JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vasten en bidden...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vasten en bidden...

Vasten - bij ons veroordeeld - en bidden - veel nagelaten Hoog tijd om er ons op te bezinnen

9 minuten leestijd

Vasten heeft bij ons een wat verdachte klank. Waarschijnlijk hebben we dat overgehouden uit de tijd na de Reformatie, omdat er in de tijd hieraan voorafgaand veel misstanden waren ontstaan met betrekking tot het vasten. Men meende door eigen verdienste God gunstig te stemmen.

Het is helemaal niet zo vreemd, dat men dit dacht. We komen het ook in de Bijbel tegen. Dan denken we aan het gebed van de farizeeër en de tollenaar. De farizeeër voert het vasten aan als iets waarbij hij zich bij God verdienstelijk maakt. Ditzelfde lezen we van de rijke jongeling.

In onze tijd bestempelen we het al vlug als activisme of als sektarisch. Toch zegt de Heere jezus Zelf bij de genezing van de maanzieke knaap: Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten" (Mattheüs 17:21).

Persoonlijk vasten

In het boek Nehemia lezen we van het persoonlijk vasten van Nehemia. De aanleiding daartoe is bij Nehemia het bericht van de ellendige toestand van de joden in Juda en de slechte staat waarin de muur van jeruzalem verkeert. Nehemia is in diepe rouw over de stad Gods. Hij zit wenende neer en vast en bidt voor Gods aangezicht. Hij belijdt de zonden van het volk niet afstandelijk, maar hij zegt 'wij'. Hij sluit zichzelf erbij in. Hij wijst niet met zijn vinger naar de ander en heeft er ook niet de minste behoefte aan.

Ontroerend is het hoe hij pleit op het woord dat de tot Mozes HEERE gesproken had, toen het volk Gods wet niet hield en wanneer het zich tot de bekeerde (Nehemia 1:8-HEERE 9). Hij bidt en pleit op Gods Naam en verbond. Het is zijn verdriet, dat daar niet over gesproken wordt in jeruzalem en dat er ook geen mogelijkheid meer is om die Naam te verheerlijken en de Heere te dienen, als het zo blijft. Nehemia's gebed wordt verhoord en de muur wordt gebouwd.

Eerst het loofhuttenfeest en daarna...

Het volk van de joden dat meegebouwd heeft aan de muur, is in de lange tijd dat men in ballingschap leefde, vervreemd van Gods wet. Ezra, de priester en schriftgeleerde, leest met de anderen in het boek de wet van God en verklaart de zin ervan, zodat het volk het begrijpt. Als het volk het hoort, is het verslagen en weent. De levieten stillen het volk met de woorden: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet" (Nehemia 8:12b). Ze vieren eerst het loofhuttenfeest en men leest op het feest van dag tot dag voor uit het wetboek van God.

Dan houdt het volk een vasten- en boetedag

De geestelijke leiders roepen op tot een vasten-en bededag. Het volk kleedt zich in zak en as. Er zijn geen vreemdelingen bij. Alleen de Israëlieten doen belijdenis van hun zonden. Het gaat hen aan, daar zijn ze van doordrongen: „Wij, wij alleen hebben U op het hoogst misdaan". Ze hebben de volken rondom niet laten zien wat God voor hen betekent. Erger nog, zij hebben met de afgodische volken meegedaan. Ze hebben de verloochend en de HEERE mensen die er niets van wisten ook niets geleerd. Ze hebben niet alleen het kwade gedaan, maar ook nagelaten het goede te doen.

De levieten roepen hen op om God te loven. Wat lijkt dat tegenstrijdig. Matthew Henry zegt er onder andere van, dat God te loven niet ontijdig of ongepast is op een vastendag. In al ons godsdienstig bezig-zijn moet het ons doel en streven zijn God de eer te geven: in eerbiedige aanbidding als de volmaakte, enige, onafhankelijke, eeuwig levende God, Schepper aller dingen, grote

Beschermer van de schepping. Hij is zo waardig om verheerlijkt te worden door alle schepselen in hemel en op aarde. En dan nóg is het duizendste deel niet gezegd van wat van de heerlijkheid Gods gezegd kan worden. Daarom: onze goedheid raakt niet tot God.

Terugzien in verwondering

juist in een tijd van verootmoediging is het zo belangrijk om te overdenken wat de Heere vroeger gedaan heeft. Nehemia beschrijft dat het volk terug gaat naar de roeping van Abraham en de verbondssluiting van

de Heere met Abraham. De uittocht uit Egypte, Gods mededogen met het volk en het antwoord op hun roepen uit de benauwdheid in Egypte wordt overdacht. God toonde boven het volk te staan en zo werd Hij aan de volken bekend: En Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is ten deze dage" (Nehemia 9:10b).

Het volk somt Gods wonderen op en verwondert zich steeds meer over wat God voor dit afkerig volk deed. Tegen de lichtende achtergrond van Gods trouw en Zijn daden, steekt Israëls ongehoorzaamheid des te donkerder af. Ze weigerden te luisteren, hoe de Heere ook vermaande om het 'niet luisteren' op te geven. Ze zetten hun denken op de afgoden rondom. In hun weerzin tegen de dienst van de Heere, dachten ze niet anders dan terug te keren naar hun slavernij. Maar steeds bleek de genade van de Heere groter dan hun zonden. Hij liet hen niet aan hun lot over.

Het volk wordt er als het ware steeds beschaamder van. De Heere heeft hen werkelijk dag aan dag overladen met Zijn gunst, trouw en liefde.

