Het wonder in de kerk
Tweede bondsdaglezing
De Heere Zelf plant Zijn kerk en houdt Zijn kerk in stand. Dat laatste wil zeggen dat die kerk ook gebouwd en uitgebreid wordt door het werk van de Heilige Geest, Die telkens weer nieuwe onderdanen toevoegt tot de gemeente die zalig zal worden.
Nergens zien we die uitbreiding van de kerk duidelijker dan in Handelingen 2, waar ons verteld wordt van de uitstorting van de Heilige Geest en de heerlijke vruchten daarvan. Die Geest zou immers komen om Christus te verheerlijken; om toe te passen in de harten van zondaren hetgeen de Heere Jezus verworven heeft.
De prediking als middel
Telkens moet dan ook de vraag aan de orde komen: heb ik de gave van de Heilige Geest ontvangen? De Heilige Geest moet immers ook mij gegeven zijn 1 . Als mijn Leermeester en Trooster; als mijn Gids en Vriend. Wie daarvan niet weet, heeft geen vrede voor zijn hart.
De inwoning van de Heilige Geest is als het ware de sleutel tot de schatkamer van het verbond der genade. Die schatkamer gaat open als de Heilige Geest Zich paart aan de verkondiging van het Evangelie.
Dat is de eerste les die wij hier krijgen: de Heere werkt als regel door de prediking van het Evangelie. In de kerk, door middel van de verkondiging van het Woord, gebeuren er wonderen van genade!
De preek van Petrus
We zien dat werkelijkheid worden tijdens de prediking van Petrus. En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? Wat verkondigt Petrus? Hij verkondigt Christus en Die gekruisigd! Van Hém is deze preek vol. Nee, in deze prediking worden de hoorders niet gespaard: Deze jezus, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis
gehecht en gedood. De mensen worden dus door het Woord aangewezen als moordenaars van de Heere Jezus. En dat Woord doet kracht, omdat de Heilige Geest Zich er aan paart met Zijn wondere werking: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart. Onder de duizenden ontstaat beroering. Er komt leven in de dorre doodsbeenderen. Doven beginnen te horen; blinden gaan zien. De Géést werkt: zij werden verslagen in het hart. Het woord dat voor verslagen gebruikt wordt, betekent eigenlijk: doorboren. Het zwaard van de Geest gaat door hun hart; oordeelt hun overleggingen en gedachten. Nu gaan deze mensen zien, wat ze eerst niét zagen. In de verkondiging van het Woord schittert het licht van Gods heiligheid hun tegen, en bij dat licht zien zij
zichzelf, zó jammerlijk, zó rampzalig, als zij zich nog nooit gezien hadden.
De levendmakende Geest
Wij mensen zijn van nature dood in zonden en misdaden. Dat wil zeggen, dat we dood zijn als het gaat om de dingen van de Geest van God, en van Christus. Maar het wil ook zeggen dat we springlevend zijn in ons verzet tegen God. We kunnen proberen dat te bedekken met een kleed van uiterlijke godsdienst, maar als de levendmakende Geest werkt, wordt dat anders! Dan gaan we de wérkelijkheid zien; dan gaan onze ogen open, en zien we bij het licht van Gods majesteit wié we in feite zijn.
je was er, net als die mensen in Jeruzalem, tot nu toe eigenlijk van uitgegaan dat je wel op het goede spoor zat. je bent immers christelijk opgevoed, en je bent in die lijn van je opvoeding ook verder gegaan. En dat is het dan toch? Wat kun je eigenlijk nog méér? Bekering moet me toch gegéven worden?
Het kan ook zijn dat je het niet zo gemakkelijk opnam. Met anderen kon je er breedvoerig over praten, wat er allemaal wel nodig was om bekeerd te worden. Dat gepraat is je godsdienst geworden. En je voelt je daar eigenlijk wel best bij. Maar het licht van de Geest ontdekt. Goddeloze mensen, maar net zo goed in
zichzelf vróme mensen. En heel je godsdienst valt als een kaartenhuis in elkaar. Het staat ineens levensgroot voor je, hoe verkeerd je bezig bent. Dat je in de grond van zaak niet anders bent dan een vijand van God en van de Heere Jezus.
