Jeugdportret van een Ledeboeriaan
De. Nicolaas Hendrik Beversluis (1050-1931)
Wie was hij, ds. N. H. Beversluis? Hij was binnen onze gemeenten de laatste predikant uit de Ledeboeriaanse traditie, waarbij je moet denken aan: ds. Lambertus Cerardus Cornelis Ledeboer (1808-1863), ds. Pieter van Dijke (1812-1883) en ds. Daniël Bakker (1821-1885). Tegelijk is hij de eerste preses van de Generale Synode op 9 en 10 oktober 1907, nadat Ledeboerianen en kruisgezinden als kerkgroeperingen waren samen gegaan. Hij en ds. G. H. Kersten werden destijds weieens 'de ziel' van deze vereniging genoemd. Beiden waren daarbij instrument in de hand van de Koning van de Kerk.
In Rotterdam woonden de broeders nog geen vijf minuten van elkaar verwijderd. Hun contacten waren intensief. Beide mannen waardeerden elkaar in hoge mate. Geen wonder! Ze hadden veel gemeenschappelijks. Om te beginnen: beiden waren in het onderwijs werkzaam, voordat de Heere hen riep tot het ambt. Vervolgens: hetzelfde genadeleven, dat uit God is, stempelde hen. En tenslotte: een sterk besef voor de noodzaak van een geordend kerkelijk leven, waarin niet zozeer hun woord gezag had, maar hèt Woord. In dit artikel wil ik iets vertellen uit Beversluis' jeugd.
Gezinsleven
In 1850 is Hendrik geboren als oudste zoon uit eenvoudige ouders te Nieuw-Beijerland. Vader Jan is timmerman en 'doodbidder' (begrafenisdienaar). In het gezin moet moeder Adriana vaak de eindjes aan elkaar knopen. Breed hebben ze het niet.
Behalve door een betrekkelijk geringe maatschappelijke positie, worden de meeste Ledeboeriaanse gezinnen gekenmerkt door een leven met de Schrift. Zo ook in huize Beversluis, waar een christelijke opvoeding wordt gegeven. Moeder spoort aan tot het zingen van de psalmen van
Datheen. Grove taal wordt gestraft. Schaatsen op zondag is taboe. Pokkenvaccinatie wordt afgewezen. Sint Nicolaas-en oranjefeesten zijn uit den boze. Daarentegen wordt de Bijbel maaltijd na maaltijd geopend. Oude perkamentjes van vader a Brakel, Smijtegelt, Comrie en Van der Groe sieren de simpele boekenplank. Ze worden gelezen ook!
Bunyans Christenreis is het enige godsdienstige boek met platen. Een kinderbijbel bezit men niet. Is moeder vaak teruggetrokken - nogal eens wenend aan te treffen in de binnenkamer - vader Beversluis heeft een nuchter karakter. Als op het dorp men Gods oordelen meende te zien naderen in de verschijning van het roodgroene noorderlicht aan de hemel, dan beoordeelt hij dat als een natuurwonder Gods, waaruit wij de grootheid van de Schepper en de nietigheid van de mens des te meer kunnen leren. Evenmin kan hij waardering opbrengen voor het kramp
achtig vasthouden van de oude druk, als ware zulk een boek eerbiediger of zelfs beter van inhoud. Later zien we van beide ouders iets bij hun oudste zoon terug.
Vaderlijk welbehagen
Omstreeks zijn elfde jaar werkt de Heere indrukken van dood en eeuwigheid in Hendriks jonge hart. Tot dan toe heeft hij oppervlakkig geleefd. Met zijn dorpsmakkers Jan Roos (mijn overgrootvader - Cdj) en Janus van Lieburg zwerft Hendrik
Beversluis door de Hoekse Waard. Wonder, alle drie worden ze door God bekeerd! Oud geworden, dicht Beversluis over zijn jongensjaren in het auto-biografisch gedicht 'De Pelgrim':
De lachende wereld boeide mij zinnen, Pakken en lasten kende ik niet.