God is getrouw, ondanks hun ontrouw

Ze moeten zich aanklagen vanwege hun ontrouw, hun minachting voor Gods wet. Ze wierpen de wet achter hun rug. Ze deden hun eigen zin. Zo kreeg een goed land slechte inwoners. Zij die in hun eigen land God niet wilden dienen, werden dienstbaar gemaakt aan hun vijanden in een vreemd land. Ze hebben de macht der volken van andere landen aan den lijve ondervonden.

De Heere heeft Israël niet onrechtvaardig behandeld. Israëls verleden spreekt van zonden en ongerechtigheid, waarbij de leiders van het volk zijn voorgegaan; hun zonden zijn des te groter, terwijl de Heere hen zo rijk gezegend en zo vaderlijk vermaand had. Zij hebben niet geluisterd, zich niet bekeerd en de Heere niet gediend.

Gods weg is volmaakt

Het volk keurt Gods weg goed, hoe zwaar dat ook valt. God doet hen geen onrecht. Zo rechtvaardigen ze God en veroordelen ze zichzelf. Hij is rein in Zijn richten.

Maar met dat al, wat is het lijden van het heden vreselijk. Slavernij en armoede is hun deel. Dit is de laatste snik van de bidder: „Alzo zijn wij in grote benauwdheid”.

Het volk verlaat zich volkomen op de Heere en maakt met Hem zónder voorbehoud een verbond tot een eeuwige gedachtenis. De belofte uit jeremia 50 : 5b wordt aan hen vervuld: Zij zullen komen en de Heere toegevoegd worden met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten”.

Kijken in de spiegel

Wanneer we dit alles lezen, zien we er onze tijd in weerspiegelen. Worden wij niet dag aan dag overladen met zegeningen? Niet alleen met tijdelijke, maar nog meer met geestelijke zegeningen. Horen we nog werkelijk wat de Heere ons te zeggen heeft door Zijn Woord, of zijn we als verwende kinderen die niets meerwaarderen en nergens acht op slaan? Verwende kinderen die om en over alles kibbelen, steeds zoeken naar hun eigen gelijk en nooit de minste willen zijn?

Dat is ons beeld. Wat droevig en verdrietig en wat doen we daar de Naam van de Heere een smaadheid mee

aan! Laten we ons voor de Heere verootmoedigen en vragen om de doorwerking van de Heilige Geest en om de uitbreiding van Gods Koninkrijk.

Onze biddagen, zijn ze voor ons ook werkelijk biddag?

We zijn blij met een vrije dag en we moeten dan nog zoveel doen! Een dag om boodschappen te doen, en ook nog even naar de kerk. Zouden die boodschappen niet zijn als de vogels die het zaad van het Evangelie wegpikken? Als iemand ons dan vraagt naar de preek, weten we alleen nog dat we het mooi vonden, verder is alles al vervaagd. Laat staan dat we het dan later nog overdenken. „Behoed uw hart", staat er in Spreuken, „boven alles wat er te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens". Laten we met zulke dagen ons niet allerlei drukte op de hals halen, maar tijd nemen om alles nog eens te overdenken. De tijd is ernstig genoeg en de ontkerstening groot. Is dat niet mede onze schuld? Wat hebben onze landgeno-

ten van ons geleerd? Wij zijn niet beter dan hen, maar we weten wel beter. Wat ligt hier een grote schuld.

Het ie de hoogste tijd, dat we ons door ons voorgeslachtterug laten roepen

Voor het persoonlijk vasten geeft de Bijbel ons duidelijke richtlijnen in Mattheüs 8:16-18. In vers 1 7 lezen we: Maar als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht". En in vers 18: Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van Uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden". Wilhelmus a Brakel zegt in zijn 'Redelijke Godsdienst', dat het zo droevig is dat er zo weinig werk wordt gemaakt van vasten, zowel persoonlijk als publiek. Dat was toen al een teken van groot verval. Vasten is een God zoekende oefening. Het moet niet eigenwillig zijn, maaralleen naar Gods bevel en voorschrift gebeuren. Het is geen stil-zijn, maar een bezigheid; men is de hele dag ingespannen en met God in onderhandeling. Het bestaat in waakzaamheid tegen de zonde, zich verootmoedigen naar ziel en lichaam. Het verootmoedigen bestaat in het belijden van de zonde met smart en schaamte, in het verklaren van strafwaardigheid, en het toestemmen van rechtvaardigheid, als de Heere de verdiende straffen over ons uitstort, in het bidden om genade.

De Heere Jezus wekt ons ook op om te waken en te bidden, om niet in verzoeking te komen. Hij heeft ons Zelf daarin een voorbeeld gegeven in Markus 1:35: En des morgens vroeg, afs het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar’.

Vasten, waken en bidden

We mogen elke dag proberen om op een zelfde tijd bezig te zijn met de dingen van Gods Koninkrijk. Wal merken we dan, dat het persoonlijk gebed en het lezen van de Bijbel 'op vervolg' voor onszelf zo nodig en nuttig is voor ons geestelijk leven. „Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelfde het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen" (johannes 5:39). De satan gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Maar de Leeuw uit juda's stam heeft de satan overwonnen. Laat ons dan onze zonden belijden en onze hoop op God stellen.

Zij sloegen het oog op God; Zij liepen als een stroom Hem aan; Hij liet hen nimmer schaamrood staan, En wendde straks hun lot. Hij, die door smart op smart Gedrukt werd, zond tot God zijn bee; Terstond verdween 't ondraagbaar wee Uit zijn benepen hart.

(Psalm 34 vers 3)

Haren

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

Daniel | 32 Pagina's

Vasten en bidden...

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

Daniel | 32 Pagina's