Leven?!
Heerlijk, zo'n dagje vrij. Zomaar door de week en geen vaste plannen. Gewoon eens lekker genieten. Met die gedachten installeert Margriet zich met een boek en een kop koffie op haar 'dakterrasje'. Van de week is ze in 'De Tornado' begonnen. Een vriendin gaf het haar te leen, en het verhaal heeft haar gegrepen. De raakheid waarmee Nijenhuis de mensen en situaties weet weer te geven, boeit haar. Ze ziet hen voor zich: de hoofdpersonen die stuk voor stuk met de vragen van het leven, het lijden, het onbegrijpelijke, worstelen.
-'...„Weet je nog dat je zei: jij hebt ook een geheim, hè jacob? " „ja", zei ze zacht, „maar ik wil niet...”
Hij schudde zijn hoofd. „Het is eigenlijk niet een geheim te noemen, het is meer een belevenis waarover men haast niet praten kan. Ik tenminste niet.”
„jacob", zei ze dringend, „zwijg er dan over.”
Hij zei zonder er acht op te slaan: „Ik heb vanaf een kansel de vleugel van een gevulde kerk zien instorten". Hij werd weer bleek bij de herinnering. Ze keek hem ontredderd aan, ontzet doorzijn mededeling...'-
Als ze voor de tweede keer koffie heeft gehaald, hangt ze even over het balkon. Hoog kijkt ze over de achtertuinen van 'haar' straat. De onderbuurvrouw staat haar straatje te schrobben, trouw als ze dat doet iedere morgen. Waar het vies van wordt? Waarschijnlijk nergens van. Hoogstens van de vogels die hier goed vertegenwoordigd zijn, en nu en dan wat laten vallen. Haar man loopt door het tuintje en haalt hier en daar wat onkruid weg. Aan de andere kant van de schutting hangt een jonge vrouw de was aan de droogmolen. Naast haar staat een kinderwagen. Een verloren schepje in de zandbak verraadt dat er vast nog meer kinderen bij dit gezin horen. Bij ieder tuintje horen eigen mensen. En elk van die mensen heeft z'n eigen verhaal.
Een vliegtuig komt over. De buurvrouw kijkt omhoog. Als ze Margriet in het oog krijgt, roept ze iets, dat verloren gaat in het lawaai. Bij een nieuwe poging begrijpt Margriet dat er post voor haar beneden ligt. Ze roffelt de trappen af naar beneden.
Op het tafeltje in de hal ligt een brief. Aan het handschrift ziet ze dat die van Alien is. Fijn, ze zat er al een paar dagen op te wachten. Alien, haar vriendin die nu alweer een half jaar in therapie is in een psychiatrisch ziekenhuis, omdat ze slachtoffer werd van seksueel misbruik.
Margriet weet nog hoe ze haar voor de eerste keer daar opzocht, onzeker en onwennig. Sinds die tijd is ze er af en toe geweest en schrijven ze elkaar regelmatig. Hierdoor heeft Margriet er een beetje een beeld van gekregen hoe de behandeling er aantoe gaat, de groepszittingen, de gesprekken met behandelaars, het leven met twintig mensen in één gebouw. Ze is steeds meer gaan beseffen dat het veel kost om in therapie te zijn.
Weer boven maakt ze haastig de envelop open en begint te lezen. Als ze de brief uit heeft, voelt ze de tranen komen. Ze huilt. Ze huilt om Alien, om haar verdriet, haar pijn, de strijd die ze voert. Ze bidt. „O God, help haar toch, help haar alstublieft.”
Wat later pakt ze de brief opnieuw. Nog eens leest ze hoe Alien schrijft dat ze tijdelijk is overgeplaatst naar een gesloten afdeling, omdat de wil om te sterven het won van de wil om te leven.
