Bewaring
Harder dan nodig is, slaat ze het portier dicht. Ze steekt nog even haar hand op ten afscheid. Het is een onverschillig gebaar, dat bijna iets van wegduwen in zich heeft. Met drie stappen is ze bij de voordeur en drukt op de bel. 'Ze is in staat om me na te staren, totdat ik binnen ben', denkt ze.
Het duurt even, voordat er wordt opengedaan. Vanuit het huis hoort ze gepraat en gelach. Achter haar is het regelmatige geluid van de draaiende motor. Een geluid dat in haar beleving aanzwelt tot een allesoverheersend gegons. Ze krijgt de neiging om te gaan gillen: 'Ca weg, ga alstublieft weg. Ik kan er niet meer tegen’.
Met moeite houdt ze zich in. Dan zwaait de deur open. Henriët staat stralend voor haar. 'Ha, Anne! Kom binnen, joh. Ze zijn er allemaal al. 'k Was al bang datje niet zou komen’.
Haar blik wordt getrokken door de langzaam wegrijdende auto. 'O, heeft je moeder je gebracht? 'k Had gedacht dat je wel met de anderen bij jullie uit het dorp mee zou fietsen. Nou ja, leuk dat je er bent in ieder geval’.
Anne reageert nauwelijks op de woordenstroom. Ze feliciteert Henriët van harte met haar verjaardag en wenst haar alle goeds voor het komende jaar. Henriët knikt, ernstiger ineens, 'ja, 't wordt een belangrijk jaar. Eerst het examen en dan op kamers. Maar 'k vind het wel erg leuk dat we samen gaan’.
Er krampt iets om Anne's mond. Tranen branden achter haar oogleden. Vanuit de kamer klinkt opnieuw gelach.
’Je kunt daar je jas nog wel kwijt', wijst Henriët, 'en wil jij me dan zo dadelijk even helpen met de koffie? '. Ze verdwijnt zelf alvast naar de keuken. Anne staat even met haar voorhoofd tegen de koude muur geleund.
’Niet huilen nu, alsjeblieft niet huilen', houdt ze zichzelf voor. Als ze zich weer iets beter voelt, loopt ze naar de keuken. Ze prijst zich gelukkig dat de anders zo fijngevoelige Henriët het nu te druk heeft om goed op haar te letten. Anders zou ze zeker gemerkt hebben dat er iets is.
’Samen op kamers', denkt ze, 'hoe graag zou ik het willen. Samen met Henriët een opleiding tot verpleegkundige volgen’.
Ze zijn aangenomen in dezelfde plaats. Het is te ver om op en neer te reizen, maar ze hebben al gehoord dat het niet zo moeilijk is om een kamer te vinden.
Dat haar moeder nu toch zo'n punt maakt van het op kamers gaan. Vanavond ook weer tijdens het eten. 'Ik zou geen rustig moment meer kennen', zei ze, half huilend.
’Maar u weet toch hoe moeilijk het is om hier in de buurt aangenomen te worden', vroeg Anne vertwijfeld, 'en er zijn er toch veel meer die niet thuis kunnen blijven wonen? We hebben hier in de omgeving nu eenmaal niet zoveel opleidingsmogelijkheden’.
Haar moeder zei niet veel meer, maar keek wel heel verdrietig. Dat was voor Anne nog moeilijker dan een discussie. Als haar moeder zo'n verdrietige indruk maakt, voelt zij zich altijd schuldig en legt ze de oorzaak bij zichzelf.
Het is niet de eerste keer dat ze merkt hoe bezorgd haar moeder is. Overbezorgd vaak. Ze kan het nog wel een beetje begrijpen ook. Ze is het enige kind thuis. Haar broertje is, toen hij zes jaar was, na een ernstige ziekte overleden. Zij was toen vier.
Ze kan zich er weinig of niets van herinneren. Ze weet alleen nog dat ze het vreemd vond dat alle grote mensen huilden. Niet alleen papa en mama, maar ook de opa's en oma's. Zelfs oom Hans, die zo sterk was dat hij haar zomaar boven zijn hoofd kon tillen, had gehuild. En een poosje later was er al weer heel veel ver-
driet geweest, maar oom Hans was er niet meer bij. Hij zou nooit meer komen, had haar moeder gezegd.
Hij was gestorven, nadat hij met zijn auto tegen een boom gereden was. Na die tijd van niet te peilen verdriet is haar moeder nooit meer de oude geworden. De dingen van het dagelijks leven betekenden een zware last voor haar. Soms werd het tè zwaar en in zulke perioden is ze ook een paar keer opgenomen.
Langzamerhand ging het wel wat beter, maar de overbezorgdheid in de omgang met Anne is gebleven. Haar moeder leeft voortdurend met de angst dat haar iets overkomen zal. Duizenden keren is Anne er tegenaan gelopen als kind. Toen andere kinderen van haar leeftijd al zelf naar school fietsten, mocht zij nog niet verder dan hun eigen straat. Als andere kinderen op een mooie lentedag met hun jas open of zelfs zonder jas naar school gingen, moest zij nog een dikke sjaal om. En als ze zelf vond dat ze best weer naar school kon na een griepje, moest ze van haar moeder nog twee dagen thuis blijven om goed uitte zieken.
