Ziet, de Bruidegom komt
Impressie conferentie Dongen
„ En zo mag ik wel besluiten met jullie toe te wensen ", zo sprak ds. Mulder aan het eind van zijn lezing, „blijf bij de inzettingen, blijf bij het Woord van Cod. Zoek de Heere terwijl Hij te vinden is. De Heere zelfwerke in jullie doorZijn Geest het ware geloof en de waarachtige bekering opdat je toekomst hebt die de eeuwigheid verduurt." Een impressie van een van de drie jongerenconferenties met als thema 'Ben jij bereid? ’.
Enkele dagen van te voren ontvangen de bijna negentig deelnemers hun uitnodiging voor de conferentie in Dongen op vrijdag en zaterdag 23 en 24 februari 1996. Een programmaboekje, een routebeschrijving, een acceptgirokaart en een deelnemerslijst. Tot op het allerlaatste moment rinkelt de telefoon op het Bondscentrum en zijn de medewerkers er druk met jongeren die zich nog willen aanmelden. Het is nog maar net half zeven als het eerste volle voertuig arriveert bij 't Volderke, de kampeerboerderij die ons onderkomen is deze twee dagen.
Bij aankomst krijgt iedereen een nummer dat aangeeft in welke bijbelstudiegroep je zit en een nummer waarop je slaapzaal vermeld staat. Na een bakje koffie is het ongeveer kwart voor acht. Het programma geeft aan dat het tijd is om de conferentie te openen.
Veel overeenkomsten, toch een groot verschil
Jeugdwerkadviseur André Lagendijk opent de conferentie. Samen zingen we Psalm 98:3 en 4 en lezen Mattheüs 25:1 - f 3. De tien maagden uit het bijbelgedeelte gingen allen op weg om de bruidegom te ontmoeten. Allen waren ze er zeker van dat hij zou komen. Toen de bruidegom vertoefde te komen, vielen zij allen in slaap. Toen de bruidegom kwam, maakten allen zich gereed. Er bleek pas onderscheid toen de olie van vijf maagden opraakte en de lampen dreigden uit te gaan. Olie lenen van een ander was niet mogelijk. Vooralle maagden was het nodig zelf olie te hebben. Ben jij gereed om God te ontmoeten? Brandt jouw lamp als Hij komt?
Het begin der laatste dingen
Om kwart over acht krijgt ds. Mulder het woord. Aan de hand van Mattheüs 24 noemt hij een viertal kenmerken van de eindtijd.
Het eerste kenmerk is dat overal het Evangelie gepredikt is. Het Evangelie moet komen in alle gebieden die nog nooit eerder met het Evangelie bereikt zijn geweest.
Het tweede kenmerk is het materialisme. God wordt niet meer gediend. Het is als in de dagen van Noach en als in de dagen van Lot. Men is druk met kopen en verkopen, met bouwen en verbouwen, met eten en drinken. Allemaal nuttige en noodzakelijke dingen. Maar het is een leven zonder God, zonder gebedsleven, zonder omgang met het Woord, zonder het ware geloof.
Het derde kenmerk is een kerk die slaapt. Net als de vijf wijze maagden. Ze hadden een zaligmakend geloof, ze hadden olie in de vaten. Maar ze sliepen. Heel de kerk in de zichtbare vorm let niet op de tekenen der tijden. Let niet op Zijn komst.
Onderling contact Een vierde teken van de eindtijd vinden we in 2 Thessalonicenzen 2. Paulus schrijft daar over de afval in de kerk en over de komst van de mens der zonde. Paulus roept de Kerk echter op om vast te staan en de geleerde inzettingen te bewaren. Want de Kerk heeft toch toekomst. Niet omdat zij haar Heere zo liefheeft. Het is juist andersom: de Heere bemint de Kerk. Hij heeft haar van den beginne verkoren tot zaligheid.
Vragen bespreking
In groepjes werd er nagesproken over de lezing. Ds. Mulder beantwoordde de vragen.
Waf moeten we ons precies voorstellen bij een slapende kerk?
In de eerste plaats betekent het dat er weinig uitgezien wordt naar de wederkomst van Christus. In de gelijkenis staat dat de maagden sliepen. Verder lezen we dat de lampen uitgingen. Dit wijst op het geloof dat niet werkzaam was. Er was wel geloof, want later blijkt dat de vijf wijze maag den nog wel olie in de kruiken hebben. Er komen wel mensen tot bekering, maar de vaste kennis van Christus en het leven uit dat geloof is gering. Er is weinig tere vreze Gods.