„O, Margriet", schrijft ze, „ik wist niet dat het verlangen naar de dood zo groot kon zijn. Ik wilde niet meer verder, niet meer de pijn voelen, geen herinneringen meer, geen nachtmerries, niet meer de angst voor de mensen om me heen, niet meer hoeven vechten om verder te kunnen leven. En dan die strijd: wèl dood willen, niet dood willen; wèl verder willen, niet meer verder willen... Uiteindelijk gebeurde er iets waardoor het team het beter vond dat ik naar deze afdeling ging. Ik kan het mezelf niet meer goed herinneren, ik weet alleen nog dat ik bang was, doodsbang. Toen ik hier kwam, gaf dat toch iets van rust, ik voelde me veiliger, beschermd tegen mezelf, tegen wat ik wilde en toch eigenlijk niet. Dat is nu allemaal twee weken geleden. Nu gaat het weer beter en mag ik aan het eind van deze week weer terug naar mijn eigen afdeling. Ik heb veel nage
dacht, over het leven, over de dood. Weet je dat job daar ook over schrijft? Ik had het nog nooit gelezen, maar iemand hier wees me erop. Lees zelf maar in het derde hoofdstuk, bij vers 20.”
Margriet pakt haar Bijbeltje erbij, en dan leest ze: „Waarom geeft hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed? Die verlangen naar de dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten. Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden.”
Job, denkt Margriet, wat moet ook zijn nood groot geweest zijn. Een diepte van leed die zij niet peilen kan...
Ze pakt de brief weer op en leest verder.
„Pas maakte ik iets mee dat ik erg moeilijk vond. Een meisje die ik op deze afdeling heb leren kennen en van wie ik in deze weken veel ben gaan houden was van de week weg. Ze mocht van de afdeling weg als ze zei waar ze naar toe zou gaan en hoe laat ze terug zou zijn. Ik hoorde haar die avond zeggen dat ze een half uurtje ging wandelen. Maar na een half uur was ze er niet. Ik maakte me erg zorgen om haar en na nog een kwartier ging ik naar de verpleging. Die had inmiddels alarm geslagen. Het duurde nog bijna een half uur, toen kwam ze terug. Ze werd gebracht door de politie en liep eerst wat verdwaasd over de afdeling.
Later hoorde ik dat ze bij het spoor was weggehaald. Toen ze me erover vertelde, zei ze: „Nu heb ik God zó gebeden of Hij me kwam halen, maar m'n benen wilden niet. Ik kon niet meer lopen, ik heb alleen maar gezeten. En steeds weer kwam er een trein langs, maar m'n benen wilden niet... o, Alien, m'n benen wilden niet..." En toen begon ze te huilen.
Maar ik heb 's avonds God gedankt dat ze nog leefde. Ik vond dat ook wel weer moeilijk om te doen, omdat ze zelf zo graag dood wilde. Weet je Margriet, dat vind ik soms allemaal zo moeilijk. Dan voel ik me soms ook zo schuldig naar God toe.
Hij gaf me het leven, maar dan wil ik dat leven soms helemaal niet. Dan denk ik dat God me wel heel ondankbaar zal vinden, en dan weet ik daar weer niet zo goed raad mee.
En aan de andere kant kan het me soms weer zo enorm opluchten dat ik al die vragen, al dat niet meer begrijpen, al dat moeilijke van mijn leven tegen Hem mag zeggen. Dan moet ik er soms aan denken dat de Heere Jezus weet wat het is om verdriet te hebben, en vragen en pijn... Dan neurie ik wel eens dat kinderliedje 'Dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag'. Als ik af en toe helemaal niet meer danken kan en niet meer bidden, omdat ik niet weet wat ik tegen God moet zeggen, of aan Hem moet vragen, als ik me zo leeg kan voelen en zo eindeloos moe, dan troost het me dat je laatst schreef dat jij voor me bidt...”
Diezelfde middag doet Margriet haar reactie op de post. Ze heeft op een kaart een gedicht overgeschreven:
God gaat mee
Het leven is gevaarlijk, het geeft me slag op stoot. Ik vrees het onbedaarlijk... verdrink in al m'n nood.
De weg lijkt onbegaanbaar, al struik'/end ga ik heen. Uw stem lijkt onverstaanbaar... Ik voel me zo alleen!
Hoe kan ik U bereiken? O, Heere, help mij voort! Doe mij Uw liefde blijken en troost mij met Uw Woord.
„ Ik zal je niet begeven en Ik verlaat je niet... als jij steeds in dit leven verwachtend op Mij ziet!”
') joke van Sliedregt, in 'Vruchtbaar leven'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1996
Daniel | 32 Pagina's