De Organist
Even een onbestemde stilte; op zijn bank was de oude organist geschoven, klein en vermoeid -er toog een vreemde spanning door de doove verwelkte oogen - en zijn hand raakte behoedzaam aan het oud ivoor; toen, uit een maagre vinger gleed een volle klank die trilde door het schemerige koor - twee smalle handen die zoo weerloos waren wisten opeens ver boven vrees en pijn hetzuivre lied - dat welde uit die donkre mijn van lang verkropt en nooit beschreid verdriet, dat moede hart waar nog een medicijn verborgen lag: alleen een zuiver lied - twee smalle handen wekten het ten leven, glanzende pijpen stonden op een rij te zingen dit deemoedig beven, dat steeg zoo roekeloos en blij ten laatste uit de kooi des harten - een ziel ternauwernood onvlucht, - die vierde feest nu met de cherubijnen dalend en stijgend op de zang der lucht, die lachte en speelde met de serafijnen in dwaas en jong en kinderlijk geruchteen ziel ternauwernood ontvlogen en in het leven al verward: zij lichtte en rees door alle sterrenbogen recht tot Gods Hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1995
Daniel | 32 Pagina's