voorzichtigheid geboden is. Een bepaald woordgebruik, soms min of meer aan het gezelschapsleven ontleend, kan onbegrepenheid veroorzaken. Bijbels spreken, schriftuurlijk leiding geven, en gebezigde begrippen uitleggen is steeds noodzakelijk.
Voor gevaren die hier in sommige kringen van onze gezindte dreigen, mogen we niet blind zijn. Er kan ook een verstandelijke benadering en weergave van de bevinding komen, die anderen be-en veroordeelt, maar zelf niet van ootmoed, ware vernedering en liefde weet. Een eenvoudig leven in de tere vreze Gods bij het Woord en in de inzettingen des Heeren wordt dan nagelaten en soms zelfs veracht. Ook dat is om van te huiveren.
Bij alle erkenning dat er standen zijn, blijft dat het om Christus, om het geloof in Hem gaat. Het leven der genade is bediend worden uit Hem, door het geloof uitgaan tot en omgang zoeken met Hem. Dat is een leven van verborgen omgang met de Heere en een wandelen in de vreze des Heeren. De Heere werke en versterke dat genadig onder ons.
Opwas en minder worden
Blaauwendraad stelt dat opwas in de kennis en genade van Christus meer een geleidelijke zaak is. Dit hoeft niet in alle opzichten ontkend te worden. Maar Johannes de Doper zegt naast: Hij moet wassen, ook: en ik minder worden. Het is niet een steeds hoger klimmen, maar een steeds dieper dalen, ontdekkend wie jezelf bent. Juist in de weg van de blijvende verootmoediging (Calvijn) krijgt, als het goed is en de Heere dat geeft, Christus steeds meer waarde en worden we afhankelijker van Zijn bediening door Geest en Woord. Juist in verband met de exegese en de geestelijke opbouw is Blaauwendraad nogal kritisch over sommige(? ) preken: verrassingsloos en voorspelbaar. Nu is zo'n oordeel altijd subjectief en daarmee betrekkelijk. Het zou niet goed zijn wanneer de prediking slechts herhaling van bekende waarheden is. Een preek is ook iets anders dan een boeiend betoog. Prediking moet immers vooral schriftuitleg en verkondiging zijn. Het wee de goddeloze en ongehoorzame, en het wel van de rechtvaardige en gehoorzame moet helder klinken. De hoorders moeten als het ware voor de rechterstoel Gods gedaagd worden met al hun zonden en schuldige verlorenheid. In die klem moet en mag er genade-verkondiging zijn. Welke prediker zal zeggen dat hij het (altijd) goed doet? Wie is tot deze dingen bekwaam? Daarom: bid voor ons. Anderzijds mag de prediker ook wel eens zijn werk, met alle gebrek, toch ook in volle overgave in de handen van zijn Zender leggen, vertrouwend dat Hij er mee zal doen wat Hem behaagt. Dan mag je je verwonderen dat Hij mensen inschakelt. Hij staat voor de vrucht in; Hij zorgt Zelf voor Zijn zaak.
Beoordeling
Bij het lezen van het boekje, vroeg ik mij vaak af: doet Blaauwendraad onze kringen recht? En waarom verwijst hij niet met instemming naar Kersten en Vergunst? Juist zij stonden midden in onze kringen en verwezen naar onze oudvaders. Waar wil Blaauwendraad ons heenleiden? Daarop ben ik beslist niet gerust. Daarbij komt dat sommige gedachten en gedeelten van zijn boekje zeer persoonlijk zijn en vanuit erg persoonlijke omstandigheden, ervaringen en interpretaties tot stand gekomen en neergeschreven zijn. Dit haalt de objectieve waarde van het boekje naar beneden.
Intussen wordt een aantal wezenlijke zaken op kritische wijze aan de orde gesteld. Daar mogen en willen we niet omheen gaan. Maar wel zouden we, in afhankelijkheid van licht en leiding van de Geest, duidelijker het spoor van de hele Schrift, de totale gereformeerde belijdenis en de volle veelzijdige boodschap van onze vaderen willen gaan. Wanneer intussen dit boekje predikanten en ook ouderlingen (nog) kritischer doet kijken naar eigen bezig zijn, en temeer in het Woord, de belijdenis en goede gereformeerde vaderen doet graven, ons nog sterker onze afhankelijkheid doet gevoelen van de leiding en het licht van de Heilige Geest dan is dat winst. Opscherping zou de prediking ten goede komen. Wanneer dit boekje echter gemeenteleden kritischer naar de prediking doet luisteren, dan is dat verlies. Want niet een kritische houding doet vruchtbaar onder de prediking verkeren, maar een biddende houding. Te vrezen is dat polarisatie en verwarring toenemen. Dan zou Blaauwendraads uitgave meer hete hoofden en koude harten veroorzaken dan een ootmoedig luisteren naar en onderzoeken van het Woord en de geschriften die daarop gegrond zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1997
Daniel | 32 Pagina's