Verslagen in het hart
De Geest ontdekt je dus aan jezelf; laat zien wie je met al je godsdienst nu eigenlijk bent. Zij werden verslagen in het hart. Wie zaligmakend door de Heilige Geest bearbeid wordt, heeft daar wéét van. Hier in Jeruzalem; straks in het huis van Cornelius; bij de rivier en in de gevangenis van Filippi; óveral waar de Heilige Geest het zwaard van het Woord hanteert, daar komt verslagenheid en verbrijzeling. Niet als een voorwaarde, maar wel als de weg
waarlangs het heil in de Zaligmaker gekend wordt. Verbroken van hart, verslagen van geest. Wat we altijd geweten hebben, weten we dan niét meer. Heere, wie bén ik toch, en wat is de weg? Wat zullen wij doen mannen broeders?
Bekering en vergeving
Iets te moeten dóen om zalig te worden, daar waren deze mensen bij groot geworden. Een andere weg was er niet volgens de farizeeërs en schriftgeleerden. Maar Petrus wijst hen wél een andere weg. Hij roept hen tot bekering en geloof in de Heere Jezus Christus. Hij zegt niet: jullie zijn toch al een aardig eindje
op weg naar het Koninkrijk der hemelen. Het is toch al héél wat dat jullie zo verslagen zijn. Dat is vast wel een teken dat de Geest in jullie werkt; dat jullie wedergeboren mensen zijn.
Maar dat zegt Petrus niet. Je kunt immers niet leven van je onrust en gemis? De apostel wijst een bétere weg: bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van jezus Christus, tot vergeving der zonden.
Bekering, dat had Johannes de Doper gepredikt, en de Heere Jezus Zelf tijdens Zijn omwandeling op aarde. Vlak vóór Zijn hemelvaart horen we Hem nog tegen Zijn discipelen zeggen dat in Zijn Naam gepredikt moet worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van jeruzalem. Bekering en vergeving, dat zijn als het ware de twee poortwachters van het Koninkrijk der hemelen. Zonder dié is er geen behoud.
Wat is bekering?
De grondbetekenis van het woord bekering is verandering. En dan met name een verandering van gezind-
heid, van denken. Je gaat er anders over denken. Liever gezegd: anders over Hém denken, over de Heere, over Zijn Zoon, over Zijn dienst. Eerst gaf je er allemaal niet zoveel om. Natuurlijk, je wist wel allerlei dingen over God en de Heere Jezus, maar het zei je niet zoveel. Je erkénde Hem niet; en je had Hem niet nódig als Zaligmaker.
Maar nu, nu vindt er een radicale verandering plaats. Eerst wilde je
niet dat Hij Koning over je hart zou zijn, en nü vraag je jezelf verlegen af: zou Hij ook mijn Koning willen worden?
Oproep tot bekering
Tot die verandering van gezindheid roept Petrus zijn verslagen hoorders op: bekéért u! je vraagt misschien: hoe kan Petrus dat toch dóen? Zal ook een Moorman zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Had Petrus niet beter kunnen preken: móchten jullie maar bekeerd worden? We kunnen toch onszelf niet bekeren? Wéét Petrus wel wat hij zegt? Reken maar! Hij weet heel goed, dat een mens, onbekwaam tot enig goed, zijn natuur niet kan veranderen. Hij weet dat zowel verslagenheid als het zich bekeren een werk van Gód is. En tóch roept Petrus er toe óp, in de Naam van de Heere. Want hij weet ook van het recht van zijn God. Dat tot alle mensen, geschapen naar het beeld van God, deze ontzaggelijke, ja onmógelijke eis tot bekering komt, omdat we geen recht hebben onbekeerd te zijn.
Het is nodig dat te leren, het te erkennen, opdat we ons zullen verootmoedigen en zeggen: Heere, ik kan en ik wil me niet bekeren; uit mij geen goede vrucht in der eeuwigheid. Maar Heere, bekeer Gij mij, zo zal ik bekeerd zijn!
Alsjejong bent
En wat een zegen als dat gebeuren mag als je jong bent. Dat is ook de béste tijd om bekeerd te worden. Ik denk aan die oude ouderling die ik als jongen bezocht. Hij was ziek en had veel pijn. jongen, zei hij, wat ben ik blij dat ik de Heere heb mogen zoeken toen ik jong was; want ik heb nu zoveel met mijn lichaam te doen, dat er naar de mens gesproken niet meer van komen zou. Bovendien: als je jong de Heere mag vrezen, wordt de beste tijd van je leven niet in de zonde doorgebracht.
