Een tegel met een donkere vlek... deel 2
deel 2
„Hadden we maar geld", zegt Daan, „dan konden we iets kopen..."
„Hé Daan, wacht, kijk, daar rijdt dat eigenwijze kereltje, je weet wel die van de Rozenlaan! joh, Daan, die moest je toch nog altijd een keer krijgen... want... je weet... toch nog wel van..."
„ja, ga mee", zegt Daan. „Die slaan we in elkaar, zogenaamd. Die opschepper. Met z'n praatjes op school. Met z'n krantjes... Wacht, hier, die nemen we... Laten we achter die struiken gaan zitten. Daar, die, achter die paaltjes. Hier... een stok, die kunnen we misschien nog wel gebruiken... Kom mee, daar gaan we... houd je stil... daar komt hij, als hij heel dicht bij is, komen we tevoorschijn... En dan..."
„Hé krantje, waar ga je met je fiets naar toe? Johannetje... Johannetje, krantje, krantje, moet je weer voor je moedertje op stap... Hé, afstappen jij... Tol betalen! Bij jou is wel wat te halen. Mooie fiets... mooie trein... Hé krantje, heb je ook je mooie portemonneetje bij je... We willen..."
Al roepend en schreeuwend, Daan met de stok in zijn hand, zijn Daan en Gerrit vanachter de struiken gekomen, net op het moment dat johan voorbij zal fietsen.
Ze grijpen hem vast bij z'n fiets. Gerrit houdt met z'n ene hand Johan vast bij z'n arm en Daan houdt de stok voor Johans gezicht. Even weet Johan nietwat hem overkomt, maar dan draait hij zich met een ruk naar de jongens toe en roept: „ Laat je me los! Ik heb met jullie niets te maken. Schiet op, wegwezen, ik zal..."
Maar Daan en Gerrit gaan niet weg. Helemaal niet. Ze krijgen er schik in. Brutaal staan ze te lachen en johan aan te kijken.
„Geld mannetje, wij willen geld van je... Dat zit zeker hier..." En Gerrit pakt Johan bij z'n jas en Daan gaat met z'n hand in Johans broekzak...
Nee, mis, dan zeker in de binnenzak van z'n jas,
„Trek je jas uit, of ik sla", zegt Daan.
„Nee", zegt Johan, „en als je nou niet maakt dat je wegkomt, dan roep ik de politie!"
„Ha, ha, de politie, hij roept de politie..."
En dan gaat alles heel snel, Johan geeft Gerrit een duw, dan komt ook Daan erbij. De een trekt, de ander duwt, de derde schopt en ineens krijgt Johan een geweldige trap tegen zijn achterwiel. Zijn fiets, waar hij nog steeds op zit, schiet naar voren. Hij wankelt, probeert zich nog tegen te houden, valt toch... en komt met z'n voorhoofd tegen één van de paaltjes langs de weg... En dan...
„Daan! Hij blijft liggen... O kijk eens, allemaal bloed... Kijk eens."
„Kom mee, weg met die fietsen, wegwezen, opschieten vlug!" Zo vlug als ze kunnen fietsen Daan en Gerrit weg, de straat uit. Waar zullen ze heengaan?
Ze weten het niet, zonder na te denken fietsen ze het bos is. Fietsen maar... wegwezen van die plaats waar Johan ligt. Maar... ze hebben toch al zo vaak gehoord: „Gij zult niet doodslaan..." en „Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven..." en de geschiedenis uit de Bijbel dan over de barmhartige Samaritaan? " O nee, daar denken ze helemaal niet aan... Ze fietsen maar... en eindelijk stoppen ze, laten hun fietsen vallen en gaan zelf in een kuil zitten. Ze zijn bang. Ze denken aan Johan, ze denken aan het bloed. Ze denken: „Hadden we 't maar niet gedaan, nu..." O, hoe zal het aflopen?
Langs de straat lopen twee mensen. Een man en een vrouw, 't Is de koster van de kerk met zijn vrouw. Ze zijn net uit de bus gestapt. Ze zijn een daagje bij hun getrouwde dochter geweest. En nu lopen ze verder, op huis aan.
„Laten we maar een beetje doorlopen man, dan zijn we op tijd thuis, dan kunnen we eten. Je moet toch weer op tijd in de kerk zijn. Het is toch kerkeraadsvergadering vanavond? "
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1996
Daniel | 32 Pagina's