Een leven lang tegen de stroom oproeien
Over Groen van Prinsterer
"In ons isolement ligt onze kracht". Dit is een bekende uitdrukking van Groen van Prinsterer. Als je iets over zijn leven leest, kun je zien hoe hij dat in zijn tijd in praktijk heeft gebracht. Hij bedoelde met het isolement het zuiver bewaren en uitdragen van het beginsel. En zijn beginsel heeft hij persoonlijk ook zuiver bewaard en uitgedragen. Bewaard voor vermenging met van de Schrift afwijkende opvattingen. Uitgedragen op alle terreinen van kerk en staat. Zo lag zijn kracht in zijn beginsel, in zijn belijdenis.
Groen van Prinsterer, geboren in 1801 in Voorburg, stamde uit een aristocratisch geslacht. Zijn vader was een bekend Haags medicus, zijn moeder behoorde tot een zeer welgestelde koopmansfamilie. Hij werd gedoopt in de Franse kerk te Voorburg, waarbij hij de Franse naam Guillaume (Willem) ontving. In die tijd was Frans de omgangstaal van de hogere standen in geheel Europa.
Groen heeft altijd met grote dankbaarheid aan zijn beide ouders teruggedacht. Zij hebben hem een liefdevolle en zorgvuldige opvoeding gegeven. Op zestienjarige leeftijd begon hij zijn studie in de rechten én in de letteren aan de Leidse universiteit, waar al spoedig zijn bijzondere begaafdheid de aandacht trok. Door zijn innemendheid en fijne beschaving won hij er zowel de harten van professoren als van studenten.
Geestelijke omkeer
In 1821, kwam hij onder invloed van de begaafde Bilderdijk. Een jaar later was hij getuige van de doop van twee Joodse leerlingen van Bilderdijk die tot het christendom waren overgegaan, namelijk Da Costa en Capadose. Het zaad, dat in deze tijd is gestrooid in het hart van Groen, is later tot wasdom gekomen. In een geleidelijk werkend proces is hij, vooral in de jaren 1831 tot 1833, tot volle zekerheid van het geloof gekomen. Verschillende omstandigheden hebben Groen tot diepere geloofsovertuiging geleid zoals het sterven van zijn moeder. Dat was "een hartverscheurend verlies" voor de gevoelige Groen met zijn sterke moederbinding. Verder was van invloed de omgang met de Zwitserse predikant Merle d' Aubigné, Da Costa, Willem de Clerq en andere mannen van het Reveil.
Ernstig ziek
In januari 1833, een maand na de dood van zijn moeder, werd Groen getroffen door een ernstige ziekte, die hem aan de poorten van de dood bracht. Zijn vrouw, die er in haar brieven getuigenis van afgelegd heeft dat ze het bekeringsproces van Groen met belangstelling volgde, heeft in sterke vrees geleefd dat ze haar geliefde man zou verliezen. Zij heeft echter in die tijd geleerd te berusten in de wil des Heeren.
De ziekte heeft voor het geestelijk leven van Groen heilzaam gewerkt. Zijn vrouw schreef hierover: "In gezonde dagen vreesde hij altijd zo, dat zijn overtuiging niet vast, zijn geloof niet levendig genoeg was, om hem in nabijheid van de dood rust te geven, maar Christus geeft nu overvloedige vertroosting: hij schijnt geen vrees te hebben..."
Al bleef Groen klagen over te weinig blijmoedigheid van zijn geloof, toch is hij tijdens zijn ziekte tot meer ruimte gekomen.
Zijn levensstijl
Het werk van Gods Geest in de harten van Groen en zijn vrouw zette een stempel op hun beider leven en straalde ook naar buiten uit. Het was merkbaar aan de levensstijl, die een diepgaande verandering onderging. Het echtpaar trok zich steeds meer terug uit de aristocratische kringen, waarin de wereldgezindheid zo'n grote plaats innam.
Dit was in verband met de belangrijke funkties die Groen bekleedde niet altijd even gemakkelijk. Zo konden ze aan de ontvangsten van aanzienlijke gasten aan het hof niet ontkomen, hoezeer ze er vaak ook tegenop zagen. Aan toneeluitvoeringen, partijen en banketten, die hiermee gepaard gingen, namen ze echter geen deel.
Geen ministerspost
We kunnen respekt hebben voor het feit dat Groen en zijn vrouw een
Enige tijd geleden verzocht de redaktie aan de heer B. Stolk een artikel te schrijven over het leven van Groen van Prinstereren de wijze waarop hij het "In ons isolement ligt onze kracht" in de praktijk bracht. Daarna is de heer Stolk helaas ziek geworden en overleden. Hij wilde het artikel schrijven aan de hand van eerder verschenen bijdragen in de
"Saambinders" uit 1976. Met toestemming van mevrouw Stolk heeft ons redaktielid B.S. van Groningen een samenvatting van de artikelen voor Daniël gemaakt.
