Droefheid als merkteken
De Bergrede
„Zalig zijn die treuren". We merken, dat volgens jezus' woorden het leven van een christen niet louter uit juichen en loven bestaat. Sommigen zijn die gedachte wel toegedaan. Zij menen dat een christen altijd vrolijk is. Wanneer we vervuld zijn met de Heilige Geest, zo leren zij, hebben we altijd een lach op ons gelaat en zijn we voortdurend blij en vrolijk. Er bestaat volgens deze mensen alleen christelijke vreugde. Van christelijk verdriet hebben zij nog nooit gehoord. Maar de Schrift laat ons zien, dat niet alleen de Meester, maar ook de discipelen aan droefheid onderworpen zijn. Alhoewel jezus met Zijn droefheid apart staat, is er toch verband tussen Zijn smart en de droefheid van Zijn volgelingen. Een dienstknecht is ook hierin niet meerder dan zijn heer.
Droefheid over de zonde
jezus weende over de zonden van anderen. Hij weende over Jeruzalems ongeloof en hardheid van hart. Hij was een Man van smarten en verzocht in krankheden. Hoe leed Hij onder de zonde en de gevolgen van de zonde, die Hij rondom Zich zag. Paulus had een voortdurende droefheid in zijn hart vanwege de onbekeerlijkheid en het ongeloof van zijn broeders naar het vlees, de Joden. David zegt: Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uwe wet niet onderhouden" (Psalm 119:136). Ezechiël beschrijft de vromen van zijn dagen als 'de lieden, die zuchten en uitroepen over al de gruwelen, die in Jeruzalem gedaan worden' (Ezechiël 9:4).
Maar het is niet alleen vanwege de zonden van anderen, dat de vromen treuren. De ware vrome heeft niet alleen ogen, die rondom hem zien, maar ogen die naar binnen zien. Zij wenen over de zonde binnen in hen.
Kenmerk van genade?
Velen vinden, dat dit geen specifiek kenmerk is van Gods genade. De vreugde en de opgetogenheid is bij hen het doorslaggevende kenmerk. Wie in extase zijn handen ten hemel heft om God te loven, is de ware christen en is gedoopt met de Heilige Geest.
Was Ezra dan toch fout bezig toen hij bad en belijdenis deed van de ongerechtigheid 'wenende en zich voor Gods huis nederwerpende' (Ezra 10:1)? Was Paulus verkeerd toen hij schreef: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods" (Romeinen 7:24)? Was het totaal verkeerd om aan de christenen te Korinthe te schrijven dat er bij hen een gebrek aan droefheid was en hen te beschuldigen: en hebt niet veel meer leed gedragen"? Ik denk het niet.
Zelfmishagen is nodig
Het is veeleer te vrezen, dat velen wel hoog opgeven over de grootheid van Gods genade in Christus, maar tegelijk verachtelijk spreken van de droefheid over de zonde. Hun godsdienst bestaat alleen uit blijdschap. Voor droefheid is in hun godsdienst geen plaats.
Ook onder de waar gelovigen is dikwijls een tekort aan deze droefheid. Er is niet genoeg smart over de zonde, niet genoeg droefheid over de onvolkomenheid van ons geloof en te weinig leed over onze gebrekkige heiligmaking. Wij moesten meer bezitten van de droefheid van de christelijke boetvaardigheid. Volgens Calvijn is die christen het meest gevorderd, die zich het meest mishaagt. Ambrosius zei voor niets anders geboren te zijn dan voor boetvaardigheid. David Brainerd schreef op 18 oktober 1740 in zijn dagboek: „In mijn opstaan deze morgen werd mijn ziel bijzonder aangedaan en bewogen met een bittere droefheid over mijn uitzonderlijke zondigheid en onreinheid". En de man, die men de heilige John Bradford noemde, ondertekende zijn brieven uitzijn gevangenis meestal met: „De onwaardige, zondige en onreine John Bradford". Gods kinderen blijven treuren over zichzelf.