Om zalig te worden, kun je niet jezélf blijven. Kun je niet op je eigen manier over de dingen blijven denken. Er moet, er mag een verandering in je leven komen. Een radicale vernieuwing, waardoor je tot bekering en geloof komt in de Heere jezus Christus.
De doop
Dat is het tweede deel van de prediking van Petrus: een iegelijk van u worde gedóópt in de Naam van jezus Christus, tot vergeving der zonden. Hij bedoelt dat die verslagen mensen de Heere jezus, Die zij gekruisigd hebben, zullen aanroepen om hulp en heil, en dat zij zich aan Hem en Zijn genade zullen toevertrouwen. In Hem is immers vergeving van al hun zonden. De doop mag daarvan het teken en zegel zijn. De Heere wil daarin bevestigen dat zij door het bloed van Christus werkelijk gewassen en gereinigd worden!
Verzoening
Dat is het wonder van genade dat de Heilige Geest in de kerk verheerlijkt. En Hij verheerlijkt dat wonder door de prediking van jezus Christus en Dien gekruisigd. Want bekering en vergeving van zonden wordt gepredikt op grond van Zijn verzoenend werk. Daardoor is immers bekering en vergeving mógelijk! Zonder het offer aan het kruis van Golgotha dat door de Zoon gebracht is om voor de schuld te betalen, kon de Vader zondaren niet vergeven. God is wel almachtig, maar Hij kan vanwege Zijn heiligheid en rechtvaardigheid de zonde niet door de vingers zien.
Maar nu het offer der verzoening gebracht is, kan bekering, vergeving en verzoening gepredikt worden. Want Zijn Naam is Jezus, dat wil zeggen: Redder, Zaligmaker. Zijn werk is zondaren zalig maken; verlossen van het grootste kwaad, van de zonde, en brengen tot het hoogste goed, de gemeenschap met God. In Zijn Naam kan nu tot onbekeerden gezegd worden: bekeert u! en door de kracht van Zijn Geest wórden zij bekeerd van de afgoden om de levende God te dienen.
Niet in eigen kracht
Wat is dat tot bemoediging van allen tot wie het Evangelie komt; van allen die worstelen aan Gods troon met hun harde en onbuigzame hart; die ontdekt worden aan hun onwil en
onmacht, je wordt niet naar jezelf verwezen, je mag buigen aan de voeten des Heeren, want het Evangelie zegt: al wat u ontbreekt, schenk Ik zo ge het smeekt, mild en overvloedig! Het Evangelie wijst nooit naar de kracht van ons mensen. In eigen kracht kunnen we niet één zonde uitroeien in ons leven. Wat heb je misschien al niet tegen de zonde gevochten, en hoe vaak heb je de strijd al verloren? Maar het Evangelie wijst altijd naar Hem, naar de Zaligmaker, en die het van Hém verwacht, zal niet beschaamd worden. Petrus zegt immers: en het zal zijn, dat een iegelijk, die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Een iégelijk! Dat geeft de ruimte aan die er bij God is. Niemand wordt buitengesloten. De hardste en meest verharde zondaar niet; de grootste vijand niet.
Ja, zeg je, maar zou dat dan ook voor mij kunnen? Let dan nog eens op hét begin van Petrus' preek. Hoor hoe hij het wonder van de Geest in de kerk verkondigt: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en 'uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien. Pinksterfeest is bij uitstek het feest voor jonge mensen. De Geest zegt tegen jongens en meisjes: jóu moet Ik hebben! Je bent dag voor dag bezig met het bouwen aan je toekomst. Daar hoeft op zichzelf niets verkeerds in te zitten. Maar wat is het gevaar groot dat we alles zetten op een aardse toekomst zónder God. Dat is pure wereldgelijkvormigheid, die er geen rekening mee houdt dat de gedaante deze wereld voorbijgaat.
Maar als God in je leven komt, dan word je niet meer geregeerd door de geest uit de afgrond, maar wordt je leven gedrenkt door de Héilige Geest. En wat een voorrecht jongens en meisjes: ook jullie wil die Geest wijs maken tot zaligheid. Hij wil in jullie harten werken de ware Godskennis en de ware zelfkennis.