betrekkelijk sober leven leidden, daar zij het beiden van huis uit zo anders gewend waren. Om deze principiële houding is Groen waarschijnlijk gepasseerd vooreen ministerspost, waarvoor hij zeer zeker geschikt was. In 1856 was er namelijk sprake van dat hij benoemd zou worden tot minister van buitenlandse zaken; hij stond in ons land immers algemeen bekend als één der beste kenners van de internationale verhoudingen. De benoeming ging echter niet door. Als één der redenen tegen hem werd aangevoerd dat hij en zijn vrouw niet bereid waren de gebruikelijke diplomatieke diners te geven. De bezwaren van Groen en zijn echtgenote hiertegen zullen niet van financiële aard geweest zijn, maar de sfeer rondom deze festiviteiten strookte niet met hun geestelijke inslag. Hun belangstelling ging uit naar andere dingen zoals het verlenen van hulp, waar dit nodig was (inrichtingen van ds. Heldring in Zetten en Hoenderloo en zendingsgenootschappen van de mannen van het Reveil).
Groen en de Afgescheidenen
In de tijd van koning Willem I is een felle strijd gevoerd op het terrein van de Kerk, en ook daarin heeft Groen zich niet onbetuigd gelaten. In 1816 had de koning de Nederlands Hervormde Kerk omgezet in een "Genootschap" en deze onderworpen aan een door hem benoemd synodaal bestuur. Dit verwekte bij veel orthodoxen grote ergernis. Bovendien waren de predikanten niet langer gebonden aan de belijdenisgeschriften, waardoor ze ongestraft de grofste dwalingen mochten verkondigen. Deze politiek van de regering leidde tot de Afscheiding van 1 834, waarbij velen zich onder leiding van ds. De Cock en enkele andere predikanten onttrokken aan het gezag van de synode. De overheid besloot krachtig in te grijpen; een artikel uit het Strafwetboek van Napoleon, dat elke bijeenkomst zonder vergunning van meer dan twintig personen verbood, werd toegepast op de godsdienstoefeningen van de Afgescheidenen. De ene boete volgde op de andere. Wie niet betalen kon of wilde, ging de gevangenis in of kreeg inkwartiering van beroepssoldaten.
Grens visie en pleidooi
Groen heeft de Afscheiding niet goedgekeurd. Hoewel hij ze gewettigd achtte, vond hij de daad zelf ontijdig en voorbarig. Zelf zou hij blijven strijden voor reformatie binnen de Hervormde Kerk. Het grievend onrecht evenwel, dat de Afgescheidenen door de regering werd aangedaan, kwetste Groens rechtsgevoel zo diep, dat hij het na drie jaar openlijk in een fel protest voor hen heeft opgenomen. In 1837 verscheen van zijn hand een geschrift, dat om zijn durf en krachtige taal nog altijd onze bewondering verdient: "De Maatregelen tegen de Afgescheidenen, aan het staatsrecht getoetst." Het is een vurig pleidooi voor de Afgescheidenen, waarin hij het ongrondwettige en onrechtmatige van de vervolgingen uiteenzet. Klemmend is ook het slot van het betoog, waarin hij aantoont dat de Afgescheidenen zich wel hebben onttrokken aan het bestuur van het genootschap, maar niet aan de Kerk: "Zij hebben zich buiten het Genootschap begeven om te kunnen blijven in de Kerk."
Groen en de koning
Door deze respektabele daad kwam er een koele verstandhouding tussen Groen en de koning, die ontstemd was over dit moedig betoog. Ook kwam er een keerpunt in de verhouding tot zijn vriend en voormalig studiegenoot Thorbecke, die openlijk de regeringsmaatregelen tegen de Afgescheidenen verdedigde. Hooghartig schamperde hij: "Groen behoort tot een partij die het leven zoekt bij de doden." Later zou Groen nog vele jaren in de Tweede Kamer de degens kruisen met deze grote liberale staatsman. Nog jaren daarna bleef Groen, ook in het parlement, protest aantekenen tegen het onrecht dat de Afgescheidenen moesten ondergaan. Het was van hem een daad van zedelijke moed, telkens voor de veelszins verachte "doperse dwepers", die niet met de verlichte tijd meegingen, in de bres te springen.
Groen en de Nederlands Hervormde Kerk
Al heeft Groen zich nooit bij de Afgescheidenen willen aansluiten, toch voelde hij zich geestelijk nauw met hen verwant. Ook hij had ernstige bezwaren tegen de leervrijheid, de kerkelijke organisatie en vele andere zaken in de Nederlands Hervormde Kerk. In 1842 stelde hij daarom een bezwaarschrift op en diende dit met nog zes anderen bij de synode in: het adres (verzoekschrift) van de "zeven Haagse Heren". De Synode maakte zich echter met een nietszeggende verklaring van dit indrukwekkende adres af. Daarop richtten dezelfde zeven ondertekenaars zich in een uitvoerig geschrift tot "de leden der gemeente", waarin de stellingen van het adres werden uiteengezet.