De vertroostingen Gods
Jezus noemt de treurigen 'zalig'. Het is een paradox, treuren en toch zalig zijn. Er wordt immers van deze treurenden gezegd: „Zij zullen vertroost worden." De troost van het Evangelie is bijzonder voor deze treurenden. Het Griekse woord voor 'zij' is 'autoi', dat wil zegen: zij en geen anderen. Waar God besloten heeft het eeuwige leven te schenken, heeft Hij ook besloten de boetvaardigheid te geven.
'Zij' zullen vertroost worden, leder ander persoon is ongeschikt om de troost van het Evangelie te ontvangen. Wij moeten weten wat geestelijke droefheid is om te weten wat hemelse troost is.
In de hemelse en evangelische droefheid is reeds zoetheid en troost. De tranen der boetvaardigen zijn zoeter dan de vreugden van de wereld. Gods kinderen zouden hun droefheid dan ook niet willen missen voor
alles wat zij vroeger in de wereld genoten. Het bezwaard gemoed krijgt lucht en verlichting in het bewenen van de zonde en het uitstorten van zijn hart voor de Heere. Er is een verborgen zoetheid in de droefheid naar God.
De troost in de beloften van God
Toch heeft jezus niet alleen deze troost op het oog, wanneer Hij zegt: „Zij zullen vertroost worden", jezus bedoelt, dat zij zullen vertroost worden met de troost van het Koninkrijk Gods. 'Vertroosting' is een woord dat tot de genoten zegeningen van het Koninkrijk Gods behoort. In het Koninkrijk van God is troost. We moeten de troost niet in onszelf zoeken, hoe zoet het evangelische berouw ook is. Dan blijven wij toch nog in onszelf hangen. Onze troost is dan ook erg wankel. De zoete droefheid naar God kan immers ook zo weerweg zijn. Indien wij daarin alleen onze troost zoeken is dan tegelijk ook onze troost weg. Het gaat om de troost, die het burger-zijn van het Koninkrijk Gods met zich brengt. De troost van het Koninkrijk Gods vinden we in de beloften van God. In vele en dierbare beloften wordt over de troost gesproken, die de Heere de burgers van Zijn Koninkrijk bereid heeft.
Deze zal ons troosten
Reeds voor de zondvloed vonden de gelovigen troost in de beloofde Zaligmaker. Lamech noemde zijn zoon Noach en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft" (Genesis 4:29). Vooral de profetieën van jesaja staan vol van troost. De Heere roept: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen" (jesaja 35:10, 40:1, 61:1 - 3). En in het laatste bijbelboek wordt gezegd: God zal alle tranen van hun ogen afwissen" (Openbaring 7:17, 21:4).
God troost de treurenden met Christusen Zijn werk. Daar wijzen al de beloften van het Oude Testament heen. De oudtestamentische teksten waarin over troost gesproken wordt, staan alle in verband met de komst en het werk van de Messias. Het gaat om troost, die zijn vervulling vindt in de Gezalfde, de Messias jezus de Christus. Hij zal komen om de treurigen te troosten. Daarom was de oude Simeon uitziende naar 'de vertroosting in Israël'.
De Heilige Geest
In het Nieuwe Testament wordt de Heilige Geest de Trooster genoemd. Hij troost met het werk van Christus, want jezus zei van hem: Hij zal het uit het Mijne nemen, en u verkondigen" (johannes 16:15).
Het verbroken hart moet naar Christus toe om troost te vinden. In Hem is de enige troost, beide in leven en sterven.
De troost van de kerk is verder gewaarborgd in de persoonlijke inwoning van de Heilige Geest in hun harten. De Trooster woont in hen, daarom blijven zij niet zonder troost. Het is zoals in de oude berijming van Datheen in Psalm 68 van Gods kinderen wordt gezegd:
„Zonder troost zij niet sterven". In Gods Woord wordt met grote nadruk geleerd, dat Gods kinderen getroost zullen worden. Het is het wezen en het karakter van God om te troosten. God wordt genoemd 'de God aller vertroosting' (2 Korinthe 1:3).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1995
Daniel | 36 Pagina's