Profeteren
Wat gebeurt er dan? Uw zonen en uw dochters zullen profeteren! Nee, dat wil niet zeggen dat je dan de toekomst gaat voorspellen, maar dat je groot en goed gaat spreken van God. Je belijdt je schuld en zonde voor een heilig en rechtvaardig God; je buigt diep voor Hem, en gaat Hem smeken om de vrede. En als de Heere Zich dan wegschenkt als een God vol van genade en ontferming in Christus, dan zeg je de dichter van psalm 45 na; mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, zal 't schoonste lied van ene Koning zingen; terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft, is z'als de pen van één, die vaardig schrijft.
Gezichten zien
Dan wordt ook dat tweede waar: en uw jongelingen zullen gezichten zien! Dat wijst heen naar een door de Geest geheiligde fantasie. Dat hóórt als het ware bij de jeugd: fantasie. Wat kun je soms niet fantaseren over een rijke toekomst; over een prachtige auto; over een knap en lief meisje; over een fijne knul. En natuurlijk, daar ben je jong voor. Maar wat wordt onze fantasie vaak bedorven en vergiftigd.
Met kunst en vliegwerk worden ook visioenen opgeroepen. Drugs en yoga worden als surrogaat aangeboden. En wié weet wat de geest uit de afgrond nog méér in voorraad heeft aan pepmiddelen waaraan de wereld ondergaat? Jezelf in een droomwereld plaatsen is zo'n kunst niet.
Maar wee ons als de grote ontnuchtering komt. Dan zal de toekomst als een vouwwand hoe langer hoe meer dichtschuiven.
Nee, dan zijn er wel andere dingen die de geest niet vergiftigen, maar héiligen. Dat doet de Geest van Pinksteren. Hij laat de jongelingen gezichten zien! Dat wil niet zeggen dat we allerlei wonderlijke visioenen ontvangen. Maar het wil zeggen dat ons oog verlicht wordt, zodat we mogen aanschouwen de wonderen van Gods wet. Dan krijgen we oog voor de heerlijkheid Gods en de rijkdom van Gods genade in Christus. En wat geeft dat een rijk leven. De jongen die uit dit visioen leeft, wéét wat hij wil en weet ook dat het leven voor hem staat. En hij leert te strijden tegen de zonde die hem omringt. Hij leert de wereld te gebruiken zoals de Heere dat van Hem vraagt. De dienst van Koning jezus wordt zijn vermaak en hij leert ontvluchten de dienst van satan, wereld en zonde. Want, jonge mensen, laten we de macht van de vorst der duisternis niet onderschatten. Hoe probeert hij telkens weer om je mee te nemen op zijn hoogten, om je de glinstering van de zonde te laten zien. Hij roept het je toe: dit alles zal ik jullie geven als je mij wilt dienen. De propaganda die de vorst der duisternis maakt, is geweldig. Als je die zou geloven, zou je denken dat je de hemel op aarde krijgt. Maar weet je wat zijn bedoeling is? Om je niet in de hemel, maar in de hel te krijgen. Je niet tot de vreugde, maar tot de ondergang te voeren.
En daarom roep ik jullie toe: luister naar wat de Pinkstergeest door het Woord tot je te zeggen heeft. Ook die Pinkstergeest nodigt tot een
feest. Zeker, de propaganda daarvoor is niét zo geweldig. De kerk, en de dominees en ouderlingen zijn maar gebrekkige propagandisten.
Maar dit is wél zeker: hier vind je de ware vreugde. Als je dit feest van vrije genade gaat beleven, ontvang je de ware blijdschap. In de wereld zul je nooit vinden wat je zoekt; ze laat je hart leeg. Maar bij de Heere is verzadiging van vreugde. Wat zou je gelukkig zijn als je ogen opengaan voor de eeuwige dingen Gods die nóóit vergaan. Smeek er om: Heere, kóm met Uw Geest in mijn hart, en wóón in mijn hart!
Wie de Geest heeft, dié heeft toekomst! Hij kijkt met Daniël door het open venster naar Jeruzalem. Hij heeft uitzicht in een uitzichtloze wereld. Zicht op het kruis van Golgotha; zicht op een open graf en op de ten hemel gevaren Koning. En hij bedelt, élke dag weer: Uw goede Geest bestier' mijn schreden; en leid' mij in een effen land.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1997
Daniel | 32 Pagina's