ok voor mij!
Dit jaar werd op de zomerkampen een projekt gehouden over straatkinderen in Brazilië. Op veel kampen werd het verhaal 'Ook voor mij? ', geschreven door mevrouw j. W. van den Berg voorgelezen. Je kunt het in dit en het volgende nummer nog eens nalezen. Het verhaal geeft een goed beeld van de strijd om het bestaan van kinderen in de krottenwijken van Rio de janeiro. Misdaad tiert, de politie heeft helaas niet het juiste antwoord. Maar soms is er gelukkig een beker koud water.
Met een handigheid, die verraadt dat hij het niet voor de eerste keer doet, zoekt een jongen van een jaar of dertien in een grote afvalbak naar wat eetbaars. Ha, beet! Vanonder een paar verlepte, slijmerige koolblaren diept hij een half afgekloven kippepoot op. Net als hij het 'smakelijke' hapje naar zijn mond brengt, hoort hij plotseling zijn naam roepen.
„Marcos, Marcosü" Twee kereltjes van een jaar of vijf, zes - kennelijk broertjes - rennen op hem af. „Ze hebben Henrico te pakken! Daar om de hoek!" hijgen ze. Zonder zich te bedenken holt Marcos de aangeduide richting in.
De beide ventjes doen hun best hem bij te houden. En dat niet alleen om te weten hoe dit alles zal aflopen, maar de kippepoot in Marcos' hand is hun scherpe blik niet ontgaan. Vlakbij de hoek houdt Marcos zijn vaart in. Tegen de muur gedrukt loert hij de straat in. Hij ziet nog net hoe twee agenten Henrico een politiewagen intrappen.
Met een ruk schuiven ze de deur op slot, springen de cabine in en scheuren weg. Zijn kleverige buit is Marcos ontvallen, hij ligt vergeten op de vuile straat. Met gebalde vuisten staart hij een ogenblik de politiewagen na.
Dan zet hij het op een lopen, de auto achterna.
Hierop hebben de beide kereltjes gewacht. Met een snoeksprong duiken ze op het fel begeerde pootje af. „Hebbes!", schreeuwt Luiz, de grootste van de twee.
„Nietes, hij is van mij!" brult Alberto. Een gevecht als van leven op dood breekt los. Nu ligt de een dan de ander onder. Als ze na een paar minuten hijgend besluiten de strijd te staken, zien ze nog net hoe een magere straathond er met de buit vandoor gaat. Een ogenblik later lopen ze met de armen om elkaar geslagen naar de plaats waar Henrico gevangen werd genomen.
„Zullen we Marcos achterna gaan? " stelt Luiz voor.
Alberto vindt het best en eensgezind hollen ze de richting van het politiebureau in. Datze daar in de buurt
Marcos zullen vinden, staat voor hen als een paal boven water.
Toen Marcos hijgend van het harde lopen bij het politiebureau aankwam, stond de auto waarmee zijn vriendje was weggevoerd al geparkeerd op de binnenplaats van het gebouw. Van Henrico was niets meer te zien. Maar Macos maakt zich geen enkele illusie wat zijn vriendje betreft.
Alsof hij erbij is, zo zeker weet hij wat er met hem gebeurt. Opnieuw ballen zich zijn vuisten. Was hij maar groot, had hij maar een wapen! Hij zou naar binnen rennen en die vuile kerels zonder pardon neerschieten. Maar hij is niet groot en hij hééft geen wapen! En Henrico? Och, wat is nou een jongen van dertien jaar tegenover een paar sterke politiemannen! Wat begin je daartegen! Immers niets! Ineens duikt hij weg achter een geparkeerde auto. Daar heb je ze! Het zijn dezelfde kerels die Henrico gevangen namen! Zeker weten! Voorzichtig schuifelt hij wat achteruit. Ai, komen ze zijn kant uit? ! Nee, gelukkig ze gaan rechtsaf, de Rua de Gama in. Marcos zucht van opluchting. Maar nou weet-ie nog niks van Henrico. Of niks? Da's niet waar natuurlijk. Hij weet met grote zekerheid dat zijn vriendje het zwaar te verduren zal krijgen. Er zijn immers al zoveel straatkinderen geslagen, gemarteld, vermoord! Kon hij nou maar wat voor hem doen! Maar hij is machteloos. Hij komt
overeind uitzijn gebukte houding en loopt een richting in tegenovergesteld aan die van de agenten. Vijf minuten later duikt hij onder in één van de vele sloppenbuurten van Rio dejaneiro.
Vermoord
Het is de volgende dag en nog heel vroeg in de morgen.