Hoe moeten we Romeinen 11 lezen als het gaat over de beloften voor Israël?
Israël zal Christus aannemenI Wel moeten we oppassen om niette gaan speculeren. Hoevelen er zalig zullen worden weten we niet. Toch geloof ik dat uit het geheel van Romeinen 11 afgeleid mag worden dat er opmerkelijk veel joden zullen worden toegebracht in het einde der tijden. Het is een gevaarlijke stelling om te zeggen dat de wederkomst nog niet nabij is, omdat er eerst nog zoveel uit de Joden bekeerd moeten worden. In de laatste anderhalve eeuw zijn er veel joden tot bekering gekomen. Wie zal zeggen dat de Heere niet morgen komen kan en dat heel de Schrift vervuld is.
In 2 Thessalonicenzen 2:6 en 7 lezen we dat de antichrist nog weerhouden wordt. Waar moeten we dan aan denken ?
Aan de ene kant is er het beleid van God. Hij trekt Zijn Geest steeds verder terug. En er kan een tijd komen dat Hij de kandelaar van Zijn Woord uit een bepaalde streek als het ware wegneemt. De andere kant is die van de mens. Hij zal de Geest steeds meer bedroeven en tegenstaan. Door steeds bruter de zonde te doen, Gods Naam steeds meer te lasteren, door het Woord steeds minder te onderzoeken en door steeds minder te bidden. En zo krijg je die twee lijnen bij elkaar. De mens zal zelf zijn verderf bewerkstelligen door steeds meer en steeds openlijker de zonde te bedrijven en waar de zonde openlijk bedreven wordt trekt de Geest zich terug.
Hoe moeten wij omgaan met de wederkomst?
Ik moet enerzijds leven in mijn christelijke roeping alsof ik wel tachtig jaar oud word. Anderzijds moet ik leven alsof Christus morgen komt. Ik hoorde eens van een kind van God die weieens mocht uitzien naar de komst van Christus. En die er soms om vroeg: "Heere, wanneer komt die dag dat Uw rijk in Zijn volheid verschijnt? " Maar die ook zegt: "Soms denk ik dan aan mijn acht kinderen. En dan zeg ik: Heere, die kinderen moeten nog bekeerd worden". Voel je de spanning?
Hierna sloot ds P. Mulder de avond af met een kort woord naar aanleiding van Lukas 16 : 1 7 - 31. De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus.
Ik heb een keer eerder een conferentie bezocht. Dat was in Haamstede, twee jaar geleden. Toen deze conferentie aangekondigd werd, dacht ik: het is nog zo ver weg, ga ik wel mee? Heb ik wel zin? Maar naarmate de conferentie dichterbij kwam, kreeg ik steeds meer zin. De conferentie heeft een erg appellerende vraag, je wordt gewoon tot nadenken gedwongen. Op de vraag moet een antwoord gegeven worden. De manier waarop de conferentie ingedeeld is met lezingen en gespreksgroepjes, zorgt ervoor dat het een geheel is.
Annette
De dag van Christus komst
De zaterdag begon met een bijbelstudie over Lukas 6 : 20 - 23. De heer J.H, Mauritz deed de plenaire bespreking van de vragen.
Na de koffie hield ds. Driessen een lezing over 'De dag van Christus komst'. Zijn komst is een historisch gebeuren.
Mattheüs 24 tekent ons onvoorstelbare gebeurtenissen. Grote vastigheden in de schepping gaan wankelen als de voetstappen van de Koning der koningen haar aanraken. Elk van de tekenen van de komst van Christus is er op gericht de mens zijn machteloosheid te doen gevoelen. Waar zal de mens blijven als de grond onderzijn voeten begint te trillen? Alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des Mensen. Dan zal het gericht plaatsvinden. Het zal open baar worden hoe we in dit leven tegenover de Christus gestaan hebben. Hebben we Hem door het geloof aange-
nomen, of hebben we Hem verworpen? Nu zijn we nog op reis. Of naar het Koninkrijk van God, of naar de poel die brandt van vuur en sulfer. Zal het goed zijn als Hij jou zal onderzoeken? Zoek het heil! je kunt het zelf niet verdienen. Het wordt uit genade geschonken. Daarom mag je vandaag weer het Evangelie horen. Zalig die in Zijn bloed vergeving vinden van a( hun zonden. Nu verwachten zij naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Straks zullen zij door de poorten ingaan in de stad.
