De onheilige heilige
Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875)
Voor me ligt het boekje van ds. W. A. Hoek met als titel "De onheilige heilige". In een van de hoofdstukjes wordt deze titel uitgelegd. De heiligmaking moet in zalige ernst genomen worden. Die moet je hele leven doordringen. Dus ook de prediking. De heiliging is louter genade, die louter zonde veronderderstelt. Kohlbrugge, de onheilige, wist door "louter genade" van "louter heiligheid". "Ik ben niet heilig, maar mijn Heiland is heilig", was zijn devies. Hij leefde uit de heiligmaking in Christus. Zoals zondag 23 van onze Heidelberger het ook zegt: "... dat God uit louter genade ons de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent". De goddeloze wordt gerechtvaardigd en deze gerechtvaardigde blijft zijn hele leven een onheilige heilige. Kohlbrugge heeft heel zijn leven gestreden tegen een eigengemaakte vroomheid, een "heiligheid" die de mens zelf op moet brengen na de rechtvaardigmaking als het werk van God.
Kohlbrugge wordt geboren in 1803 te Amsterdam en sterft in 1875 te Elberfeld in Duitsland. Hij is een negentiende-eeuwer bij uitstek. Hij groeit op in de tijd van Koning Willem I. Een periode die zich niet kenmerkt door stuwkracht, ijveren initiatief. Er heerst een sfeer van lauwheid.
Kohlbrugge en zijn tijd
Men wil na de Franse overheersing rust! Zowel kerkelijk, als politiek. De leer van de Verlichting is nog niet dood. Verdraagzaamheid en liefde behoren tot het wezen van de godsdienst. Geen ruziemakers, geen scherpslijpers, maar zoveel mogelijk roemen in de "deugd", die na het leven beloond wordt met gelukzaligheid. Natuurlijk moeten de "geloofswaarheden" wel overgeleverd worden, maar de discussiepunten zoals, verkiezing, verzoening door voldoening en erfzonde moeten niet te veel benadrukt worden. Er is wel een Reveil, maar op den duur voelt Kohlbrugge zich daar toch niet thuis. In het begin heeft hij wel een vriendschapsband met Da Costa, maar ten diepste verstaan de mensen van de Afscheiding en het Reveil Kohlbrugge niet. Hij is en blijft een eenzame strijder met een kleine vriendenkring om zich heen.
Wie is Kohlbrugge?
De vader van Kohlbrugge is zeepzieder (verkoper in zeep). Kerkelijk behoort vader Kohlbrugge tot de orthodox-Lutherse Kerk en moeder tot de Hervormde Kerk. Als Kohlbrugge zestien jaar is, krijgt hij toestemming om theologie te gaan studeren aan het Amsterdams Atheneum. Op het sterfbed van zijn vader moet Kohlbrugge beloven, dat hij doctor in de Theologie zal worden. Hij moet dus promoveren. De studiejaren zijn niet gemakkelijk, want na de dood van vader moet Hermann Friedrich naast zijn studie ook voor het gehele gezin de kost verdienen. Op 23-jarige leeftijd mag hij voor het eerst preken (proponeren) in de Hersteld-Lutherse gemeente te Amsterdam. Kohlbrugge is geen man, die een blad voor zijn mond neemt. De prediking van ds. Uckermans vindt hij te rationalistisch (verstandelijk). Openlijk valt Kohlbrugge hem aan, hoewel hij nog maar 24 jaaroud is. Doorzijn toedoen is ds. Uckermans geschorst.
Op 26-jarige leeftijd promoveert Kohlbrugge op een proefschrift over Psalm 45. Niet in de lijn van de negentiende-eeuwse theologie, maar op orthodox-gereformeerde wijze heeft hij deze Psalm uitgelegd. Zeer sterk wordt het Messiaanse karakter van deze Psalm benadrukt. Wanneer men gekund en gedurfd had, was de doctorstitel hem nog ontgaan.
Geen lid in de Nederlandse Hervormde Kerk
Verschillende aanvragen om lid te mogen worden in de Nederlandse Hervormde Kerk liepen op niets uit: men wil geen probleemgevallen, geen onruststokers, en zeker niet op de kansel. Een andere beproeving is het overlijden van zijn vrouw, na een
huwelijk van slechts vier jaren. Met twee kleine kinderen blijft hij nu achter. Zijn huisarts schrijft hem rust voor en die vindt hij in Duitsland. De oude ds. Krummacher stelt hem in de gelegenheid om een aantal "gastpredikaties" te verzorgen. Een van die preken is de preek over Romeinen 7:14. Ik hoop daar nog op terug te komen, want mede door deze preek bekoelde de vriendschap met Da Costa: n een felle aanval reageerde deze op de "komma-preek".