„Marcos, Marcos!" Opgewonden rennen Luiz en Alberto op een grote kartonnen doos toe. „Wij weten waar Henrico is! Hei, word eens wakker"! Ze schoppen verwoed tegen Marcos' slaapplaats van die nacht. Deze weet even niet waar hij is, maar een welgerichte trap tegen de dunne wand van de doos brengt hem op een pijnlijke manier bij zijn positieven. Met een verwensing op de lippen springt hij overeind. De broertjes zorgen dat ze uit zijn vaarwater komen. Gereed om weg te rennen als dat nodig zou zijn, herhalen ze hun boodschap. „Wij weten waar hij is, kom maar mee". Z'n achterhoofd wrijvend, dat gevoelig in aanraking kwam meteen schoen van Luiz, loopt Marcos op hen toe. „Wij zagen hem liggen onder het viaduct", zegt Alberto, „en we zijn direkt hierheen gehold. Wij wisten waar jij vannacht zou slapen, daarom hebben we jou zo gauw gevonden", voegt hij er een beetje trots aan toe.
Dat laatste dringt niet zo tot Marcos door. „Liggen? Onder het viaduct? ", klinkt het in zijn oren. „Liggen? " Maar dan is hij dood! Dat kan niet anders!" Hij zet het op een rennen en laat de broertjes ver achter zich. Als de beide jongens de onheilsplek naderen, zien ze hem staan. Een beetje gebogen, de handen in zijn zakken, een toonbeeld van ellende. Vlak voor zijn voeten ligt de enige vriend die hij had. Dood! Vermoord door mannen die moeten waken voor de veiligheid van de burgers van de stad. Dwars door het verdriet dat zijn hart bijna doet barsten, dringt een ander gevoel zich op. Een felle haat borrelt in hem naar boven en verdrijft dat verdriet. De wens om te doden overmant hem zo, dat hij er bijna in stikt. De handen tot vuisten gebald in de zakken van zijn tot op de draad versleten broek, kijkt hij neer op het met kogels doorzeefde lichaam van Henrico. Luiz en Alberto durven niet dichtbij hem te komen. Hun opgewondenheid is verdwenen als sneeuw voor de zon, nu ze Marcos zo zien staan, zo verloren, zo alleen en zonder enige hulp van anderen.
Net willen ze stilletjes weggaan als er een auto stopt bij het viaduct. Er stapt een man met een fototoestel uit en loopt op Marcos toe. Die kijkt verschrikt op en wil zich uit de voeten maken.
„je hoeft voor mij niet weg te lopen", zegt de man. „Ik ben van de krant". Marcos zegt niets terug. Hij ziet hoe de man een paar foto's maakt van zijn vriend. Als de krantenman weer in zijn auto wil stappen, vraagt hij en zijn stem klinkt wat schor: „Waarom doet u dat? " „Elke dag verschijnt er een foto van een straatkind dat vermoord is op de voorpagina", antwoordt de man. „Waarom? "
„Om de mensen te laten zien welke gruwelijke dingen er dag aan dag in onze stad gebeuren. Ik hoef nooit ver te zoeken om zo'n kind te vinden". Hij wijst op Henrico: „Ken je hem? " Marcos knikt alleen maar. „Wil je mij zijn naam zeggen", vraagt de man vriendelijk. „Henrico da Silvo", zegt Marcos zacht, „hij was mijn beste vriend".
„Hoe oud was hij? "
„Dertien jaar".
De journalist haalt een vijfdollarbiljet uit z'n zak. „Hier, dat is voor jou". Voor Marcos kan rageren, is de man van de krant al weggescheurd. Gauw, de foto moet er vandaag nog in. Als het meezit wat het verkeer betreft, haalt hij het nog wel. Vreselijk toch, wat een ellende iedere dag weer opnieuw. Zou hij er goed aan gedaan hebben om dat joch geld in z'n handen te stoppen? Straatkinderen zijn echt geen lieverdjes allemaal. Er zitten keiharde kriminelen onder, die voor geen doodslag terugschrikken. Hij haalt z'n schouders op: Vooruit niet meer piekeren, daar schiet hij geen draad mee op. Hij zal maar hopen dat die knul het geld niet besteedt aan drugs of er een mes of ander wapen voor koopt. Met gierende banden neemt hij de hoek bij het krantenconcern, knarsend staat de wagen stil voor de achteringang van het gebouw.
Ga maar mee
Een vijfdollarbiJjet! Wat kan hij daar niet allemaal voor kopen! Na een laatste blik op Henrico draait Marcos zich om. Hij botst bijna tegen de beide broertjes aan, die zoetjesaan wat dichterbij zijn gekomen. Begerig kijken ze naar Marcos' stijf gesloten hand.
„Hoeveel gaf die gabber je? " willen ze weten.
„Gaat je geen snars aan", snauwt Marcos en stopt het biljet tussen zijn hemd. Daar zit het nog het veiligst opgeborgen. Maar de ventjes geven het zo gauw niet op.
„Je kunt er ons best wat van geven, wij hebben jou wakker gemaakt en gezegd waar Henrico lag".
Marcos kijkt de twee nadenkend aan. 't Is waar wat ze zeggen. Hij zou nooit geweten hebben wat er met zijn vriend was gebeurd, als die twee hem niet hadden gewaarschuwd. „Ga maar mee", zegt hij kortaf, „maar 'k moet eerst zorgen dat ik het klein krijg. Ze zouden eens moeten denken dat ik het gestolen had", voegt hij er wat wrang aan toe.