Vragenbespreking
Na de lunch gingen we in groepjes uiteen om de gespreksvragen bij de lezing van ds. Driessen te maken.
In de lezing van gisteren werd gezegd dat de kerk slaapt. Hoe moeten wij ons opwekken, hoe kunnen wij wakker worden?
Hoe moeten wij ons opwekken? Als je vanavond naar bed gaat, dan doe je niet je ogen dicht met de gedachte: hoe moet ik mijzelf morgen opwekken. Maar wel: nodig hebben is een wekker. De wekker van de Heilige Geest. Als wij vandaag iets nodig hebben in de kerk, dan is het wel een krachtige doorwerking van de Heilige Geest. Want Die moet dat doen. We kunnen proberen onszelf leven in te blazen. Maar ik denk dat het blijft bij menselijk proberen. Wij moeten bidden, worstelen, roepen om de levendmakende kracht van de Heilige Geest. Dat hebben we het meeste nodig. Hoe kunnen we wakker worden? Als de Geest gaat blazen! Dan worden we wakker.
Ik heb naar deze conferentie best uitgekeken. Dat was de eerste keer, twee jaar geleden, heel anders. Toen dacht ik: een conferentie, dat moet ik ook eens geprobeerd hebben. Ik heb er geen spijt van gekregen. Om de onderwerpen die behandeld worden kun je niet heen. je moet er over nadenken. Dat wil je ook. In de lezingen die gehouden worden, krijg je echt een boodschap mee. Ik ervaar ze als fijn en goed. Tijdens de bespreking in groepjes merk je dat je met vreemden wat gemakkelijker praat dan met bekenden op de j. V.”
Janneke
Is het genoeg als ik echt berouw heb over mijn zonde?
Waar staat in de Bijbel dat als je echt berouw hebt dat het dan goed is met je? Ik vind dat nergens. Ik denk dat dat nog een stukje is van het verbroken werkverbond dat overgebleven is. Als ik nu maar dit heb, dan heb ik wat om aan de Heere te laten zien. Heere, zie eens hoe diep mijn berouw is. Alsof ik daar dan iets mee zou kunnen verdienen. Alsof de Heere dan wel bewogen zou zijn om naar mij om te zien. Gelukkig niet. Wanneer zou mijn berouw echt zijn? Zelfs mijn berouw is nog met zonde bevlekt, je moet dus niet vragen: is mijn berouw echt, maar: ken ik de vergeving der zonden? Hebben we de enige troost al leren kennen waar de Catechismus van spreekt: dat ik in leven en in sterven het eigendom ben van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus.
ja maar dominee, als iemand oprecht berouw heeft over de zonde, dan wordt dat toch door Cod gewerkt en dan gaat dat toch ook gepaard met de vergeving van de zonde?
Als iemand echt berouw heeft over zijn zonde dan wordt dat door God gewerkt. Dat is zeker waar. Maar wat denk je, zou iemand die honger heeft daarmee in het leven kunnen blijven? Nee toch? Als je geen eten krijgt dan sterf je immers. Ik denk dat heel veel mensen zichzelf in slaap wiegen met de gedachte 'ik heb toch weieens berouw'. Maar ik kan alleen vrede in mijn hart hebben als die zonden waarover ik berouw heb, vergeven zijn. Wat zei David toen Nathan tot hem gekomen was en hem met de vinger aangewezen had en gezegd had 'Gij zijt die man'? Zei hij toen: 'Ik heb echt berouw en dus het zal wel goed zitten met mij'? Nee, hij zei: 'Hoor hoe een boet'ling pleit en reinig mij van al mijn vuile zonden'. Daar gaat het om. Dat ik de vergeving van al mijn vuile zonden leer kennen. Als we ergens behoefte aan hebben dan is het aan ontdekking. Dat de Geest ons laat zien dat we zonde doen en dat we zondaar zijn en dat de Geest in die weg de droefheid over de zonde zal werken en dat we leren hongeren en leren dorsten naar de gerechtigheid van de Heere jezus Christus opdat we die tot bedekking van onze zonde mogen kennen. Een kind van God kan pas rust vinden als hij weten mag, mijn zonde zijn mij vergeven om Christus wil. De Geest leert ons om nergens rust in te vinden dan waar de Heere Zelf in gerust heeft. In het volkomen offer van de Heere Jezus Christus.
