Bidden
Maandagmorgen, Zes uur. Arno stapt in het busje. Vandaag gaan ze naar Middelharnis. Ongeveer een uur rijden. Wat zal vandaag weer brengen?
Christen zijn blijft moeilijk tussen mensen die nergens aan doen. Afijn, voorlopig zullen ze allemaal hun mond wel houden. Meestal zijn ze 's morgens vroeg niet zo praterig. Zeker de vrijgezellen niet. Die hebben een weekendkater. Wat wil je ook, als je 's zaterdags-en 's zondagsnachts gaat housen. Kees is zelfs vaak afwezig op maandag. Helemaal afgedraaid. Erik, de chef, maakt daar trouwens weieens opmerkingen over. Terecht, maar de manier waarop is bar. Grof tot en met.
Arno is de laatste die instapt.
Middelste rij aan de kant van de schuifdeur. Niet zo'n fijne plaats. Je kunt letterlijk en figuurlijk van voor en van achteren belaagd worden. Ze liggen allemaal voor pampus, alleen Erik niet. Logisch, hij moet rijden.
„Móge Arno", groet hij. „Hoi", antwoordt Arno terug. Hij installeert zich tegen de deur. Zijn tas propt hij tegen het raam. Meteen sluit hij zijn ogen.
Het is de derde week dat hij met deze maats op karwei gaat. Toen hij net van school af kwam en de eerste keren op karwei ging, voelde hij zich verplicht een gesprek te beginnen met de chauffeur. Die gesprekken waren al gauw moeizaam gebleken. Wat had 'ie weinig gemeenschappelijk met deze jongens. Steeds weer begonnen ze over onderwerpen waar hij niets van wist, of waar hij heel anders over dacht. Bovendien kreeg hij al gauw een grote mond van een van de anderen; „of hij zijn kop nog niet even kon houden, 's morgens vroeg? ",
ja, duidelijk waren ze wel tegen elkaar. Hij heeft zich al gauw aangewend zich slapend te houden. Een goede remedie. Vooral 's middags, dan willen ze nog wel eens wakker zijn en allerlei leuke opmerkingen maken. Als hij doet alsof tie slaapt heeft hij geen gezeur. Hij hoeft de problemen tenslotte niet te zoeken. Hij is inmiddels wel zo slim niet overal op in te gaan. En als hij ergens op ingaat, dan plompverloren en met een stalen gezicht. Laten merken dat je niet verlegen bent, werkt het best. Hij heeft tenslotte recht op zijn eigen mening, net als zij!
De eerste keer dat hij op karwei ging, was hij veel te schuchter geweest.
Met de schaft had hij snel zijn handen gevouwen en een kort gebed gedaan. Onmiddellijk had een collega hem aangesproken: „Zag ik jou nou een gebedje doen? " Verlegen had hij toegegeven.
„Tjonge", had de collega daarop gezegd, „ik heb wel meer christelijke collega's meegemaakt, maar ik heb er nog nooit een zo turbo zien bidden als jij!" Wat had hij zich geschaamd.
Sinds die eerste keer heeft hij op dit punt zijn houding wel gevonden. Op een nieuw karwei met nieuwe maats gaat hij bij de eerste schaft tegenwoordig onmiddellijk in de aanval met een duidelijk hoorbaar, „Als jullie even je mond houden, kan ik bidden". Ze weten het nu en laten hem over het algemeen begaan.
Sudderend worden de eerstvolgende drie kwartier doorgebracht. Langzamerhand worden de maats wakker. Erik probeert aan te geven wat ieder straks op het karwei moet doen. Het lukt niet best. „Hé, Erik, niet zo zenuwachtig, we zijn er nog niet. We gaan nu nog niet over het werk praten. Het weekend is nauwelijks voorbij."
Tevergeefs probeert Erik het gesprek naar zijn hand te zetten met: „Het gaat niet zo goed met dit karwei, jongens. We draaien lelijk in de rode cijfers".
Ze zijn er niet gevoelig voor. „De bazen verdienen te veel en doen te weinig, Erik. Hun zaak toch? Wij ons te pletter werken en zij de winst opstrijken. Als wij al lang aan het werk zijn, liggen zij nog lekker op hun luie rug. Moet je eens om half negen op het kantoor komen, mooi dat de helft er dan nog niet is. Nee, ze bekijken het maar."
