Dorsten naar de gerechtigheid
De bergrede
In de lofzang van Maria, het Magnificat, zingt Maria over God, Die de hongerigen met goederen heeft vervuld en de rijken ledig heeft weggezonden. Dit algemene principe vinden we in Jezus' zesde zaligspreking terug. Hij zegt daarin: „Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden".
Het gaat in deze zaligspreking van Jezus niet allereerst om gewone honger en dorst, maar om hongeren dorst naar de gerechtigheid. Daarmee wordt niet gezegd, dat de Heere Zich de nood van hen die gebrek lijden niet aantrekt. Integendeel, de Heere toornt tegen hen die de armen, zwakken, vreemdelingen, weduwen en wezen geweld aandoen. Zij moesten mee kunnen eten van de opbrengst van het veld (Exodus 23:11, Leviticus 19:10, 23:22). Men mag zijn hand voor de arme niet gesloten houden (Deuteronomium 15:8, 11). In een land waarin men Gods gebod onderhoudt, zouden er vanwege de zegen die de Heere zou geven geen armen en behoeftigenzijn (Deuteronomium 15:4). God eiste van Israël ook sociale gerechtigheid.
Toch gaat het in deze zaligspreking niet alleen over sociale gerechtigheid. De honger en dorst naar de gerechtigheid is ook hier, evenals in de andere zaligsprekingen specifiek een karaktertrek van de burgers van Gods Koninkrijk. Christenen zijn anders dan de heidenen. Zij zijn niet enkel en alleen verwikkeld in het verkrijgen van materieel bezit, maarzij zetten zich 'om eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid' te zoeken.
De gerechtigheid
Letterlijk betekent gerechtigheid, wat recht is. Het staat tegenover ongerechtigheid, wat niet recht is. Alles wat overeenkomt met Gods heilige Wet en Zijn geopenbaarde wil is gerechtigheid. Het woord gerechtigheid heeft in de Schrift minstens drie betekenissen, namelijk een juridische, morele en sociale betekenis. De meest gebruikte betekenis is de juridische gerechtigheid. Daar ga ik op in.
Het juridische begrip gerechtigheid houdt in, dat recht gedaan wordt. De taak van de rechter in Israël was om rechtte verschaffen. In het algemeen kan men zeggen, dat iemand rechtvaardig behandeld wordt als hij krijgt wat hem toekomt. God doet altijd recht. Hij oefent gerechtigheid als Hij Zijn beloften aan Israël vervult en als Hij Zijn bedreigingen waar maakt. God is rechtvaardig als Hij Zijn volk geeft wat Hij beloofd heeft.
In het Nieuwe Testament ontmoeten wij dezelfde betekenis voor het woord gerechtigheid. Het gaat dan om de openbaring van Gods reddende gerechtigheid in Christus. God vervult aan de zondaar Zijn belofte, dat een iegelijk die in Christus gelooft niet zal verderven, maar het eeuwige leven zal hebben. God verschaft recht aan de doemschuldige zondaar, die tot Christus vlucht. Hij maakt Zijn belofte aan hem waar.
God geeft deze zondaar wat hij op grond van Zijn belofte van Hem verwacht, namelijk de verzoening met God door Jezus Christus. God spreekt hem om Christus' wil vrij van alle zonden. De juridische en wettelijke gerechtigheid ziet dan ook op een rechte en verzoende verhouding van de mens ten opzichte van God. Paulus schrijft in Romeinen 9:30-33 dat de Joden de rechtvaardigheid in de verkeerde weg zochten. Zij zochten de rechtvaardigheid in de werken van de Wet. De heidenen daarentegen zochten de gerechtigheid door het geloof in Christus. Uit de wijze waarop Paulus hier over rechtvaardigheid en gerechtigheid spreekt, blijkt duidelijk, dat hiet hier gaat over de rechte verhouding tot God. De rechtvaardigheid door de werken van de Wet staat in dit thema tegenover de rechtvaardigheid door het geloof. Dit treffen wij steeds aan in de brieven van Paulus.
