Red hen, Jean! ons vervolgverhaal, deel 3
Komen ze hem achterna? Ja! Hij hoort het geluid van doffe paardenhoeven en van rollende stenen. Een soldaat roept een verwensing.
Zijn hart bonkt. Hij hijgt nog zo dat hij bang is dat de soldaten het zullen horen. Dichterbij komen hun stemmen, vlakbij hinnikt een paard. „Waar is dat vervloekte jong nou? ", roept iemand vanuit de verte. Is het de commandant?
Minuten verstrijken. Of zijn het uren? Jean weet het niet. Hij durft zich niet te verroeren. Gedachten heeft hij niet, hij kan alleen maar luisteren.
Eindelijk sterft het rumoer weg. Jean hoort dat de paarden met veel moeite de helling beklimmen. Dan wordt het stil. De beek bruist en in een hoge boom zingt een vogel.
Voorzichtig gluurt hij tussen de takken door. Is iedereen weg of is er een wachtpost achtergebleven?
Nee, er is niemand meer. En ook zijn eigen paardje is weg! Er is geen tijd om daar over te treuren. Hij rent langs de beek, hier en daar springend van steen op steen.
Dan slaat hij rechtsaf, holt over een stuk weiland en komt in een schraal dennenbos.
Zijn kleren plakken op zijn lijf en hij schaaft zijn rechterbeen. Eén keer ziet hij, een heel eind naar links, een paar soldatenmutsen opduiken. Ze volgen dus nog steeds het brede pad. Hij is nu met hen op gelijke hoogte.
Over geitenpaadjes en langs ravijnen holt hij verder. Tenslotte ligt de laatste helling voor hem. Hij snijdt nog een stuk af en beklimt op handen en voeten een steile rots.
Daar zijn ze... Happend naar adem kijkt hij naar de vrouwen en mannen op de door hoge rotswanden omgeven bergweide. Ze zien hem nog niet. Hun ogen zijn gericht op dominee Brousson, die op een grote, platte steen staat.
„Wat zoudt gij vrezen? ", hoort Jean hem zeggen. „Heeft God Zijn volk niet verzorgd in de woestijn? En kan Hij nog niet wonderen doen? Hij zal ons kracht en moed geven; Zijn engelen beschermen ons."
„Vlucht! Vlucht voor uw leven! Er komen soldaten over het grote pad! Vlucht!", schreeuwt Jean.
Vijfhonderd paar ogen kijken verbijsterd naar de hoge rots, waar een slanke gestalte staat tegen de oranje-rode gloed van de avondzon.
Hoor, weer die stem: „Vlucht! Snel!" Bijna niemand op de schemerige bergweide herkent Jean meteen, zelfs zijn eigen vader niet. In de verwarring en in de ontroering van het ogenblik denken sommigen zelfs een engel te zien, die door God is gezonden om hen te waarschuwen.
jean gaat pas weer weg als hij ziet dat de mensen zich verspreid hebben. Zijn vader ziet hij in de drukte niet meer. Het grote pad wordt door de bergbewoners zorgvuldig vermeden. Dominee Brousson wordt begeleid door een aantal steviggebouwde boeren.
Het duurt daarna nog een uur voor Jean thuis is. Langs sluipwegen nadert hij hun boerderijtje. Het paard is hij kwijt en Suzanne is hij vergeten, maar hij weet zeker dat zijn vader en moeder dat niet erg zullen vinden.
Het is al helemaal donker geworden. Jean loopt het erf op en ziet dat zijn vader de ronde doet voor de nacht.
„Papa, ik ben er!", roept hij. Doodmoe strompelt hij de warme keuken in, waar moeder bezig is met het vuur. Hij ziet haar blijde gezicht, verlicht door de oplaaiende vlammen en opeens moet hij vreselijk huilen.
Hij valt op de bank bij de tafel neer, vlak naast grand-père, en barst in snikken uit.
Daartussendoor hoort hij moeders troostende woorden: „Huil maar, Jean! Ik ben trots op je, ze zijn gered. God zij geloofd!"
A. Korpershoekvan Wendel de Joode
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1997
Daniel | 32 Pagina's