Negen uur schaften ze in de kantine van het bedrijf waar ze op karwei zijn. „Zal ik de koffie effe halen", vraagt Arno. Even later is hij terug met een blad koffie. Dat doet hij wel meer. Als ze je mogen heb je al veel gewonnen.
„Zo, ogenblikje stilte graag, dan kan ik beginnen", zegt hij, terwijl hij neerploft, 't Komt er niet meer zo op aan wat hij precies zegt. Ze zijn eraan gewend.
„Heb je gisteren nog Studio-sport of Sport7 gezien? Wat een zwak spel, hè bij Ajax. Ze zullen nog op moeten passen, als ze nog een wedstrijd verliezen kunnen ze PSV niet meer inhalen."
Het gesprek concentreert zich vandaag op de kansen van Ajax en PSV. Arno eet zijn brood en beperkt zich tot luisteren. Hoe kan hij ook anders. Weet hij veel, hoe het zit met de kansen van Ajax en PSV. Niemand verwacht van hem trouwens een bijdrage. Zo ver kennen ze hem nu wel.
Even later is Arno weer aan het werk. Vandaag werkt hij samen op met Richard. Dat is nog niet eerder gebeurd. Richard is wat verder met zijn opleiding dan Arno. Hij heeft daarom de leiding.
„Zeg Arno, waarom bidt jij altijd voor en na het eten? ", vraagt Richard plotseling.
Arno schrikt er even van. Wil Richard hem op de hak nemen? Nou nee, dat gebeurt meer in de groep. Daar stellen ze leuke vragen om het zelf te maken. Dit lijkt meer een serieuze vraag. Normaal antwoord geven dus prent Arno zich in.
„Nou", zegt hij dan, „ik geloof dat ik mijn eten aan God te danken heb en dat God er ook voor moet zorgen dat ik er wat aan heb."
„Oh", antwoord Richard en dan; „geef mij steeksleutel 12 eens aan en hou jij die balk eens even tegen tot ik die moer vast heb."
Zwijgend werken ze een poosje door. „Oké, vast als een huis. Zeg wat zeg jij eigenlijk tegen God als je bidt? "
„Nou eh, kijk wij bidden verschillende keren op een dag. 's Morgens als je opstaat, voor en na het eten en 's avonds als je naar bed gaat. je vraagt heel normale dingen, 's Morgens dank je God voor de nachtrust en je vraagt of Hij je wil helpen bij je werk overdag en of Hij er voor wil zorgen datje geen ongeluk overkomt, enzovoorts. Kortom je vraagt of alles goed mag gaan. 's Avonds dank je God voor alles wat goed mocht gaan en als je verkeerde dingen deed, dan beken je dat aan God en vraag je vergeving."
„Goed stel je voor. jij 's morgens bidden of alles goed mag gaan en overdag pletter je van deze stelling, 's Avonds in het ziekenhuis kom je bij. Wat denk je dan? Mooi voor niks gebeden? "
„Nee, zo ligt het niet. Uiteindelijk staat God boven mijn leven. Ik weet dat Hij het beste met mij voor heeft, ook al kan ik niet alles begrijpen."
„Hm, ik dacht wel zo iets. Denk je dat het helpt als je bidt? Ik bid nooit en met mij gaat het toch ook goed? "
Zekerder dan hij zich voelt, zegt Arno: „Ik kan niet leven zonder God. Als gelovige weet je dat je altijd bij Iemand terecht kunt."
Capelle aan den Ijssel W. M. van der Wilt
'Op de werkvloer' is een nieuwe rubriek die in de eerste plaats bestemd voor jongeren die werken in een niet-christelijke omgeving. Geprobeerd wordt een impressie te geven van de sfeer waarin zij werken. Het taalgebruik speelt daarbij ook een belangrijke rol. Min of meer tussen de regels door zal geprobeerd worden deze jongeren een steuntje in de rug te geven. Reacties zijn natuurlijk hartelijk welkom.
Redactie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1996
Daniel | 32 Pagina's