Aarde en slijk alleen wild' ik minnen, 'k Zag geen ellende en vond geen verdriet. Dartiend en spelend versleet ik mijn dagen; Geen kommer in 't hart en vreemd van het leed,
Dat als een worm, soms and'ren kan knagen;
Gelukkig en vrij, in al wat ik deed.
Onverwacht kruist een man zijn leven. Ongedacht breekt voor de jonge Hendrik het uur van het Vaderlijk welbehagen aan. Ernstig waarschuwt een kind des Heeren de jongen voor het nare einde van de brede weg, waarop wij allen wandelen van nature.
Och, of ik toch me bedroog, jonge man: Ellend' en verderf zijn u op de hielen; En 't wraakzwaard des Heeren hangt boven uw hoofd.
O, zo ge niet leert voor de Heere te knielen, Zult ge eeuwig verzengen door de vlam die niet dooft.
De man ging nu voort. Maar ik stond verslagen. Een donderwoord was mij door 't harte gegaan.
Wat kwam zo op eens mijn vreugde verjagen?
Welk schutter lag zo zijn pijl op mij aan?
Open consciëntie
Dan gaat Hendrik zijn weg met een open consciëntie. De rust is hem opgezegd. De dood valt hem elk ogenblik aan. Zijn daden veroordelen hem voor de heilige Rechter, voor Wiens aangezicht hij niet kan bestaan.
Er is schuld gemaakt bij de
Allerhoogste. Een bijzondere ernst overmeestert de jongen, die hem zijn hele leven zal bijblijven. Nu moest ik, mijn vriend de Bijbel geloven 'k Zocht daarin troost, maar vond die er niet.
O, niets vermocht nu de vuurgloed te dove Ontstoken door Hem, Die het harte doorziet ja:
Mijn angst werd steeds meer, hoe ik las, hoe ik bad;
Mijn geweten kreeg slagen op slagen, 'k Was een, die Gods heilige wetten vertrad Gods gramschap en toorn moest ik dragen
Regelmatig bezoekt hij gezelschappen van de vromen op het dorp. Als Gods volk hem aansprak, zo wist ds. G. H. Kersten eens te vertellen, was Hendrik dikwijls zeer aangedaan.
Kerkgang
Vader kerkt aanvankelijk hervomd. Trouwens, behoudens een enkeling, wie niet op het dorp? Maar zijn vrouw Adriana kan het in de 'grote kerk' daar niet vinden. Vrijzinnigheid viert in die dagen hoogtij in de hervormde gemeente. Haar ziel verkommert onder de prediking.
Overigens voelt vader zich in godsdienstig opzicht door de jaren meer en meer betrokken op de opvattingen van zijn godvrezende vrouw. Echter is zoon Hendrik allang de deur uit, wanneer zijn vader tenslotte met moeder meegaat naar de kleine schuurkerk van Ledeboer.
Wanneer in 1887 vanaf de kansel de loochening van de Godheid van Christus klinkt, staat hij midden in de kerkdienst op en zegt tot een kleinkind, dat naast hem zit: „Kom, mijn jongen, als de pilaren gaan wankelen, moeten wij het gebouw toch gaan verlaten". Terecht kan hij de verantwoordelijkheid als lid niet langer dragen.
Uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw dateren ook de wortels van onze Gereformeerde Gemeente van Nieuw-Beijerland. Enkele mensen komen samen in een huiskamer, waar een preek wordt gelezen door Simon van der Wel, later ouderling.
Hoon en verachting is het deel van de 'mystieke dwepers', zoals de kerkgangers op het dorp aangeduid worden. Soms is het hoogst bezwaarlijk om door de 'bende straatslijpers' heen te dringen om het overjarig koren te gaan beluisteren. Eenmaal binnen, worden hongerigen verzadigd. Ook Hendrik Beversluis weet hiervan.
