Het leven en sterven van meneer Kwaad
Het leven en sterven van meneer Kwaad is de titel van een boek wat John Bunyan geschreven heeft, na de uitgave van de Christenreize. Het werd naverteld door M. J. Ruissen.
John Bunyan heeft dit boek geschreven tussen 1678 en 1680. De Christenreize was door talloze mensen gelezen, toch waren er velen die Christen op zijn reis niet gevolgd waren. Het leven en sterven van Meneer Kwaad toont, hoe een mens zonder genade een slaaf is van de zonde. Het boekje laat zien, hoe er een toenemen in het kwaad is, vanaf de kinderjaren. John Bunyan toetst het steeds aan de Bijbel en houdt de lezer als het ware de spiegel voor.
Verschillende zonden geeft John Bunyan weer met een historische gebeurtenis, om het Cod-onterende en de mens verwoestende macht van de zonde te laten zien. Het boek is verschenen in de vorm van een samenspraak tussen Wijsman en Oplettend.
Voorwoord
John Bunyan zegt in zijn voorwoord: „Ik geloof dat ik gerust mag zeggen, dat alle beschreven zaken ook werkelijk zo worden gespeeld op het toneel van de wereld." „Met dit boek", gaat hij verder, „heb ik een boodschap van de Koning te brengen. Ik hoop vooral dat u door het lezen van dit boek een dodelijke wond oploopt. Dat zou het werk zijn van Gods Geest. De zonde maakte scheiding met de Heere. U komt er achter, dat u de Heere mist. O, wat zal uw hart dan uitgaan naar Zijn liefde! U gaat dan - netzoals de pelgrim uit de Christenreize - op reis naarde hemelstad, omdat stad Verderf u niet langer bekoort.”
De vrienden van meneer Kwaad zullen dit boek niet op prijs stellen. Hij stelt hen een ernstige vraag uit Ezechiël 22:14. „Zullen uw handen sterk zijn, in de dagen als Ik met u handelen zal? " En een waarschuwing wordt hen voorgehouden uit Prediker 9:3. „Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe.”
Waarom schreef John Bunyan dit boek?
Bunyan schreef dit boek omdat, zo schrijft hij, de goddeloosheid op het punt staat ons land als een vloed te overstromen en te verdrinken. Bijna alles heeft ze al verzwolgen: onze jeugd, onze mannen van middelbare leeftijd en onze ouden van dagen. O, losbandigheid, wat hebt u al veel verwoest! Met bewogenheid gaat hij verder: „Met Gods hulp zal ik smeken of God deze vloed van ons land wil keren, ledereen is verplicht zijn stem te verheffen tegen deze plaag. De zonde is immers de grote plaag! De satan gaat rond als een briesende leeuw om zielen te verslinden. Zoek toch de Heere, Hij is het enige medicijn tegen de zonde!”
Bunyan spreekt dan nog over opmerkelijke straffen en wijstop het gevaar van een schijnchristen.
Wanneer uw wandel niet overeenkomt met het Evangelie, dan brengt u een oordeel over de godsdienst, een smaad over uw broeders en u geeft uw vijanden oorzaak tot lastering. De Heere Jezus heeft Zelf gezegd: En zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware" (Markus 9:42). Een oprecht christen volhardt in die dingen, die overeenstemmen met Gods Woord en de leer die naar de godzaligheid is. Deze zal met Christus wandelen in witte klederen.
John Bunyan besluit zijn inleiding: „God Almachtig geve Zijn volk genade, zodat ze niet bitter of kwaad tegen de zondaars doen. De Heere beware hen voor verkeerde wegen en schenke dat ze zich vrij maken van hun bloed. Moge het spreken en handelen voortkomen uit de liefde tot Jezus Christus.”
Het verhaal
Dan komt het werkelijke verhaal in vraag en antwoord.