Nu haar moeder steeds duidelijker merkt dat ze Anne toch een keer los zal moeten laten, lijkt het wel alsof ze haar juist wanhopig probeert vast te houden. Vanavond na de afwas gaf ze plotseling aan dat ze het niet verantwoord vond om op de fiets naar Henriët te gaan.
’Ik breng je', zei ze. Het klonk vastbesloten.
Anne durfde niet teveel tegen te stribbelen. Ze was bang dat haar moeder weer zou gaan huilen.
’Maar de anderen gaan ook op de fiets', protesteerde ze nog. 'En we gaan samen. Om half acht bij de spoorwegovergang hebben we afgesproken. En we rijden ook samen terug’.
Ze zag het al voor zich. In een stevig tempo door het donker, goed ingepakt tegen de kou. Samen met Ellen met haar gezellig gebabbel en jaap met zijn dwaze invallen. Reint en Ineke zouden ook meegaan. Ze had zich er al op verheugd, juist omdat ze zich op zulke momenten zo verbonden voelt met de anderen.
’Dat wordt misschien wel heel laat', reageerde haar moeder. 'En je weet dat ik er niet van houd als je 's avonds zo laat thuiskomt.
Bovendien las ik net in het weerbericht dat er een kleine kans op ijzel is. Nee, ik breng je’.
’Alsof we niet de kans lopen om met de auto van de weg te raken als het glad wordt', dacht Anne kritisch, maar ze zei het niet. 't Was maar goed datze nog tegen Ellen had gezegd dat ze maar niet op haar moesten wachten, als ze er om half acht niet zou zijn. Alsof ze er een voorgevoel van had. 't Was immers al zo vaak anders gelopen dan ze dacht.
In gedachten verzonken schenkt ze koffie in en garneert de appeltaart met slagroom. Eenmaal in de kamer valt alles een beetje van haar af. Het is gezellig en ze heeft met Ineke en Reint en later nog met een paar anderen een leuk gesprek. Om een uur of elf komen Henriëts ouders thuis. Haar vader komt een poosje naast Anne zitten in een rustig hoekje van de kamer. Hij vraagt hoe het gaat met het werk voor school en als vanzelf komen ze ook op de toekomstplannen.
’Fijn dat jullie samen kunnen gaan', zegt hij. Henriët heeft dat eerder op de avond met bijna dezelfde woorden gezegd. Anne voelt even iets van pijn als ze merkt hoe ze hier thuis op één lijn liggen. Dan beseft ze dat ze nog niet gereageerd heeft op de opmerking van Henriëts vader, "k Hoop het, meneer', zegt ze, 'mijn ouders vinden het een hele stap'. Het valt haar op dat ze niet alleen haar moeder noemt. 'Alsof ik haar een beetje in bescherming neem', denkt ze.
Meneer Bergers denkt er het zijne van. Hij is ouderling van de kerkelijke gemeente waartoe ook Anne en haar ouders behoren. Verschillende keren is hij bij Annes moeder op bezoek geweest. Hij kan zich wel ongeveer voorstellen hoe de situatie op dit moment is.
‘’t Is moeilijk om los te laten, zeker als je veel van iemand houdt', zegt hij, 'en 't is moeilijk om te vertrouwen als je zoveel hebt meegemaakt'. Zijn woorden raken iets bij Anne. 'Als je veel van iemand houdt', heeft hij gezegd. Zou moeder echt veel van haar houden? Maar waarom doetze dan zo? Kun je zoveel van iemand houden dat het voor de ander iets verstikkends heeft? Voordat ze het weet, heeft ze die vraag al hardop gesteld. Ze vertelt ook zomaar een aantal dingen waar ze telkens weer tegenaan loopt. Het doet haar goed om eens even haar hart te luchten. Tegenover haar eigen vader kan ze dat ook wel af en toe, maar ze beseft dan heel scherp dat hij als het ware tussen moeder en haar in staat. Hij wil wel graag met haar meeleven, maar wil tegelijkertijd moeder niet afvallen.
Meneer Bergers luistert geduldig. Als ze zwijgt, reageert hij: 'Je moeder heeft dingen meegemaakt die heel moeilijk te verwerken zijn en die ze misschien wel nooit helemaal zal kunnen verwerken’.
Anne herinnert zich dat haar vader ook wel eens zoiets gezegd heeft. Dat er bij haar moeder nog een heleboel onverwerkt verdriet zit en dat ze daarom soms anders reageert dan je zou verwachten en dan je graag zou willen.
’Het is voor jou heel moeilijk en voor je moeder ook', zegt meneer Bergers, 'praat maar veel met haar, ook al is dat niet altijd makkelijk. En bid maar veel voor haar, juist ook als het moeilijk is’.
