Daar is het vrolijker dan bij ons
Over een bezoek aan een pinksterbijeenkomst
De redactie kreeg een brief van een meisje dat met een vriendin enkele jeugdbijeenkomsten van een pinkstergemeente bezocht had. Ze wist er niet zo goed raad mee. Daarom schreef ze over haar ervaring en haar vragen. Eerst neem ik een gedeelte van haar brief over als 'sfeertekening'. Soms letterlijk, soms samenvattend. Daarna wil ik ingaan op vragen.
Na de opening „gingen we staan in groepjes van vier personen en in zo'n groepje bad om de beurt één van de vier een gebed, terwijl sommigen van het groepje er 'halleluja' en 'amen' doorheen murmelden. Zo dus een zaal vol met allemaal door elkaar heen hardop biddende mensen. Sommigen in de zaal hieven hun handen op naar boven.”
Er was een gezellige sfeer; er werd erg gemakkelijk gesproken over de Heere. Ook over het kiezen voor Jezus en het geven van je leven aan de Heer. Er werd veel gezongen met gitaar, drumstel en piano. In de gesprekken ging het ook over muziek van een gospelband die ze mooi vonden. Ze merkte dat sommige jongeren van de jeugdbar (zoals zijzelf hun jeugdbijeenkomst noemden), na zo'n avond nog rustig gingen 'stappen'.
„Een paar weken later spraken mijn vriendin en ik met een jongen uit onze klas die nergens aan doet en nergens in gelooft. Mijn vriendin zei: „Ik zie jezus als mijn grote Vriend, Die altijd bij mij is en naar Wie ik altijd toe kan en Die voor mij zorgt." Terwijl ze naar mij keek, zei ze: „Zij denkt er wel iets anders over". Zijn wedervraag aan haar was: „Geloof jij dat scheppingsverhaal en zo? ”
„Nou", zei zij, „dat neem ik maar aan, dat maakt toch helemaal niets uit en al die discussies daarover, nee joh, wat maakt dat nou uit; het draait toch om Jezus.”
Aan de brief, die veel te lang is om helemaal op de nemen, heeft de schrijfster zes vragen toegevoegd. Daarover wil ik iets zeggen.
1. Tijdens die jongerenbijeenkomsten krijg je een fijn gevoel. Maar mag je eigenlijk wel een fijn gevoel hebben? Natuurlijk mag dat niet de boventoon voeren, maar als je daar zo zit met al die jeugd samen zingend, dan is dat wel veel 'swingerder' dan bij ons. Dan trekt dat ons en bijvoorbeeld buitenkerkelijke jeugd toch veel meer aan? De jeugd die daar zat, ging echt zelf! Bij ons is zoveel dat 'moet' (natuurlijk geldt dat niet voor alle jeugd). Maar zo mag je God toch ook loven? David danste toch ook voor de ark? (Niet de zonde, de ellende vergeten, zoals zij toch wel doen).
Laat ik met het laatste beginnen. David was inderdaad enorm blij. Gods kinderen die in onze tijd leven, zijn bij tijden ook echt verheugd in de Heere. Toch moet je er goed op letten dat er een groot verschil is. je voelt dat in je brief wel aan: „Niet de zonde, de ellende vergeten, zoals zij toch wel doen”.
Bij David is er een grote blijdschap. Maar deze blijdschap gaat samen met een enorm besef van Gods heiligheid. Je moet 2 Samuël 6 maar eens lezen. Dan zie je hoe David eerst 'oppervlakkig' de ark in Jeruzalem wilde halen. Het gevolg hiervan was dat Uza gedood werd.
Zo heilig is God en zo nauw neemt Hij het ermee dat wij heilig met Hem omgaan en niet op onze eigen, vlotte, oppervlakkige manier.