Wanneer het over de juridische rechtvaardigheid voor God gaat, leert de Schrift in het Oude en Nieuwe Testament dat deze gerechtigheid alleen door het geloof in Christus verkregen wordt. Gerechtigheid ten opzichte van God kan alleen door toerekening worden verkregen. Zo lezen wij in Genesis 15:6 van Abraham: En hij geloofde in de HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid". Het gaat om de vreemde gerechtigheid, namelijk de gerechtigheid van Christus. De mens bezit geen eigen (van hemzelf) gerechtigheid om voor God te verschijnen. Hij is niet in staat om gerechtigheid voor God te verdienen of te bewerken. Hij moet het van een vreemde gerechtigheid hebben. Geen goede werken noch godsdienstige plichten kunnen voor de zonden voldoen. „Al onze gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed" (Jesaja 64:6). Geen menselijke reinigingen kunnen de zonde wegwassen. „Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE" (Jeremia 2:22). Geen offers, hoe groot in aantal ook, zijn in staat om de schuld te verzoenen. „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist" (Psalm 40:7).
Geen mens kan voor een ander mens de zonde verzoenen. „Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen" (Psalm 49:8). De situatie van de gevallen mens is totaal hopeloos. Hij kan op geen enkele wijze weer recht worden met God. Hij zal zijn gerechtigheideIders moeten zoeken en vinden.
in Christus rechtvaardig voor God
Alleen in Christus kan de zondaar rechtvaardig zijn voor God. Hij heeft door Zijn verzoenend lijden en sterven gerechtigheid verworven. Daarom wordt Hij genoemd: De HEERE onze gerechtigheid" (Jeremia 23:7). Indien een zondaar ooit gerechtigheid zal bezitten, moet hij die door het geloof in Christus vinden. Wanneer wij de brief aan de Romeinen en de Galaten lezen, merken wij dat één van de hoofdzaken van de christelijke leer is, dat de mens niet door de werken van de Wet, maar door het geloof in Christus voor God gerechtvaardigd wordt. De gerechtigheid van de mens is gebaseerd op enkel genade en niet op verdienste. „Nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent" (H. Cat. antwoord 60).
Hoe wordt in dit antwoord beklemtoond dat het rechtvaardigen van de zondaar, die in Christus gelooft, loutere genade als oorsprong heeft. Ik vrees dat wij dit nogal eens vergeten. In de rechtvaardiging is naast de gerechtigheid de genade aan het woord.
God oefent in de rechtvaardiging van de zondaar gerechtigheid. Hij verschaft recht aan de zondaar, die als een doemschuldige zijn leven en zaligheid in Christus zoekt. God geeft die zondaar wat hij zoekt, namelijk de verzoening en het eeuwige leven. Het is een rechterlijke daad. God als Rechter spreekt de zondaar om Christus' wil vrij van schuld en straf. In die vrijspraak toont God Zijn reddende gerechtigheid. De zondaar krijgt wat hij in Christus gezocht heeft. God doet hem recht. Hij behandelt hem als een rechtvaardige, die niet langer bij Hem in de schuld staat en laat hem delen in Zijn liefde en gunst. Hij doet dit niet omdat er enige waardigheid in de zondaar is, maar uit louter genade.
Wij hebben het leerstuk van de rechtvaardiging van de zondaar voor God dan ook niet recht begrepen, wanneer wij niet zien dat het genade, louter genade is, om de zondaar zijn zonden niet toe te rekenen, maar hem Christus' gerechtigheid toe te rekenen. Wat is dat een genade, om de doemschuldige zondaar niet te straffen overeenkomstig zijn zonden, maar hem Christus' gehoorzaamheid, gerechtigheid en heiligheid toe te rekenen en hem te behandelen als had hij nooit zonde gekend noch gedaan. De strafwaardige ervaart het dan ook zo en zegt: „Ik heb genade bij God gevonden om het offer door Christus aan het kruis volbracht".
Sterven aan de Wet
Om dit leerstuk te beleven is een sterven aan de Wet der werken onmisbaar. Paulus besteedt niet zonder reden zo veel aandacht aan het sterven aan de Wet der werken. Zolang een mens werkt, kan hij immers niet geloven en wie gelooft heeft opgehouden te werken. Wij moeten gedood worden door en dood worden ten opzichte van de Wet. Deze bijbelse uitdrukkingen betekenen, dat de zondaar niet alleen door de Wet veroordeeld en vervloekt moet worden, maar van de Wet niets meer moet verwachten. Wat een weg voor een mens, die geschapen onder een werkverbond, niets anders weet dan door werken gerechtigheid te verwerven! Het is één van de grote taken die de Heilige Geest Zich gesteld heeft, teneinde Christus in de mens te verheerlijken, om hem te laten sterven en omkomen met alle wettische betrachtingen.
Zo alleen kan Christus voor ons worden: „De HEERE onze gerechtigheid".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1996
Daniel | 32 Pagina's