Schriftstudie... en Elberfeld
Een lange periode in zijn leven heeft Kohlbrugge in eenzaamheid doorgebracht en zich hoofdzakelijk beziggehouden met Schriftstudie. Dit liet de gezinssituatie nu ook toe, want in 1834 was hij in het huwelijk getreden met een barones: Van Verschuer. Deze krachtige persoonlijkheid, tevens niet onbemiddeld, zorgde ervoor dat Kohlbrugge in deze ambteloze periode financieel geen zorgen kende.
In 1847 werd Kohlbrugge predikant van de Reformierte Niederlarrdische Gemeinde te Elberfeld. Opmerkelijk is het feit, dat ouderlingen hem moesten ordenen tot het ambt. Overigens een beslissing, die hij voor Gods aangezicht heeft durven nemen.
Graag had Kohlbrugge de landskerk van Nederland of Duitsland gediend, maar hij kwam apart te staan. Hij vond het een "eer", dat hij als de "gesmade" door het leven mocht gaan. Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Een enkele keer mocht hij op uitnodiging voorgaan in de Nederlandse Hervormde gemeente. In 1865 kreeg hij een beroep uit Zoutelande. Duidelijk zag hij hierin de hand van God, Die hem op deze manier recht deed in Nederland, al was het maar 't kleinste plaatsje aan de zee!
Een opmerkelijke preek...
De preek over Romeinen 7:14 "Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde", noemde Kohlbrugge zijn tweede bekering. Deze preek is van wezenlijk belang voor de boodschap van Kohlbrugge wat betreft de heiligmaking. Wat ontdekte hij? Dat door heel de Schrift heen door de prediking van het Evangelie de leer van de Wet wordt bevestigd. Zij zijn geen twee grootheden, maar het is het slaan op hetzelfde aambeeld. De wet is een tuchtmeester tot Christus. Als we Hem hebben, dan bezitten we alles. In Christus zijn Zijn kinderen niet alleen gerechtvaardigd, maar Hij is ook hun heiligmaking. In drie punten heeft Kohlbrugge de preek uiteengezet: : e wet is geestelijk; b: aar ik ben vleselijk; c: erkocht onder de zonde. In het derde punt vat Kohlbrugge alles nog eens samen. Wij zijn (ook na de bekering) geneigd tot zondigen, nergens anders toe in staat. De zonde is een tiran die ons martelt. Er is geen andere raad, geen andere troost, dan de Heere jezus Christus: En hebt gij waarlijk vergiffenis van uw zonden in het bloed van Christus, zeg dan vrijmoedig: k ben heilig - wanneer gij ook niets dan onreinheid in u ziet. Zalig zij die niet gezien hebben, en nochtans geloofd hebben. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus jezus, onze Heere "
"Opdat het ons openbaar worde, dat wij de wet, haar werken, heiligheid, en vroomheid niet dan ondeugende zijn en er de handen van moeten afhouden, opdat wij daarvan overtuigd, gedrongen worden om onze hoop alleen op Christus te stellen, nademaa! wij onvermijdelijk tot venwjjfeling komen, als wij met de wet en haar werken omgaan (Galaten 3 : 10), wat moet ik dan doen?
Werp uw heiligheidskrukken weg, ver van u weg! Gij komt er de berg Sion niet mede op (Psalm 24). Ruk die lompen af, waarmede gij uw wonden bedekt houdt, en toon u aan Hem, die heilig en rechtvaardig is, zó als gij zijt. Laat al het uwe los. Hier aan zichzelf te wanhopen is zaligheid. Geef Gode recht en veroordeel voor God uzelf en gij doet, wat God wil dat gedaan worde. En wacht reikhalzend op Zijn genade, die u aangebracht is in Christus, Zijn Zoon. Die toch wordt zijn geloof tot gerechtigheid gerekend, die niet werkt, maar in Hem gelooft, die de goddeloze rechtvaardigt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1996
Daniel | 34 Pagina's