De tweede keer brengt David de ark
binnen Jeruzalem volgens de door God gegeven voorschriften. Daarbij worden heel veel offers gebracht. Offers waarin ook de verzoening die nodig is tussen de heilige God en ons zondige mensen tot uitdrukking kwam. Bij die gelegenheid lezen we: „en David huppelde met alle macht voor het aangezicht des Heeren". David heeft dus grote blijdschap in de Heere; maar tegelijk handelt hij heel heilig en voorzichtig tegenover de Heere.
Jezus je goede Vriend?
Is dat toch niet anders dan de bijeenkomst die in de brief beschreven werd? Waar is het besef van de grote afstand tussen God en de mens? En van de heiligheid van God? Als dat besef ontbreken gaat, komen we terecht in een soort amicaal omgaan met God. Dan wordt de sfeer gezellig en wordt er makkelijk gesproken over God en Jezus aannemen. Maar Luther zei tegen zulke mensen: „Je kunt niet zomaar wat babbelen met God. Hij zou je eerst de benen breken, om je te laten voelen dat Hij heilig is". Verder weten we dat de godsdienst van David ook andere dingen inhield dan blijdschap. David wist heel persoonlijk van zonde en de worsteling om vergeving. Daarover kunnen we lezen in de Psalmen 6, 32 en 40. Wanneer we zo door genade de Heere in onze zielenood leren zoeken, is dit toch anders dan Jezus je goede Vriend noemen.
Afstand tussen kerk en wereld
De zaak van zonde en (noodzaak van) vergeving stempelt als het goed is het leven van Gods kinderen. Want wij zijn gevallen Adamskinderen en alleen door het offer van de Heere jezus kan het weer goed worden tussen de Heere en ons. Dat grondig te beseffen, brengt ook eerbied en heiligheidsbesef met zich mee.
Als dat echt beseft wordt, is er meer afstand tussen kerk en wereld. Op de wereld lijkende muziek hoort niet bij de eerbied van het Woord. En gaan 'stappen' na afloop komt niet overeen met de vreze des Heeren.
Abram en Daniël leefden niet bijna net als de wereld, maar wilden zichzelf graag onbesmet bewaren van de wereld. Dat zijn voorbeelden om na te volgen. Als de Heere je bekeert door Zijn Geest en Woord dan word je misschien voor je vrienden een vreemde, een onbegrepene. Dat was Jozef ook, en Daniël en zijn vrienden eveneens. Maar met de Heere zijn ze niet beschaamd uitgekomen.
Het geloof aannemen
Deel krijgen aan het offer van de Heere Jezus is niet iets van 'het geloof aannemen'. De Bijbel leert ons: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij" (Johannes 1:27). Wij zijn zo onbekwaam geworden door onze afval van God dat wij uit onszelf niet tot Jezus zullen gaan en ook niet kunnen gaan. „Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke", zegt de Heere Jezus (Johannes 6:44).
Het geloof hebben wij niet uit onszelf. Romeinen 3 leert ons dat de mens niet goeds van zichzelf heeft. „Het geloof is een gave Gods" (Efeze 2:8). Er is een wonder van God in ons leven nodig om deze dingen der genade te leren kennen. Wij moeten uit onze geestelijke dood levend gemaakt worden. Dat werkt de Heere door Zijn Woord en Geest. Gewoonlijk doet Hij dat onder de prediking van het Woord (Romeinen 10:14 en 1 7).
De Bijbel is eenvoudig en eerlijk
Je zegt dat de jeugd daar vrijwillig naar die bijeenkomsten gaat.
Misschien moet je daarmee voorzichtig zijn. Zolang iets nieuw is... Of moet men om de jeugd te boeien en te binden steeds meer op de wereld lijkende muziek brengen? Toen de Heere Jezus eerlijk predikte, gingen velen weg. Zij zeiden: Deze rede is hard" (Johannes 6:60 en 66). De Heere Jezus maakte het niet aantrekkelijk voor de mensen, maar was wel eerlijk.
Als het op de jeugdvereniging er wat gewoner toegaat, moet je goed bedenken, dat het Koninkrijk van God niet komt met uiterlijk vertoon (Lukas 1 7:20 en 21). juist niet, maar door de eenvoud en eerlijkheid van het Woord. Doe dan mee aan het eenvoudige, bijbelse werk van de catechisatie en de vereniging.