En doe gij desgelijks
Terwijl Marcos en de broertjes op pad gaan om iets eetbaars te kopen, leggen Rick en Anneke Vermeulen de laatste hand aan hun vertrek naar Brazilië. Ze zullen volgende week vertrekken naar één van de vele sloppenwijken van Rio de janeiro om te gaan werken onder de straatkinderen.
„Weet je nog dat je op de basisschool al zei dat je later wilde gaan reizen? " zegt Rick terwijl hij een paar boeken in z'n koffer legt. „Je wilde de hele wereld zien". Z'n tweelingzus knikt, haar ogen beginnen te glinsteren.
„Ja en jij ging met mij mee". Rick zucht even. 't Is waar, hij vaart altijd in Annekes kielzog. Hij kan o zo moeilijk zelf een beslissing nemen. Hij nam hetzelfde vakkenpakket als Anneke. Samen hebben ze de havo
doorlopen, samen hebben ze de studie voor maatschappelijk werker afgerond met een diploma en samen een kursus Portugees gevolgd. Nu staan ze klaar om wat ze geleerd hebben in praktijk te brengen. Weer is hij zijn zus gevolgd, nu in haar keus om de straatkinderen in Rio de janeiro te gaan helpen. De handtekeningenaktie was voor Anneke het begin geweest. „Dat zou ik willen, Rick. Onder die kinderen zou ik graag gaan werken". En voortvarend als ze is, had ze hem direkt meegesleept naar een kursus Portugees. Tjonge wat was er een tegenstand gekomen wat hun plannen betrof! Niet in het minst van vader en moeder. Maar op een wonderlijke wijze was die tegenstand gebroken geworden. Een paar weken na hun besluit, 't was op een zondag, preekte de dominee over: 'Ga heen en doe gij desgelijks'. „De Samaritaan vroeg zich niet eerst af of die ongelukkige man zijn geloofsgenoot was. Hij zei niet: het is zijn eigen schuld, dan had hij maar een andere weg moeten kiezen. Hij zag alleen de nood, de ellende van zijn naaste.
Onder ieder volk, waar ook ter wereld, zijn mensen die u nodig hebben, mensen die uw naasten zijn. Als we de liefde tot onze naaste zo begrenzen, dat we alleen volks-of geloofsgenoten willen helpen, hebben we op den duur in het geheel geen liefde meer. En dan hebben we onze naaste niet lief als onszelf. 'Heb lief' zei Augustinus 'en doe wat ge wilt'. Ware liefde vraagt niet: 'Zou ik dat wel doen? ' Ze bedenkt zich niet, maar handelt en helpt. Ga heen en doe gij desgelijks. Amen".
En nu is het bijna zover. Nog twee dagen dan vertrekken ze. Ze zullen eerst een maand naar Belo Horizonte gaan om het Portugees nog beter onder de knie te krijgen. Rick weet: in Annekes hart is geen enkele onzekerheid over het genomen besluit. Zij is er vast van overtuigd dat dit de weg is die ze gaan moet. Het vliegt hem alles echter wel eens aan. Zijn besluiteloosheid, al overheerst die nare karaktertrek niet zo sterk meer als tijdens zijn schooltijd, is beslist niet verdwenen. Als hij eraan denkt wat hun ginds te wachten staat, hoe moeilijk vooral het begin zal zijn. Als hij zich het gevaar, dat in en bij dit werk reëel aanwezig is, voor de geest haalt, bekruipt hem soms de gedachte: zou ik het wel aan kunnen? Zijn oog valt op een langwerpig pakje van twintig bij veertig centimeter, dat met een paar andere spulletjes gereed ligt om in de koffer gestopt te worden. Hij neemt het in z'n handen en draait het om en om. Hij trekt een paar keer aan het elastiekje dat om het papier zit. Tik! Tik! Tik! Bah, wat mankeert hem toch. Met een ruk trekt hij het elastiekje van het pakje. Hij doet het zo wild en gehaast dat het breekt en wegschiet z'n kamer door. Niet meer te vinden natuurlijk. Nou ja, wat heeft hij aan een kapot elastiek! Langzaam wikkelt hij het papier los. Er komt een houten plankje uit. Er staat een ingebrande tekst op. 'En doe gij desgelijks'. Erboven een ezeltje. Op dat beest een gewonde man, die wordt ondersteund door een andere man. Stil bekijkt Rick voor de zoveelste keer de ingebrande tekening. Moeder maakte hem. Hoe krijgt ze het voor elkaar! Anneke kreeg er ook één. Het gevoel van zou-ik-het-welaankunnen ebt weg. „Zo kan het, Rick", had moeder hem aangemodigd. Ze kent haar jongen en voelt heel goed wat er in hem omgaat, nu alles zo dichtbij komt. Hij pakt het kostbare geschenk weer in het papier en geeft het een plaatsje in de koffer. „Zo kan het!" Ja, dat heeft hij nodig, zo'n fijne bemoediging. Anneke reageerde heel anders dan hij. Ze vloog moeder om haar hals en bedankte haar uitbundig. „Wat ben ik daar blij mee! Ik zal er elke dag naar kijken!"
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1995
Daniel | 32 Pagina's