Een tegel met een donkere vlek...
deel 3
„ja”, zegt de man, „laten we dat maar doen. Maar, wat zie ik nou vrouw... daar ligt iemand. Daar bij die paaltjes. Ja maar... nee maar... Hier is wat gebeurd! O, 't is een jongen... zie je dat bloed... Hier moet hulp komen en snel... Wacht, ik ga meteen daar bij dat huis bellen. De ambulance en de politie, die moeten komen. Blijf jij hier wachten.”
Daar gaat de koster, zo snel hij kan. En de kostersvrouw blijft staan... ze kijkt nog een en nog eens naar die jongen. En ineens slaat de schrik haar om 't hart. Die jongen... die kentze... dat is... Johan. Johan van de krant. In de Rozenlaan woont hij, maar...
En dan gaat alles weer heel snel. De politie komt, de ambulance komt... De broeders knielen bij Johan neer... „Zo, die is bewusteloos... maar hij leeft..." Vlug nemen ze hem mee op de brancard. En vertrekken naar het ziekenhuis. De politieagenten komen bij de koster en zijn vrouw staan. Dan moeten die vertellen wat ze gezien hebben. Eén van de politiemannen schrijft alles op in een boekje. En dan zegt de kostersvrouw:
„Maar ik ken die jongen... Het is johan, van de krant. Hij woont op Rozenlaan 27.”
Terwijl de politie-agent schrijft, loopt de koster wat heen en weer. Hij kijkt eens naar de paaltjes, hij kijkt eens naar de plek waar Johan lag... en ineens roept hij: „Hé, daar ligt wat... een sleutelhanger met een huissleutel... Er staan nog iets op ook: Gerrit ... Hm, nee, de achternaam is onleesbaar. Maar de straat... Achterweg... geloof ik. 't Zal toch niet van Smit zijn...? ”
„Meneer", zegt de politie-agent, „geeft u dat ook maar aan mij, als u wilt. Misschien hebben we er nog iets aan. We nemen ook de fiets en de krantentassen mee in het busje. Maar eerst teken ik nog een ptattegrondje van alles...”
En als alles zo gebeurd is, vertrekt de politie en de koster en z'n vrouw gaan naar huis. Diep in gedachten lopen ze... biddend... „Heere, wilt u nog voor die jongen zorgen, wilt U maken dat het nog goed kan komen, dat het nog mee mag vallen.”
Zo is er een gebed in hun hart voor Johan, de jongen van de krant... In het huis met het adres Rozenlaan 27 staat Johans moeder voor het raam. Ze kijkt uit over de weg en zegt tegen vader: „Ik snap er niets van. Hij had toch al lang thuis kunnen zijn. Zo lang duurt het nu toch ook weer niet om die kranten rond te brengen...”
En als Johan er na een half uur nog niet is, zegt moeder: „Ik zal de familie Dekker eens bellen en ook de familie De Wit, eens vragen of hij daar al geweest is...”
„ja, daar is hij geweest met de krant... Nou, laten we maar gaan eten. Je moet nog weg. 't Is kerkeraadsvergadering.”
Onrustig gaat moeder de tafel dekken. Ze denkt helemaal niet na bij wat ze op tafel zet. En dat ze juist zo lekker zouden eten, daar denkt ze helemaal nite meer aan. „Waar zou Johan toch zitten...", dat denkt ze. En als de bel plotseling gaat, schrikt ze erg. En ze schrikt nog meer als ze twee politie-agenten bij de voordeur ziet staan.
„Schrikt u maar niet zo van ons, mevrouw. We hebben wel wat te vertellen, maar u zult merken dat het gelukkig meevalt. Mogen we even binnenkomen? ”
En als ze dan in de kamer op de bank zitten, gaan ze vertellen. Eerst kort over de koster... dan heel lang over Johan... en terwilj de agenten vertellen ziet moeder ineens voor zich, hoe ze jaren geleden, in de kerk, voorde preekstoel, samen met vader Johan ten doop heeft gehouden. En onder het vertellen van de agenten, denkt ze, bidt ze eigenlijk: „Heere, hoe het ook mag zijn met Johan, zoud U er voor willen zorgen door Uw Woord en door Uw Heilige Geest, dat hij, hoe jong hij ook nog is, bij Uw volk mag horen.”
De agenten vertellen maar verder.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1996
Daniel | 32 Pagina's