Een tegel met een donkere vlek...
deel 4
Ze vertellen hoe de sleutelhanger van Gerrit gevonden was, en hoe ze alles te weten gekomen zijn. Van de ruzie, van het paaltje, van het bos. Maar, zeggen de agenten: „Dat moeten Daan en Gerrit zelf maar eens vertellen, 't Is nu de hoogste tijd dat we jullie meenemen of dat jullie achter ons aanrijden om bij Johan in het ziekenhuis te komen.”
ja, daar ligt johan... En moeder zegt: „Die Johan...”
Gelukkig is hij weer bijgekomen. Aan zijn voorhoofd, aan de zijkant heeft hij een diepe snee. Dat zal altijd wel een litteken blijven. En de dokters zeggen: , , 't Had nog erger kunnen aflopen. Nu heeft hij een zware hersenschudding. Maar hij kan weer helemaal beter worden. Hij moet maar rustig aan doen. En hi jmoet nog maar een paar dagen, voor alle zekerheid, hierin 'tziekenhuis blijven." En Daan en Gerrit? Daar heeft de politie nog een appeltje mee te schillen, je kunt wel aan ze merken dat er wat gebeurd is. Dat ze er spijt van hebben. Ze zijn zo stil. Ze zitten zo stil. Voor straf moeten ze gaan vertellen hoe dit kon gebeuren. En eerlijk... en precies zoals het ging. Bij de vader en moeder van Johan moeten ze gaan, bij de koster en zijn vrouw. 'tValt niet mee voor ze, maar het moet.
En op een dag moeten ze mee naar het ziekenhuis. Ze hebben Johan om vergeving moeten, en gelukkig ook willen vragen. Ze hebben het eerlijk met elkaar uit moeten praten. Van bun zakgeld hebben ze ieder iets 'moois' voor'de trein' van Johan moeten kopen. 'Iets'? Hun portemonnee is leeg nu... 't Valt niet mee voor ze, maar 't moet...
Maar wonderlijk, als ze dit alles gedaan hebben, is de boosheid en de valsheid weg uit hun hart. Er is blijdschap en vriendschap voor in de plaats gekomen. Daan en Gerrit hebben elkaar eens aangekeken en zachtjes tegen elkaar gezegd: „Zou dat nu zijn waar de koster het over had: 'Waar liefde woont, gebiedt de Heere Zijn zegen!’...? ”
Na een paar weken zijn er boven op de zolder van Rozenlaan 27 drie jongens met de trein bezig. Ze gaan er valles bij maken, zodat het net is of de trein door de bergen zal rijden. Maar ineens kijkt Daan op z'n nieuwe horloge en zegt: „Ik ga, ik moet mijn krantenwijk gaan doen." En Gerrit zegt: „Dan ga ik ook mee, want ik moet ook mijn kranten gaan bezorgen...”
„Laten we dan morgen maar weer verder gaan", zegt Johan, „want 't is ook tijd voor mijn kranten.”
Zo gaan de drie vrienden de trap af naar beneden. Aan het werk. leder naar hun eigen krantenwijk! Moeder kijkt ze na en denkt: „Wat gelukkig dat er ondanks alle zonde, ellende, oorlog, nog vriendschap kan bestaan. En wat goed dat het tussen deze drie jongens in orde is gekomen.”
Daar gaan ze, de vrienden. Op de fiets. De kranten in de tassen. Daan... Johan... en Gerrit. Ze rijden de straat uit, nog een straat, de dijk op... achter elkaar. Tot ze bij een kruispunt gekomen zijn waar ieder een andere richting uitgaat. Maar voor het zover is, komen ze voorbij de paaltjes... De paaltjes voor de struiken. En elke keer weer moeten ze nog kijken naar die ene tegel voor die paaltjes. Die tegel met die donkere vlek. Die tegel met het bloed van Johans hoofd, wat nu een vlek geworden is.
Een donkere vlek, als een herinnering aan een donker ogenblik in hun leven. Een donkere vlek... altijd weer worden de jongens even stil en zonder woorden weten ze dat ze altijd vrienden zullen blijven.
„ Waar liefde woont, gebiedt de HEER' den Zegen; Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, En 't leven tot in eeuwigheid.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1996
Daniel | 32 Pagina's