De krantenbezorger
deel 1
„Hallo meneertje", roept Marloes. Ze zwaait de boodschappentas in haar hand rond.
„Stil joh, sufferd, dat is de krantenbezorger", moppert haar broer. „Nou ja, ik zeg alleen maar hallo!" „Kom mee." Niels trekt aan haar arm. „Waarom trek je zo? " Marloes wordt nu een beetje kwaad. Die verdelende broer van haar ook. Hij bemoeit zich er nu ook al mee, als ze gewoon iemand gedag zegt. En deze meneer is juist heel aardig, dat ziet ze zo. Hij ziet er heel gewoon uit. Hij heeft een blauwe broek en een jas met groen en rood. Hij heeft onder zijn arm een dik pak kranten, dubbelgevouwen. Daar mag je toch zeker wel hallo tegen zeggen?
„Vervelend joch. je denkt zeker dat je m'n vader bent.”
„Kom mee." Niels trekt aan de arm van Marloes, maar Marloes geeft niet mee. Ze is best wel sterk. En ze schopt nog ruzie op straat ook. Niels schaamt zich een beetje. Waarom moet hij ook zijn kleine zusje meenemen met boodschappen doen? Kijk, daar heb je het al. Aan de overkant van de straat staat een oude vrouw stil. Ze kijkt boos naar dat geruzie. De krantenbezorger is gelukkig weg, de bocht om. Die ziet het niet.
„Marloes, Marloes, als je nu stil bent, zal ik je een geheim vertellen." „Zeker dat joost een broertje of zusje krijgt. Weet ik lekker al", snauwt Marloes. Het ziet er niet naar uit, dat Marloes nog verder gaat lopen. Ze blijft stilstaan en ze kijkt erg beledigd. De oude vrouw aan de overkant van de weg wil al naar hen toekomen. „Marloes, niemand weet het. Ik heb het van Joost.”
Opeens is Marloes één en al aandacht. Joost is haar vriend. Joost weet heel veel.
„Vertel”, eist Marloes, die recht voor Niels neus gaat staan
„Even wachten. Het gaat over die krantenbezorger."
Marloes loopt opeens mee. Dat moet ze weten. De oude vrouw aan de overkant bedenkt zich. Ze steekt toch maar niet over. Niels en Marloes lopen verder. Niet te dicht naast elkaar. Stel je voor. Straks denkt iemand nog, dat Marloes Niels vriendinnetje is. Pas zei de kaasboer het nog. „Wil je vriendinnetje ook een plakje kaas? ”
Verontwaardigd had Niels verteld dat Marloes zijn vriendinnetje helemaal niet is. Alle grote mensen in de winkel hadden erg gelachen. Niels probeert breed te lopen. Dan lijkt hij wat groter. Hij voelt zich stoer, want hij weet iets, dat Marloes niet weet. Ze is ook nog maar acht. Hij is al elf tenslotte, dan weet je gewoon véél meer. „Vertel het nou", zegt Marloes. Ze zijn bijna bij de winkel.
„Oké”, zegt Niels. Eigenlijk wil hij het nog een beetje spannender maken. Marloes is zo lekker nieuwsgierig. „We gaan even in een portiek staan, dan zal ik het zeggen. Niemand mag het weten zie je.”
Dat ziet Marloes niet zo, maar ze houdt haar mond stijf dicht. Anders vertelt Niels het straks niet meer. Aan de overkant van de straat is een flat. Niels steekt over en Marloes moet een beetje huppelen. Ze houdt Niels haast niet bij. Niels doet de deur van het eerste portiek open. Ze kijken samen naar binnen. Er spelen een paar kinderen.
„Zullen we...? ", vraagt Marloes.
„Nee, deze maar niet", zegt Niels.
„Hier spelen teveel andere kinderen.”
Ze gaan naar de volgende deur. Voorzichtig doet Niels hem open. Het is in deze portiek een beetje donker. In de verte klinkt het lawaai van een dichtslaande deur. Er gaan voetstappen over de galerij. Even houdt hij z'n adem in. Komt daar iemand aan? Nee, de voetstappen worden steeds zachter, de andere kant op. Het wordt weer stil. Ze stappen naar binnen.
„Even kijken of echt niemand ons afluistert", mompelt Niels. Hij steekt heel interessant zijn hoofd om de deur en kijkt rond voor de flat. „Hi, hi, die Marloes. Wat is ze nieuwsgierig." Langzaam loopt hij terug naar binnen.
„Niemand”, zegt hij. Zijn stem klinkt een beetje plechtig.
„Kom hier staan.”
Voor het eerst in haar leven luistert Marloes direkt naar Niels. Dit moet ze weten!
„Weet je”, fluistert Niels. Dan vertelt hij het. (oost zijn moeder had het gehoord van de buurvrouw waar ze elke ochtend koffie gaat drinken. De buurvrouw had een zus en die woonde naast de krantenbezorger. Die zus had vertelt dat hij...
Plotseling luister Marloes met gespitste oren. Dat had ze nooit gedacht. Heeft hij in de gevangenis gezeten? „Ja, hij heeft in de gevangenis gezeten. Nu woont hij in een soort huis waar ze mensen uit de gevangenis opvangen, omdat ze nog geen huis en nog geen werk hebben.”
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1995
Daniel | 32 Pagina's