Ds. Ledeboer
Ds. Ledeboer uit Benthuizen kwam weieens op het dorp preken. Dan was Hendrik met moeder erbij. De lange tengere Ledeboer had - zoals hij zich later herinnert - geen grote kanselgaven. En toch, er lag een bijzondere kracht in zijn spreken. „Een gloed, niet van welsprekendheid, maar van het vuur van de Heilige Geest verwarmde het hart van Gods kinderen", zo schreef hij. En ook bij hemzelf liet de prediking onuitwisbare sporen na.
Trouwens, geregeld beluisterde hij met zijn broer Krijn de gesprekken tussen zijn bekommerde moeder en haar buurvrouw Sijtje van der Voorden. De prediking gaf zeker stof. Hoe wist deze in het geloof geoefende christin de kleinen in de genade op te beuren en hen te wijzen op hetgeen ze niet durfden hopen. Een christin, óók in de praktijk van alle dag, mededeelzaam.
Geestelijke doorbraak
Later werkt de Heere verder in het hart van Hendrik. Er mag van doorbrekend werk sprake zijn. Wat dit betekent? Wel, een Borg voor zijn ziel wordt levensnoodzakelijk voor hem. Het wordt het de beleving van zijn hart, 'afsnijdend'.
Geen weg van ontkoming; een prooi voor 't verderf;
Rampzaal'ger dan ik was er geenen. Onrein, bedorven, in pit en in merg,
Deed bitt're tranen mij wenen. Toen was het, dat God mij de heilweg ontsloot
In Christus, de Zoon Zijner liefde. Toen werd ik, als door God Zelve Hij was het, Die de scheidsmuren genood. kliefde. Een geopende Weg voor zo een rebel; O, wonder van vrije genade!
Christus, d'Overwinnaar van de poorten der hel,
Dit kwam nu mijn ziele te stade.
Onvergetelijke ure jezus te leren kennen als de Weg voor dwalenden, de Waarheid voor dwazen en het Leven voor doodschuldigen.
Wanneer dit in Beversluis' leven plaatsvindt, moet hij ongeveer 25 jaar zijn geweest. Hij is dan inmiddels gehuwd met Annigje de jongste (in de verte familie van schrijver dezes - Cdj), een meisje dat de Heere vrezen mag.
Bestemd voor rijksdienst
Nog een ding uit de jeugd van ds. Beversluis is hier vermeldenswaardig. Al jong is Hendrik bij zijn vader werkzaam: timmergezel. Echter, ten tijde van de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) spant het in Europa. Hendrik moet voor zijn nummer de mobilisatie in. Te Dordrecht ligt hij als pontonnier in de kazerne aan de Oude Maas.
Ernstige bloedspuwingen wegens zware arbeid - tijdens het leggen van een pontonbrug - brengen soldaat Beversluis op zekere dag thuis met ziekteverlof. Grote zorg heerst er in de ouderlijke woning. Ligt Hendrik op zijn sterfbed? Zal de aandoening het jonge leven naar het graf slepen? Men vreest het ergste.
Een oude man uit het dorp komt hem bezoeken. Van Godswege voelt hij zich geroepen aan de Kerkstraat 7 een boodschap te brengen, nadat hij de doodzieke jongen voor het aangezicht van de Heere heeft neergelegd in het gebed. Aandoenlijk en bemoedigend klinkt het tot Hendrik: „Jij, mijn kind, sterft niet, de Heere heeft nog veel werk voor jou te doen." Wonderlijk, hoe hij daarna opknapt. Hij wordt definitief afgekeurd voor de rijksdienst van de aardse koning, maar zal eenmaal arbeiden in de Rijksdienst van de Koning der koningen.
Zal Hendrik Beversluis niet gezongen hebben?
God de Heer is ons zaligheid!
Hij toont ons Zijn goedgunstigheid Door verlossingen machtig. Het is God, Die Zijn volk vrij stelt, En maakt, dat het blijft ongekweld Van doods geweld zeer krachtig.
(berijming Petrus Datheen - Psalm 68 : 10b)
Alblasserdam ds. C. de Jongste
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1996
Daniel | 40 Pagina's