W. Boogaard
Bij ons op de j. V. zitten veel jongere leden. Op een conferentie zijn vaak wat meer ouderen. Het is dan fijn om met elkaar na te denken over dit soort onderwerpen. Dit is mijn derde conferentie. Eerder ben ik twee keer in Eist geweest. Ik hoef er niet over na te denken of ik wel of niet zal gaan. Het is gewoon: fijn een winterconferentie, enwegaan. Eris altijd een appellerend thema. Nu ook. Ben jij bereid? jij! je wordt gewoon met je neus op de feiten gedrukt. Bij het maken van de vragen en bij de bijbelstudie zit je in groepjes bij elkaar. De tijd die we daarvoor hebben vind ik wel een beetje kort.”
Arjan
Het gedicht begint zo verrukkelijk zorgeloos. Een vrije middag in de zomer; met de pas geteerde roeiboot de plas op en je dan zomaar heerlijk laten drijven. Lekker lui op de rug liggend, een boek in de hand. Alle indrukken van het licht, van de geluiden en geuren in je opnemen, en denken: dit landschap vind je nergens anders dan hier; dit is Holland op z'n best. Hendrik Marsman, één van de meest vooraanstaande jonge dichters tussen de beide wereldoorlogen, weet zich het moment van puur geluk nog goed voor de geest te halen: als jongen in de roeiboot op de plas, op een middag dat hij als het ware door het zonlicht wordt ondergesneeuwd. De jongen heeft een boek bij zich; misschien een bundel met mythen en sagen uit een vér verleden. Zijn aandacht wordt plotseling getrokken door het verhaal van de Vliegende Hollander. De schipper die tegen het uitdrukkelijk gebod van een christelijke omgeving op Pasen uitvaart. De dag waarop de Heere is opgestaan. De schipper trekt zich.daar niets van aan. Hij geeft bevel de kabels los te gooien en lacht om de dreiging van Gods straf. Die straf kan niet uitbljven: het schip met zijn schipper en bemanning is gedoemd eeuwig te blijven varen. Je kent het verhaal waarschijnlijk wel. Het is één van de bekendste Nederlandse sagen. Toen je het las of hoorde, heb je misschien je schouders opgehaald over deze zonderlinge figuur. Maar de jonge Hendrik Marsman begrijpt heel goed, wat er aan de hand is: hier is een mens in verzet tegen God. Hier gaat een mens bewust tegen God in. Daarin herkent hij zichzelf!
Voor de schipper is er geen weg meer terug. Dat is de genadeloosheid van het oude volksverhaal. Maarzo ligt het bij Marsman ook; als hij zijn leven van jongen tot man overziet, ervaart hij zijn houding tegen God niet alleen als een daad, maar ook als een noodlot. Hij voelt zich als het ware uitgekozen om het kwade te doen. Enerzijds trekt hem dat aan; anderzijds is er de dreiging die van een wrekende God uitgaat, die hem een poos zijn gang laat gaan, maar hem uiteindelijk vellen zal.
Hendrik Marsman heeft een christelijke opvoeding gekend. Iets daarvan klinkt door in zijn tekening van God Die een Wreker is over een halsstarrig mens, koppig dóórgaand op zijn weg van God af. Maar Marsman had méér kunnen horen. Daar lijkt hij zijn oren voor afgesloten te hebben: dat deze hoge, heilige God zonden vergeven wil en een nieuw begin wil maken voor mensen die met hun schuld tot Hem vluchten.
We kunnen niet eerbiedig genoeg over Gods hoge Majesteit nadenken; we kunnen niet anders dan met diep ontzag vervuld zijn als de Heere Zijn recht op ons, nietige en schuldige wezentjes, laat gelden; maar we mogen geen vertekend beeld van God geven. Dat gebeurt in literatuur en poëzie maar al te veel. Marsmans gedicht is er een voorbeeld van. Misschien herken je je in de jonge Marsman. Je gaat bewust in tegen God. En tegelijk besef je: hiermee kom ik om. En je kunt en wilt er niet mee breken. Toch klinkt Gods stem je tegemoet over het water van de plas onder een zonovergoten hemel: Mijn zoon, geef Mij je hart.
C. Bregman
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1996
Daniel | 32 Pagina's