Het gaat toch om Jezus?
Uit wat jij beschreef, viel me ook het gezegde op: 'Het draait toch om jezus'. Dat is wel waar maar als het ons om Jezus gaat, zal als het goed is tevens de hele Bijbel voor ons waar zijn. Het is het heilige Woord van God en dat zullen we helemaal ernstig nemen. Ook gedeelten die historisch misschien moeilijk te verklaren zijn. En ook gedeelten waarin de zonden worden afgewezen en een leven anders dan de wereld wordt aangewezen. (Dat heeft ook alles te maken met uitgaan, wereldse wijze van vermaak, onze kleding, ons gedrag, eerbied, kerkgang).
2. Zou het bidden zo ook niet kunnen of is dat een teveel opleggen van het gebed?
Bij echt bidden hoort ootmoed en eerbied. Want wij, zondige mensen, bidden tot de grote God. Lees Daniël 9 maar eens. Op zo'n manier groepsbidden lijkt me inderdaad nogal opgelegd. Zoek de binnenkamer maar op; die raad geeft de Heere Jezus ook (Mattheüs 6:6).
3. Waarom zou je niet bij piano en drum mogen zingen? Zij doen dat ook in de eredienst; wij alleen bij het orgel. Dit ligt toch geheel in hun sfeer: 'Ik ga naar jezus'. Het gevoel helpt natuurlijk wel een handje mee.
In Handelingen 2 lezen we van de eerste bekeerden dat 'zij waren volhardende in de leer der apostelen' (Handelingen 2:42). Het gaat in het Koninkrijk Gods niet om sfeer en gevoel, gezelligheid en amicaal-zijn. Het gaat om heel diepe en ernstige dingen als zonde en genade, Gods eer en Christus' bittere dood. Ik wil jou en al onze jongeren vragen: erdiep je alsjeblieft in de leer der apostelen. Onderzoek je Bijbel en de belijdenisgeschriften. Neem daar tijd voor en verdiep je daarin. Dan wordt het ook gemakkelijker om
allerlei dingen van deze tijd te doorzien. En vraag om de Heilige Geest of die dat onderzoek wil toepassen tot je eeuwig heil.
Wat het andere deel van jouw vraag betreft: het is op zich niet verkeerd om bij een piano te zingen, of bij een fluit of een harp, zoals David deed. Wel is het de vraag of we met bepaalde soorten van muziekinstrumenten) de gemeente zouden dienen. Wanneer we de gemeente (zang) niet zouden dienen, maar misschien zelfs in verwarring zouden brengen, moeten we dat zeker niet doen.
Verder vraag ik mij sterk af of het gebruik van wereldse muziek en de wijze waarop bepaalde instrumenten gebruikt worden in overeenstemming is met de norm van harmonie die de Bijbel stelt (Filippenzen 4:8).
4. Een vraag van mijn vriendin: „ Waarom geen tongen taai bij jullie in de kerk? " Met dat massale zoals in de flevopolder, daar ben ik het beslist mee oneens. Maar zoals ik hoor van iemand: „Ik zat in mijn kamer en ik gaf me helemaal over en ik ging in tongentaai spreken". Waarom hebben wij dat niet?
In 1 Korinthe 14:19 kun je lezen dat Paulus liever vijf woorden zou spreken met zijn verstand om ook anderen te mogen onderwijzen, dan tienduizend (wat een verschil!) in een tongentaai. De tongentaai is dus helemaal niet zo belangrijk. Dat blijkt duidelijk uit heel 1 Korinthe 12 en 14. Het gaat om geloof, hoop en liefde, want die drie blijven. En de meeste van deze is de liefde. Paulus noemt dat de uitnemendste gaven.
Bovendien horen deze gaven typisch bij de begintijd. In de Korinthebrief lees je er wel over. Dat is één van de oudste brieven. In de latere brieven lees je er niet over; wel over de ambten bijvoorbeeld.
