Vloeken
„Zo, jullie kunnen er weer tegen", mompelde Joost in zichzelf, terwijl hij tevreden de stal rondkijkt. Hij heeft de stal schoongespoten en onder de koppen van de koeien wat baaltjes hooi uitgeschud. Joost werkt bij een soort uitzendbureau voor de agrarische sector. Op dit moment heeft hij de zorg voor een melkveebedrijf. De boer heeft zijn been gebroken en kan zelf nauwelijks iets doen. Hij loopt inmiddels wel met loopgips over het erf en doet wat hij kan, maar het echte werk moet Joost doen.
Het bevalt Joost goed bij het uitzendbureau. Weliswaar heeft hij niet altijd werk, maar echt lang zonder werk heeft hij nog nooit gezeten.
Zijn werk is best afwisselend. De ene keer werkt hij bij een kippenfokkerij, de andere keer op een varkens-of kalverenmesterij. Deze keer werkt hij op een melkveebedrijf. Op het bedrijfsterrein is het behoorlijk druk. Er komt een nieuwe loopstal vlak naast de wetering. Een gespecialiseerd bedrijf is bezig met het plaatsen van een damwand. Met behulp van een grote kraan worden de profielen op hun plaats gebracht, ter voorbereiding van de bouw.
Terwijl Joost naar het kantoortje loopt, ziet hij hoe een damprofiel op zijn plaats gebracht wordt door de kraanmachinist. De kraanmachinist manoeuvreert hem deskundig op de plaats waar hij hem hebben wil. De zachte grond beweegt, terwijl de kraan de damwand op zijn plaats duwt.
Bij het kantoortje trekt hij zijn laarzen met de hiel tegen de rand van het stoepje van zijn voeten. Op zijn sokken loopt hij het kantoor in. Achter het bureau zit de boer met zijn gipsbeen op een stoel wat administratie bij te werken. De koffie staat al klaar op het aanrechtje. Joost schenkt in voor de boer en zichzelf.
„Zo dat zal smaken", zegt zijn baas, terwijl hij de mok naar zich toetrekt. Zijn tijdelijke baas is geen kwaaie vent. Joost treft het trouwens meestal wel. Over het algemeen respecteren agrariërs een andermans geloof wel. Waarschijnlijk omdat veel boeren en tuinders wat tradioneler ingesteld zijn dan de gemiddelde Nederlander.
„Goedemorgen", klinkt het terwijl de deur van het kantoor opengeduwd wordt. De kraanmachinist komt binnen, met zijn maat. Hij gooit zijn jas op een stoel en plant met een klap zijn broodtrommel op de tafel en zakt onderuit op een stoel.
„.........., wat is het koud buiten", zegt hij. „De bodem is op dit moment nog veel te hard. De hal is nauwelijks uit de grond. Maar ja, je weet hoe bazen zijn; ze weten het altijd beter. Ik werk me dood om die er in te krijgen en straks komen ze mij vertellen dat het niet goed zit. Nou hij kan de krijgen, die "
Elke zin van de man is doorspekt met bastaardvloeken en grove woorden.
Dan tegen zijn maat: „Frans haal jij eens netjes een koffie voor ome Joop."
Joost reageert niet. De vloeken snijden door hem heen. Hij krijgt het er heet van. Hij durft in het geheel van de groep niets te zeggen. Hij vraagt zich af of hij ten aanhoren van iedereen een oudere man terecht mag wijzen, Koortsachtig denkt hij na.
„Bestraf de spotter niet, opdat hij niet toorne...", schiet er door hem heen. Hoe staat dat er ook al weer? Hij weet het niet meer. Hij moet er wat van zeggen, maar hoe? Als hij de man tegen zich in het harnas jaagt, wordt hij misschien nog grover...
Zwijgend drinkt hij zijn koffie. Ze smaakt hem niet. Gelukkig grijpt de man een krant uit zijn binnenzak en verdiept zich daarin. De anderen drinken eveneens hun koffie.
Joost stapt precies op tijd op om weer aan het werk te gaan. Op het stoepje trekt hij zijn laarzen aan. Het regent een beetje en er staat een noordwestenwind.
Hij loopt in de richting van de schapenstal en wordt ingehaald door de kraanmachinist en Frans. „ wat een weer is het toch", knalt er opnieuw een vloek en schuttingtaai uit.
„Zeg, jij bent zeker christelijk? ", vraagt Joost dan.
„Christelijk? Ben jij helemaal , hoe kom je daar bij? " „Nou ik hoor je zo regelmatig de naam van God en van Jezus noemen..."
„O, bedoel je dat. Je hebt er zeker last van? "
„Ja, eerlijk gezegd wel."
„Nou, ik ben beslist niet christelijk. Sterker, ik moet er niets en niets meer van hebben. Ik ben namelijk erg streng opgevoed. Bij mij thuis mocht letterlijk niets. Ik mocht zondags zelfs geen spelletje doen. De zondagen waren een ramp voor ons. Pa en ma gingen naar bed en wij mochten alleen zware boeken lezen. We mochten niets en dan nog was het nog niet zeker of je ooit in de hemel zou komen. Ik leef nu, dat is zeker en of er een hemel is moet je maar afwachten. Nee, ik moet niets van christelijk hebben. Als een ander wat geloven wil oké, moet hij weten, maar ik geloof niets."
„Ik vind het toch merkwaardig dat jij, terwijl je zegt niets te geloven, zo vaak de naam van God en jezus noemt. Dat moet je mij eens uit leggen", brengt Joost er tegen in.
„Nou oké, als het je hindert, zal ik me wel inhouden, maar ik bewonder het dat jij kennelijk wel gelooft."
„Nou, jij gelooft ook, alleen jij gelooft wat anders dan ik. jij gelooft dat er geen God is, dat kun je net zo min bewijzen."
„Toch zou ik maar eens op mijn woorden gaan passen, als ik jou was", mengt nu het maatje zich in het gesprek. „Ik ben ook gelovig, en jij kunt nu wel zeggen dat jij er niets meer aan doet, je krijgt er mee te maken als je dood gaat.
Dan krijg je een functioneringsgesprek en dan val jij uit de boot Joop, zeker als je zo blijft vloeken."
„Een functioneringsgesprek? Dat mocht je willen", mengt Joost zich weer in het gesprek. „Een beoordelingsgesprek zul je bedoelen en daar hangt het vanaf of je in de hemel komt of niet!"
„Nooit geweten dat jij ook christelijk was Frans, dat had je wel eens eerder kunnen zeggen", gaat de kraanmachinist verder.
„Nou ja, zo christelijk ben ik nou ook weer niet", zegt Frans, „ik ga niet naar de kerk of zo, maar ik geloof wel."
„Nou, ik vind het best dat jullie gelovig zijn, maar val mij er niet mee lastig", antwoordt de kraanmachinist weer. „Ik weet hoe gelovigen zijn, ik heb er genoeg van gezien. Mijn eigen familie kijkt me niet aan omdat ik toevallig een andere keus gemaakt heb als zij. 'k Moet nog zien dat zij straks door dat beoordelingsgesprek heenkomen."
„Daar komt niemand doorheen, niemand haalt de maat", verzekert .
Joost. „Je komt er alleen doorheen als Jezus jouw zonde voor Zijn rekening neemt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1997
Daniel | 30 Pagina's