Wijsman vertelt over de jeugd van de jonge Kwaad: hoe hij met een stalen gezicht een leugen kon volhouden, ondanks de goede opvoeding van zijn ouders. Hij wist heel goed dat liegen zonde tegen God was. Hieruit blijkt dat de Heere niet als Koning in zijn hart regeerde, maar de vader der leugenen. Liegen en bedriegen gingen hand in hand. Voor kleine diefstallen schrok Kwaad niet terug en hij eigende zich allerlei dingen toe, die van een andere eigenaar waren. Als hij bestraft werd, was hij onverschillig en brutaal en zo ging het met Kwaad van kwaad tot erger. Hij haatte de zondag en
bracht hem door met zijn vrienden in vermaak en ijdelheid.
Bunyan merkt op: „Wie niet kan opbrengen om één dag per week te heiligen voor de dienst van God, bewijst een onheilige te zijn."
In bijna elke zin die Kwaad sprak, kwam een vloek voor. Ook de dieren moesten het ontgelden, als ze niet precies deden wat hij wilde. Wijsman vertelt over dit vloeken nog meer. Kwaad deed het niet alleen uit boosheid, maar ook uit hoogmoed. Hij dacht dat hij bij zijn vrienden en andere mensen ontzag wekte.
Met twee vreselijke voorbeelden dat een mens niet vrijblijvend zondigt, sluit dit hoofdstuk.
Ondanks dat Kwaad een goede werkgever kreeg, toen zijn vader hem uit het huis plaatste, ging het na verloop van tijd verkeerd. Zijn baas legde hem niets in de weg en zorgde voor goede boeken, goed onderwijs, eerlijke collega's en goede preken. Maar Kwaad had er geen zin in, zodat niets hielp. Zijn voorkeur ging uil naar slechte boeken. Daarmee voedde Kwaad zijn zondige hart. In de kerk gedroeg hij zich óf slaperig óf hij zat met anderen te lachen en te fluisteren, hoe indringend de predikant ook sprak.
Kwaad kreeg ook verkeerde vrienden, die hem naar plaatsen brachten waar hij niet thuis hoorde. Hij kwam in aanraking met drank en werd een dronkaard.
Het hoofdstuk wordt besloten met het volgende verhaal: een edelman zag zijn stalknecht en zei hem het paard te laten drinken. De knecht bracht het paard even later bij de edelman terug, deze keek zijn knecht ernstig aan en zei: „Geef het paard opnieuw water en laat het weer drinken". Het paard had al genoeg gedronken en dronk niet meer. De edelman zei tegen de stalknecht: „Jij dronken zot, bent veel erger dan een paard! Een paard drinkt alleen als het dorst heeft. Daardoor blijft het in leven. Maar jij blijft drinken, ook ais je géén dorst hebt. Daardoor verknoei je jouw lichaam. Het paard drinkt opdat het zijn meester zal dienen, maar jij drinkt totdat je niet meer in staat bent om God en de mensen te dienen. O beest, je bent vele malen erger dan het dier waar je op rijdt!"
Kwaad bestal zijn goede meester. Een van zijn vrienden was een dief, deze leerde hem hoe hij het moest doen.
Later kreeg Kwaad een nieuwe meester, die even slecht was als hijzelf. Ook daar gedroeg hij zich zo slecht, dat hij wel aan zag komen, dat hij weggestuurd zou worden. Daarom liep hij weg.
Kwaad had geleerd om koopman te worden. Hij had daar geld voor nodig en ging naar zijn vader. Hij gedroeg zich vrij redelijk en na verloop van tijd ging zijn vader ertoe overeen groot geldbedrag aan hem te lenen. Zo kon hij een zaak beginnen. Het duurde maar kort, totdat hij failliet ging. Door verkeerde vrienden en ongeremd gedrag, kwam ervan zijn plannen niets terecht.