Groen na 1848 als politicus
Het zijn vooral de jaren na 1848 geweest, die Groen een grote nationale bekendheid hebben gegeven. In dit jaar gaf koning Willem II, beducht voor de revolutie die als een vroege voorjaarsstorm over West-Europa joeg, Thorbecke de opdracht de grondwet te herzien in liberale geest. Door deze herziening werd het kiesstelsel veranderd, waardoor voor Groen de mogelijkheid werd geopend voor een parlementaire loopbaan. Als volksvertenwoordiger
is Groen van Prinsterer een man van grote betekenis geweest, ondanks het feit dat hij als een "veldheer zonder leger" vrijwel alleen stond. Weliswaar sympathiseerden velen in ons land met de beginselen, die de leider van de anti-revolutionaire groep vertolkte, maar daar zij meestal behoorden tot de mindervermogenden, tot de "de kleine luyden", die nog uitgesloten waren van het stemrecht, was het aantal geestverwanten van Groen in de Kamer slechts gering.
In het Evangelie ligt mijn kracht
Als volksvertegenwoordiger groeide Groen in de Tweede Kamer uit tot een strijdbaar politicus, die volgens Thorbecke altijd buiten de orde was, zodra hij de Bijbel in de Kamer hanteerde.
Overeenkomstig zijn bekende leus: "Een staatsman niet! een
Evangeliebelijder", bleef hij echter getuigen uit Gods Woord, het plechtanker der natie. Doorzijn kunde en scherpzinnigheid dwong hij gehoor af.
"In geen staatsregtelijke theorieën, maar in de belijdenis van het Evangelie ligt mijne kracht", zo motiveerde hij zijn optreden.
In de steek gelaten
Veel vrienden lieten hem op beslissende momenten in de steek. Ze vonden hem te fel, te dogmatisch; te kerkelijk in zijn optreden, zodat Groen tenslotte verzuchten moest: "Mijn vrienden hebben mij ten langen leste uit het veld geslagen. Een richting, die haar leider verloochent, verliest veel van haar kracht". Groen ging zich daarom steeds meer richten tot het volk "achter de kiezers", dat hij trachtte te mobiliseren. Om hun invloed te vergroten, verklaarde hij zich voor uitbreiding van kiesrecht. Dit leidde tot een radikale breuk met de vrienden. Van zijn kant brak hij in 1871 resoluut met alle halfslachtige vrienden, door bij de verkiezingen in dat jaar te adviseren alleen te stemmen op de drie door hem gesteunde kandidaten: Keuchenius, Kuyper en Van Otterloo.
Strijder tegen ongeloof en revolutie
Groen leeft in de geschiedenis voort als de grote strijder tegen de geest van ongeloof en revolutie. Hij was een man van beginselen, die terwille van zijn overtuiging, tot eer van God, zijn leven lang tegen de stroom opgeroeid heeft. Hij heeft het ingeleefd dat er slechts twee levensbeginsels zijn, die het leven van de mens beheersen. Het ene uitgangspunt is de onderwerping aan Gods Woord op alle terreinen van het leven, de erkenning van de zondeval van de mens en de verlossing door Christus als de enige weg tot behoud. Het andere beginsel is dat van het ongeloof, van de verwerping van het Woord van God. Die verwerping leidt altijd tot revolutie, waaronder Groen verstond het omkeren van de begrippen. In plaats van de soevereiniteit Gods staat de soevereiniteit van de mens in het middelpunt. De mens bepaalt wat goed en kwaad is; de oorsprong van het kwaad ligt niet in de mens, maar in de omstandigheden, in de strukturen, zoals men vandaag ook zegt.
Standvastig
In de strijd voor het beginsel van de onvoorwaardelijke onderworpenheid aan de God der Schriften wist Groen van geen wijken. Al was miskenning, spot en verguizing zijn deel, al zijn vele mannen van aanzien van hem vervreemd geraakt en ai vond hij zijn volgelingen bijna uitsluitend onder het volksdeel dat nauwelijks in tel was, toch bleef Groen trouw aan zijn beginsel. De kracht om standvastig te blijven putte hij altijd weer uit wat hij nog enkele dagen vóór zijn dood genoemd heeft: "De enige genoegzame troost in leven en sterven, die alleen tegen elke vuurproef voor dagloner en wijsgeer bestand is".
Ter navolging
Veelbetekenend voor ons is de naam van de begraafplaats waar Groen te ruste werd gelegd: "Ter Navolging". In onze tijd doemen de gevaren, waartegen Groen zijn leven lang gestreden heeft, in ongekende kracht op. Gods Woord wordt veracht en allerlei anti-christelijke ideologieën breiden hun invloed uit. Wij leven in een benauwde tijd, waarin de mens der zonde zich steeds sterker openbaart en het beslag van Gods Woord op het geweten en de werking van Zijn Geest zienderogen afnemen.
Wij kunnen als geestelijke nazaten van Groen zijn nagedachtenis niet beter eren, dan door zijn worsteling voort te zetten met de wapens, die Groen ons heeft aangewezen. Tegen de revolutiegedachte plaatste hij het Evangelie als de enig werkzame barrière tegen de verwoestende kracht van het ongeloof, als het enige ware geneesmiddel tegen de kwalen en ziekten van alle tijden. "Het Evangelie! Er is geschreven! Ziedaar de bijl die elke wortel van revolutionair misgewas afsnijdt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1995
Daniel | 32 Pagina's