GEDICHT
Als je weet, dat Davos zo'n zestig, zeventig jaar geleden, toen dit gedicht geschreven werd, een belangrijk kuuroord voor t.b.c.-patiënten geweest is, dan begrijp je de situatie direct een stuk beter, je moet je voorstellen alsof de dichter met een camera langzaam inzoomt op wat hij wil laten zien. Eerst is er een prachtige beschrijving van de Zwitserse natuur, ongenaakbaar in de herfst, 'onaangerand van sterven'. Direct daarna de scherpe tegenstelling met de mensen in het sanatorium. Je ziet ze als het ware liggen in lange, lange rijen op de veranda's. Zolang de zon schijnt, zijn ze buiten. Ze liggen daar maar te wachten op de dood, omdat tegen hun kwaal geen kruid gewassen is. En ondanks dat tóch hopend op leven. Zolang er leven is, is er immers hoop! Elke dag dat hun leven gerekt wordt, groeit de verwachting - tegen beter weten in - dat ze beter zullen worden. Heel hun bestaan hunkert naar léven! Maar uiteindelijk weten ze beter, evenals de dichter. In diens visie zijn al degenen die hier liggen, te vroeg verraden en voorgoed genekt. Je proeft in die woorden z'n machteloze opstand tegen deze onbegrijpelijke gang van zaken. „Waarom? ”
Tenslotte zoomt de camera op een jonge Griek in; deze jonge man blijft voorlopig in beeld. Hij is één van degenen die hier hopend en wanhopend liggen. Hij ziet er niet goed uit, maar hij wordt, nu de dag langzamerhand overgaat in de avond en straks in de nacht, bijzonder geboeid door het zingen van een nachtegaal.
Buitengewoon mooi wordt de zang van dat beestje beschreven met behulp van twee beelden: die van een 'klare brand' en 'een koele sneeuw'. Die beelden geven aan de ene kant het hartstochtelijke van de zang aan waardoor de jonge Griek zich laat meeslepen, en aan de andere kant de mildheid die hem rustig maakt en verzoend met zijn lot doet zijn.
En dan... is er plotseling niets meer. De zang is opgehouden. Het is nacht geworden. Wég wild verhaal, wég zorgeloos geluk, wég veerkracht en vreugde. Het leek er te zijn, maar het was er niet, het was er niet. Nachtegaal toch, wat heb je aangericht! Je hebt een illusie wakker gemaakt die nooit in vervulling kan gaan... Die jonge man ligt nu waarschijnlijk te huilen. Geen wonder dat de dichter vraagt: „O God, vergeef de kleine nachtegaal!". Anthonie Donker weet er geen raad mee. En wij ook niet! Het leed kan te groot zijn. Wat is het dan een genade, ja werkelijk genade, als je mag zeggen dat het tóch goed is wat de Heere doet. Dan is de nacht niet meer vaal en blijken het geluk, de veerkracht en de vrede er ineens - onbegrijpelijk - wél te zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1996
Daniel | 32 Pagina's