Nog steeds was hij niet getrouwd en ging naar de slechte vrouwen. Welk meisje was bereid om met hem te trouwen? Rijke meisjes van zijn soort zouden vlug in de gaten hebben, dat Kwaad niet te vertrouwen was. Zijn oog viel op een rijk godvrezend meisje. Zijn vriend raadde hem aan om vroomheid te huichelen. Luister goed naar de gesprekken die het meisje met anderen voert. Draag stemmige kleding en voeg je bij het volk van God. Als je dat een poosje gedaan hebt, zeg je datje diep bedroefd bent over je zonden. „Het doet mij goed wanneer ik jullie zo samen hoor praten over de Heere Jezus. Ik heb de dienst van God liefgekregen." Probeer het eens; je zult zien dat je haar in je net zult vangen.
Het meisje had geen ouders meer en naar de vrienden die haar dit huwelijk afraadden, luisterde zij niet.
Na het huwelijk bleek al gauw dat het Kwaad om haar geld en niet om haarzelf te doen was. Het meisje was met een grote huichelaar getrouwd. Ze had geen leven bij hem, hij verbood haar ook de kerkgang. Er werden zeven kinderen geboren. Kwaad was inmiddels atheïst geworden. Van die kinderen gingen er drie in het spoor van hun vader. Drie anderen waren gematigder; één meisje was steeds aan de voeten van haar moederte vinden. Dat kind kon Kwaad niet uitstaan.
In het zaken-doen was Kwaad een grote bedrieger en op allerlei slinkse manieren kreeg hij geld. Zijn losbandig leven met hoeren en drinkende vrienden verslond geld.
Rechtvaardig handeldrijven
John Bunyan besteedt dan een hoofdstuk aan rechtvaardig handeldrijven. Toen Kwaad een ongeluk kreeg door dronkenschap, leek het daarna, alsof hij zijn slechte leven de rug toekeerde. Dat was echter maar van korte duur, want daarna werd hij nóg goddelozer dan voor die tijd.
Zijn vrouw stierf en ze vermaande hem vanaf haar sterfbed. Nadat zij gestorven was, rouwde Kwaad nauwelijks.
Geruime tijd later trouwde hij met een hoer, die hem de troiiwbelofte in dronkenschap ontfutseld had. Ze leefden zestien jaar al vloekend en tierend als kat en hond samen. Kwaad stierf aan ziektes tengevolge van zijn zondige leven. Hij toonde geen berouw en beleed geen schuld en wilde beslist niet aan zijn zondige leven herinnerd worden. Hij bad God niet om genade en weerde bezoeken van Gods kinderen af. Zijn geweten sprak niet meer, hij was verhard en als het ware dood voor de dood. Deze slechte man verliet dit leven zonder hoop.
Aan het einde van de samenspraak vraagt Oplettend of Wijsman voor hem wil bidden, dat hij genade mag krijgen om niet te leven of te sterven als meneer Kwaad. Wijsman vraagt Oplettend voor hem te bidden, om in Gods kracht tot de zaligheid bewaard te mogen worden.
De laatste regels van het boek zijn deze: Het leven en sterven predikt ons twee wegen naar de eeuwigheid. „Want de bezoldiging der zonde is de dood" (blz. 178) en „maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere" (hfdst. 18). 't Is een ernstig en indringend boek, wat laat zien de slavernij van de zonde. Een mens is daar van zichzelf blind voor. Daarom was God met ons lot bewogen en heeft Hij Zijn Zoon gezonden, omonsvandemachtder zonden te verlossen.
Wat is de verantwoording groot en de uitkomst verbijsterend als we zonder God in de zonde voortleven en zonder God sterven. Nooit meer liefde. Nooit meer genade. Altijd wroeging door eigen schuld. Niet willen luisteren en niet willen gehoorzamen aan Gods beschermende wet voor ons. De Heere roept ons nog toe: Keert weder, gij afkerige kinderen en Ik zal Uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen U, want Gij zijt de HEERE, onze God!" (Jeremia 3:22). Laat ons dan vluchten tot die Heelmeester!
‘Het leven en steiven van meneer Kwaad' is een boek waarbij elk hoofdstuk afgesloten wordt met vragen. Per seizoen zou men op de vereniging er eens enkele hoofdstukken van kunnen behandelen, of men houdt een boekbespreking over het hele boek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 november 1995
Daniel | 32 Pagina's