JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Tot hiertoe..

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tot hiertoe..

7 minuten leestijd

De trein stopte. Late reizigers haastten zich over het perron. Er kwam een jonge vrouw aanrennen. Een meisje nog.

Te laat. De trein was vertrokken. Het meisje keek naar de rode achterlichten tot ze in de duisternis verdwenen. Toen slenterde ze terug naar de uitgang.

Het perron lag er verlaten bij. De reclameaffiches bleven hun boodschappen de donkere nacht insturen. Sommige schreeuwerig brutaal. Andere simpelweg met een telefoonnummer.

„Waarom neem je toch altijd de laatste trein? ", zei haar moeder bezorgd, als Wendy weer eens tegen middernacht thuiskwam. Ze bleef altijd wachten, tot Wendy's ergernis.

„Het is zo gezellig bij de vrienden", zei Wendy dan kort.

En met dit antwoord moest moeder het doen.

„Laat het kind wat vrijheid", zei pa toegeeflijk.

„Wees blij dat ze nog thuis wil wonen op haar leeftijd."

Dat vond moeder ook en daarom zweeg ze voortaan.

Maar die kille herfstavond kwam Wendy niet thuis. De laatste trein was weg.

Moeder kreeg een simpel telefoontje.

En Wendy sjokte door de stille stad. De laatste bus was ook al weg.

Zou ze, zou ze terug gaan naar haar vrienden?

Terug naar Ruud?

Ruud, beheerder van een dierenasiel. Ruud, dierenvriend...

Fluwelen ogen had hij en een warme stem.

Ze was altijd welkom, had hij vanavond nog gezegd. Dus ging ze terug. Terug naar de fluwelen ogen en de warme stem. En ze was welkom.

Een paar maanden iater. januari. Een nieuwjaar. Een nieuw begin?

Wendy ging weer naar Ruud toe. Anders dan toen. Het was vroeg in de avond.

Het weer was guur. Ze sloeg haar sjaal om. Haar hakken klikten op het natte plaveisel.

Hoorde ze daar iets? Ze keek achterom. Langs de huizenrij zat een katje.

Het miauwde klaaglijk. Toen ze even later weer omkeek, zag ze dat het haar volgde.

Wendy bedacht zich geen moment. Ze pakte het rillende diertje op.

't Had fluwelen pootjes. „Kom beestje", zei ze, „dan gaan we samen naar Ruud. Hij heeft wel een plekje voor ons."

Ruud woonde driehoog. De verveloze trappen waren steiler dan Wendy zich herinnerde. Hij deed op haar belletje de deur open. Zijn ogen waren minder fluweel dan ze dacht.

„Wat zie jij eruit!" zei hij kort. „En wat heb je daar bij je? "

„Het regent zo", zei ze verontschuldigend. „En dat katje zoekt een onderkomen."

Wendy wist, dat ze bleek zag en dat haar haren in haar gezicht slierten.

Hij vroeg haar niet om binnen te komen. „Ik was altijd welkom, daarom, ik dacht..." probeerde ze opnieuw, maar ze hoorde zelf hoe haar stem trilde.

Toen kreeg ze opeens een vreemd soort moed en stapte het gangetje in.

„Even dan", jachtte Ruud. Nu was al het fluweel uit zijn ogen verdwenen.

En was zijn stem ooit warm geweest? Ze wist het niet meer.

Deze Ruud was haar vreemd. Toch vroeg ze om een onderkomen. En niet alleen voor het zwerfkatje.

Even later stond ze weer op straat.

Het katje mocht blijven.

Ruud had wel een plekje in het asiel.

En voor haar wist hij ook een adres.

Een vertrouwd adres.

Hij schreef het telefoonnummer voor haar op.

Dat was het laatste geweest van Ruud met de fluwelen ogen en de warme stem.

Ze wist dat ze de verveloze trappen nooit meer zou opklimmen.

Waar moest ze nu heen? Naar haar ouders?

Wat stonden ze ver van haar en van haar vriendenwereld vandaan.

Ze kwam slechts thuis om te eten en te slapen.

Geen ruzie, dat niet. Wel vervreemd van hun gedachten.

Vervreemd van hun opvoeding. Opvoeding, wat een woord eigenlijk.

Als enig kind had ze een goede opvoeding gehad, zoals dat heette.

Christelijk onderwijs gevolgd.

Op een school met een moeilijke naam. Eben Haëzerschool.

Heel trots was ze dat ze al gauw die moeilijke naam schrijven kon. Ooit wist ze wat 't woord betekende.

Eben Haëzer... Tot hiertoe... tot hiertoe... nee, verder wist ze het niet meer. Wat ze allemaal geleerd had bij de jufs en meesters? Iedere week

een psalmversje, je moest het uitje hoofd kennen nota bene. De meeste versjes was ze vergeten.

Er was nadien ook zoveel door haar jonge hoofd gegaan...

Maar soms, op een onverwacht moment, zong er soms zomaar een regel door haar hoofd. Van die wonderlijke woorden:

„God zal Zijn waarheid nimmer krenken", of „HEER' ai maak mij uwe wegen"...