Van de eerste christengemeenten lees je ook niet dat ze waren volhardende in de tongentaai. Paulus moest ten aanzien van de tongentaal juist veel bijsturen en waarschuwen. Dat moet ook voor ons een les zijn. Er is blijkbaar zo gauw ontsporing op dit terrein.
Wel lezen we van de eerste christengemeenten dat ze waren volhardende in de leer.
5. Dit kan toch niet onecht zijn? Het is toch een getuigenis? En als ik haar leven zie (zoals zij zelf zegt: dicht bij de Heer) dan is dat toch heel fijn? Toch... als we het over zonden hebben: „ Daar hoef je niet meer over te praten. God heeft ze toch weggedaan". ja, dan komt dit toch niet overeen met wat er in de Bijbel staat van Paulus bijvoorbeeld, die toch zijn strijd had hoewel hij al bekeerd was.
Toch, als ik haar hoor, kan ik niet geloven dat het niet echt is.
Gelukkig behoeven wij niet te bepalen of iemand echt gelooft, maar geloof mag wel getoetst worden in de Bijbel.
De Heere jezus zegt Zelf: Niet een ieder die daar zegt Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: eere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam duivelen uitgeworpen en in Uw Naam vele krachten gedaan? En Ik zal hun openlijk aanzeggen: k heb u nooit gekend; gaat weg van Mij gij die de ongerechtigheid werkt" (Mattheüs 7:21-23; zie ook Lukas 13:25-27).
je merkt dat we maar niet te gauw op het roepen van 'Heere' af moeten gaan en ook niet op bijzondere dingen. Het komt op waarheid in het binnenste aan. We hebben een door Woord en Geest vernieuwd hart nodig.
6. „Ik geef mijn leven aan jezus". Als je tegen ze zegt, dat je toch niet uit jezelf tot God komt, geven ze je gelijk. Maar toch zeggen ze: „Geef (doe het zelf) je hart aan jezus". Maar de Heere jezus zei toch ook: „Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart? ”
In Spreuken 23:26 lezen we inderdaad dat de Heere zegt: Mijn zoon geef Mij uw hart en laat uw ogen mijn wegen bewaren". Deze oproep vinden we door heel de Bijbel heen. Dan gaat het over de oproep tot bekering (afkering van de zonde) en geloof (in God en Zijn Woord en in Christus). Laten we er op letten dat de oproep tot bekering er in de Bijbel helemaal bijhoort. Deze klinkt zelfs aanmerkelijk vaker dan de oproep tot geloof. Het breken met de zonde en de wereld is heel belangrijk in de Bijbel. De Bijbel benadrukt de afstand tot de wereld en de zonde meer dan men in pinksterkringen gewoonlijk doet. De oproep is bijbels. Maar even bijbels is de leer van de absolute geestelijke doodstaat van de mens (Efeze 2:1; Romeinen 3). Daarom leert de Bijbel ook duidelijk dat er nooit iemand tot God kan en zal komen tenzij hij door de Heere getrokken en geleid wordt.
Tenslotte
Voor deze keer is er genoeg stof tot nadenken, verwacht ik. In elk geval heb je een heleboel werk. Om dingen na te zoeken in de Bijbel. Misschien kan er eens een verenigingsavond aan besteed worden. Er is in onze tijd veel belangstelling voor de pinkstergemeenten. Enerzijds is dat een reactie op onze verzakelijkte samenleving. Daarover kun je lezen in het artikel van ds. Vreugdenhil in dit nummer. Anderzijds missen veel mensen in de bestaande kerken onderlinge verbondenheid, warmte, liefde en geestelijk leven. Ze denken dat alles wel in pinksterkringen te kunnen vinden. We moeten veel dingen op grond van Gods Woord weerleggen, maar dat mag ons niet zelfgenoegzaam maken. Mede door tekorten van de kerken is de pinksterbeweging ontstaan en gegroeid. Wat is een opwekking - ook bij ons - nodig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1996
Daniel | 32 Pagina's