Mattheüs, de douanier
En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zeide tot hem: Volg Mij'. En hij opstaande, volgde Hem. (Mattheüs 9:9)
Mattheüs, de douanier. Een ogenblik heb ik geaarzeld, of ik hem zo noemen mocht. Immers, douanebeambte is in onze samenelving een gerespekteerd beroep, terwijl het woord tollenaar voor ons een zeer kwalijke klank heeft. Mijn woordenboek vermeldt echter bij het woord douanier: 'tolbeambte bij de grensbewaking'. En dat was Mattheüs precies.
Het is trouwens nog maar de vraag, of het beroep van tollenaar een laakbare bezigheid was. Toen de tollenaars naderden tot Johannes om door hem gedoopt te worden, en vroegen: Meester! Wat zullen wij doen? ", antwoordde hij slechts: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is" (Lukas 3:12, 1 3). Hij vermaande hen niet, hun beroep vaarwel te zeggen. Toch deed Mattheüs dat wél. Maar deze man is dan ook door de Heere op bijzondere wijze tot het ambt geroepen.
Tolhuis
De tekst verplaatst ons in Kapernaüm, een stadje aan de Zee van Galilea. Ergens in dit stadje stond het tolhuis. Nu leidt de weg des Heeren juist langs dit tolhuis. Dat is geen toeval. Gods eeuwige raad heeft ook dit gebeuren bepaald. De Vader heeft werk voor Christus. Ook van wat Hij hier gaat doen, geldt wat Hij straks zal zeggen in Zijn hogepriesterlijk gebed: Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen" (johannes 1 7:4). Niet voor niets wordt van deze Levi gezegd, dat hij ook Mattheüs heette; die naam betekent 'geschenk van de Heere'. Deze tollenaar was voor Christus een waar en kostbaar geschenk van Zijn Vader.
Een mens
Er zal wel geen tekst in Gods Woord staan, waarin de drie stukken waarvan onze Catechismus spreekt (ellende, verlossing en dankbaarheid) zo kort en bondig voorkomen als deze tekst. Levi's ellende wordt getekend met deze enkele woorden, dat hij een mens was, die zat in het tolhuis. Het staat er ook met nadruk: jezus zag een méns. Het is niet bekend, hoe men in Kapernaüm Levi zag; sommigen zullen in hem een landverrader, anderen een dief hebben gezien. Maar Christus zag een mens. Wat wil dat zeggen? Eens drager van Gods beeld, nu dragend het merkteken der zonde.
Verder lezen wij van hem alleen, dat hij in het tolhuis zat. Voor ons moge dat misschien de bijklank hebben gekregen van een poel van verderf, maar het betekent alleen, dat hij zijn dagelijks beroep aan het doen was. Niet meer, niet minder. Wij lezen niet, dat deze mens een vloeker, spotter, hoereerder of dronkaard was. Hij zat alleen maar in het tolhuis. Maar meer ook niet! Zijn werk was zijn leven. Hij ging er geheel in op. Van hoevelen onder ons zou dat ook gezegd kunnen worden? Zij leven niet in uitbrekende zonden; gaan misschien netjes naar de kerk en leven verder onberispelijk. Maar
God en Zijn dienst hebben verder geen enkele wezenlijke betekenis voor hen. Het zou in wezen net zo goed zonder kunnen. Zo leven talloos velen. Het werk vraagt alle aandacht; verder is er nog het gezin, de studie, de vrije tijd... en de kerk, zeker, op zondag. Maar de ontzaglijke eeuwigheid verschrikt niet, de schuld drukt niet, de dienst des Heeren trekt niet, de noodzaak der wedergeboorte weegt niet.
Volg Mij
Toen kwam de Heere voorbij. Daar heb je het stuk der verlossing. Hij zeide tot hem, zo lezen wij: „Volg Mij!". De Heere bekeert een mensenkind doorgaans door Zijn Woord. Hij spreekt als Machthebbende. Doden zullen horen de stem van de Zoon Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven! Kennen wij dat spreken met majesteit van het Woord Gods, toegepast door die Geest, Die Heere is en levend maakt? Zulk een kracht heeft dat spreken van Christus, dat Mattheüs onmiddellijk opstaat en het tolhuis verlaat. Daar ligt het geld nu. Wat een offer! Lukas schrijft er met nadruk bij, dat hij alles verlaten heeft; de bescheiden Mattheüs vermeldt dat zelf niet. Het zal hem veel gekost hebben. Maar hij had het er graag voor over. Het heeft hem ook nooit berouwd, de keus van 't smalle pad. Hij volgde Hem, staat er tenslotte.
Daar heb je de dankbaarheid. Denk er niet gering over, wat het zeggen wil, de Heere te volgen. Het gaat dwars tegen de wil van ons vlees in. Het vraagt een achter Hem komen, een opnemen van het kruis en een verloochenen van zichzelf. De weg die Christus ging, was een weg waarin Hij Zelf steeds meer plaats ging maken voor Zijn bloedige offerande. Mattheüs heeft ongetwijfeld veel gerekend in zijn beroep. Maar nu moest hij gaan leren op nul uitte komen en alleen schuld over te houden. Dacht hij aanvankelijk mét Christus zalig te kunnen worden, hij moet gaan leren alleen dóór Hem zalig te worden. En dat is een groot verschil. Heb je dat ook al geleerd?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1995
Daniel | 32 Pagina's