Ze had vrienden gekregen. Aardige vrienden.

„Verkeerde vrienden", zeiden haar ouders. Maar daar lachte ze altijd om. Tot vandaag.

Vandaag had ze geleerd dat aardige vrienden met fluwelen ogen verkeerde vrienden kunnen zijn. Maar nu was het te laat.

Het kwam allemaal door de laatste trein.

Die had ze gemist, toen het middernacht was...

Hulp op een briefje had ze van Ruud gekregen.

Het fluweel was uit zijn ogen en zijn stem was hard geworden.

Maar een briefje had ze wel gekregen. Met een telefoonnummer.

Aardig en attent waren ze aan de andere kant van de lijn.

Ze kon een afspraak maken. En dat had ze dus gedaan.

Haar ouders wisten er niet van. Moeder had haar wel eens aangekeken en gezegd dat ze goed moest eten. jawel, goed eten!

Nee, haar ouders begrepen niets van hun dochter, van wie ze eens zoveel verwachting hadden.

Zelf had ze ook verwachting gehad. Verwachting van het leven, van haar vrienden, van Ruud. Vooral van Ruud.

Maar: ze had een telefoonnummer. Hier zouden ze haar kunnen helpen. Dat had Ruud haar verzekerd, toen zijn stem niet meer warm was en zijn ogen niet meer van fluweel waren.

Vandaag zou ze gaan. Naar Rotterdam. De stad was haar vreemd. Maar ze was een kind van haar tijd. Ze zou gewoon de trein pakken, de metro, de tram.

Ze zocht naar het briefje met het telefoonnummer. Ze wist geen adres. Dom dat ze er niet eerder naar gekeken had.

Ze zocht een telefooncel. Toetste het inmiddels bekende nummer.

Opnieuw waren ze aardig en attent aan de andere kant van de lijn. „Eben Haëzerstraat!" zei de telefoonstem.

Niemand merkte dat Wendy klam werd en zich vast moest houden.

Toen, opnieuw, zocht ze haar weg. Doorzetten zou ze! Ze had immers zelf een afspraak gemaakt!

Ze had iemand mee moeten nemen. Hoe deden andere meisjes dat? Gingen ze samen met hun vriend? Met een vriendin? Of met hun moeder soms?

Eben Haëzer. Wie kon haar zeggen wat het woord betekende? Tot hiertoe...

Ze móest het weten! Ze zag de vertrouwde gezichten van haar ouders voor zich. Ze wisten niet dat ze hier liep...

Even later las Wendy zwart op wit het straatnaambordje: Eben Haëzerstraat.

De letters dansten voor haar ogen. Tot hiertoe...

Toen maakte ze rechtsomkeert.

Als in een droom ging ze de weg terug.

Ze nam een hapje eten in een stationsrestaurant.

Keek gedachteloos naar de af-en aanrijdende treinen.

Zag de reclameaffiches. Sommige schreeuwerig brutaal.

Andere simpelweg met een telefoonnummer. Hulp voor moeder en kind. Ze haalde het briefje van Ruud uit haar jaszak. Het briefje met het telefoonnummer. Het nummer van de stationsaffiche krabbelde ze op de achterkant.

Wendy bleef zitten, midden in het mensengewoel.

Haastige mensen. Eenzame mensen. Weer kwamen opeens onbekendbekende psalmwoorden: „Zij zuilen U eerbiedig vrezen, zolang er zon of maan bij 't nageslacht ten licht zal wezen"...

Ze gaf een ruk met haar schouders, alsof ze daarmee de woorden weg kon duwen.

Op 't laatste nippertje nam ze de laatste trein.

Moeder was nog op, zoals gewoonlijk.

„Waarom neem je toch altijd de laatste trein? ", las Wendy in haar ogen. Maar ze zei niets. Haar haar was grijs onder 't lamplicht, haar voorhoofd gegroefd.

Voor 't eerst sinds maanden doorstroomde Wendy een warm gevoel. Ze had nog een ouderlijk huis. Ze had nog een eigen moeder!

Was er toch geen totale vervreemding?

Ze bleef staan, haar jack nog aan. „Mam, " zei ze plompverloren.

„Mam, wat betekent het woord "Eben Haëzer? Zo heette de school toch, waar ik vroeger naar toe ging? Tot hiertoe... tot hiertoe..."

Ze plukte aan het tafelkleed. Keek naar de gesloten overgordijnen, die openkierden.

Moeder glimlachte verwonderd.

De groeven verzachtten en in haar ogen lichtte vertrouwen.

„Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen", zei ze eenvoudig.

En zachter nog: „Steen der hulpe".

Wendy haalde het verfomfaaide briefje uit haar jaszak.

Het briefje met twee telefoonnummers.

Ze vertelde. Ze vroeg. En eindelijk huilde ze.

De maan scheen door de kier van de gordijnen.

Veenendaal

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1997

Daniel | 33 Pagina's

Tot hiertoe..

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1997

Daniel | 33 Pagina's