De schepen
Ik hoor vanavond verre schepen fluiten En, even hopend, schoon ik niets meer wacht, Druk ik mijn hoofd tegen de kille ruiten En zie de havens in den blauwen nacht.
Vertrouwd geluid, ik hoorde u reeds als kind, Soms midden in den nacht, maar meestal tegen Den avond bij het opgaan van den wind, Als moeder zei: 'Wij krijgen zeker regen!'
Toen dacht ik reeds aan dezen die vertrekken Ver van het huis en het misprezen land, De begenadigden, de zachte gekken Die immer zoeken naar een vaderland.
En in mijn dromen voer ik met hen mee. Ofschoon geboren in een buurt der haven, Bereikte ik nooit den oever van de zee, Laat staan Tananarive of Tamatave.
Het kind dat aan zijn lot nooit gans kon wennen, En door zijn droom nog voortleeft in den man, Weet nu dat een klein stukje heide en dennen Alles bevat wat de aarde geven kan.
Maar soms, al ben ik bitter en gehard Door 't leven, overstroomt een niet te stuiten Vloed van verlangens mijn onwillig hart Als in den nacht de verre schepen fluiten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1997
Daniel | 32 Pagina's