Anne heeft het gevoel dat van een hele grote puzzel een paar stukjes op hun plaats vallen. Het is verhelderend voor haar om het probleem eens vanuit het gezichtspunt van haar moeder te bekijken. Ze heeft er vaak te weinig bij stilgestaan dat het voor haar moeder minstens zo moeilijk is als voor haarzelf. 'Ik moet meer geduld hebben', denkt ze. Maar als haar moeder om half twaalf voorrijdt, maken de anderen juist aanstalten om hun jas te pakken. En het is bijna nog moeilijker om in de auto te stappen dan aan het begin van de avond.
Het is weken later en Anne heeft het gevoel dat ze er nooit uit zullen komen.
’Het gebeurt niet', zegt haar moeder 's middags, als ze samen een kopje
thee drinken. 'Ik zou het niet kunnen verwerken’.
’En als ik het nou gewoon doe? ', vraagt Anne. Ze hoort zelf hoe brutaal en uitdagend het klinkt. Ze ziet de bezeerde blik van haar moeder. 'Het lijkt wel alsof je erop aanstuurt dat ik weer een poos weg moet', zegt ze.
’Probeert ze me nu onder druk te zetten of meent ze het? ', vraagt Anne zich af. 'Nou ja, ik doe het heus niet buiten u om', zegt ze, 'maar ik vind het wel heel moeilijk. Ik weet niet hoe het allemaal verder moet. U weet dat ik al jaren heb gezegd dat ik dit graag wil. Dan kan ik toch niet zomaar iets anders gaan doen’.
’Maar je bent nog zo jong en dan al in zo'n grote stad. je weet nog niet half wat daar allemaal gebeurt. En dan ook nog eens dat drukke verkeer'. In een flits denkt Anne aan de woorden van meneer Bergers. Veel met haar praten, heeft hij gezegd.
Maar hier valt immers niet tegen te praten. Voor haar bidden, ook als het moeilijk is. Een uitspraak van hem die haar bijgebleven is. Ze doet het iedere dag, maar heel diep in haar hart gelooft ze niet dat er iets zal veranderen in de houding van haar moeder. Ze kan er even niet meer tegen. Zonder nog een woord te 2eggen, gaat ze naar haar kamer.
Die dag wordt er 's avonds aan tafel niet veel gepraat.
’Wil jij de Bijbel pakken? ', vraagt haar vader, als er weer een stilte valt, 'dan gaan we eindigen'. Met zijn vertrouwde, rustige gebaren slaat hij de Bijbel open en legt de bladwijzer ernaast. Dan leest hij, eerbiedig en duidelijk. Psalm 121. Over de hulp en de bewaring van God. 'De Heere zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid’.
Anne hoort het wel, maar het dringt niet echt tot haar door. Ze kijkt naar haar moeder. Ze zit er heel stil bij. 'Alsof ze een masker op heeft', denkt Anne, 'stel je toch voor dat het niet goed gaat en dat ze echt weer opgenomen moet worden’.
Maar het is anders. Haar moeder heeft intens geluisterd naar de bekende woorden. Het was alsof ze ze voor het eerst hoorde. Ze herhaalt de woorden voor zichzelf: 'De Heere zal u bewaren, van nu aan tot in eeuwigheid’.
Ze blijft onbeweeglijk zitten na het dankgebed.
’Ik kan haar niet zelf bewaren', denkt ze, 'maar dat hoeft ook niet'. Dan huilt ze. Tranen van verdriet, maar ook van bevrijding.
’Wat heb ik gedaan', vraagt Anne zich af, 'mag ik het wel doorzetten als het zo ingrijpend is voor haar?
Maar ik kan het toch ook niet zomaar opgeven'. In een opwelling zegt ze:
’Mam, als u het zo erg vindt, zal ik dan eerst een jaartje hier in de buurt iets gaan doen? Ik vind vast wel een baantje. Dan kijken we wel hoe het verder gaat’.
Het snikken wordt nog heviger. Een heleboel opgekropt en onverwerkt verdriet komt naar boven bij haar moeder. Haar zoon en haar broer heeft ze los moeten laten. En nu moet ze Anne ook loslaten, al is het op een andere manier. Ze ziet in dat ze Anne vaak in de weg heeft gestaan door haar houding en dat het zo niet door kan gaan.
Tegelijkertijd is er nog steeds de angst. 'Als ik het nu niet zeg, kan ik het misschien nooit meer zeggen', denkt ze. Dan zegt ze het, bijna fluisterend: 'je moet maar gaan, kind'. Anne en haar vader kunnen het nauwelijks verstaan. Verwonderd staren ze haar aan. Wat bedoelt ze nu precies?
’Kan ze het niet meer aan en wil ze dat ik naar m'n kamer ga? ', denkt Anne. Besluiteloos kijkt ze van haar moeder naar haar vader.
Haar moeder wordt iets rustiger nu het allermoeilijkste gezegd is. 'Die Psalm', zegt ze, 'dat was voor mij. Ik kan je niet vasthouden, maar de Heere zal je bewaren. Ook daarginds’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1996
Daniel | 32 Pagina's